Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
12 september 2019 (*)
„Hogere voorziening – Dumping – Uitvoeringsverordening (EU) 2015/776 – Invoer van rijwielen verzonden vanuit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen – Uitbreiding tot die invoer van het definitieve antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit China – Verordening (EG) nr. 1225/2009 – Artikel 13 – Ontwijking – Assemblagewerkzaamheden – Afkomst en oorsprong van rijwielonderdelen – Onderdelen verzonden vanuit China naar Sri Lanka, bewerkt in Sri Lanka en vervolgens verzonden naar Pakistan om te worden geassembleerd”
In zaak C‑709/17 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 18 december 2017,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. França, J.‑F. Brakeland en A. Demeneix als gemachtigden,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Kolachi Raj Industrial (Private) Ltd, gevestigd te Karachi (Pakistan), vertegenwoordigd door P. Bentley, QC,
verzoekster in eerste aanleg,
European Bicycle Manufacturers Association (EBMA), vertegenwoordigd door J. Beck, solicitor, en L. Ruessmann, avocat,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, K. Jürimäe (rapporteur), D. Šváby, S. Rodin en N. Piçarra, rechters,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 januari 2019,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 april 2019,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 10 oktober 2017, Kolachi Raj Industrial/Commissie (T‑435/15, EU:T:2017:712; hierna: „bestreden arrest”), waarbij uitvoeringsverordening (EU) 2015/776 van de Commissie van 18 mei 2015 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij verordening (EU) nr. 502/2013 van de Raad is ingesteld op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot rijwielen verzonden vanuit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen (PB 2015, L 122, blz. 4) (hierna: „litigieuze verordening”), nietig is verklaard, voor zover deze betrekking heeft op Kolachi Raj Industrial (Private) Ltd (hierna: „Kolachi Raj”).
Toepasselijke bepalingen
2 Ten tijde van de feiten die aan het geding ten grondslag liggen, werd de vaststelling van antidumpingmaatregelen door de Europese Unie geregeld door verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificaties in PB 2010, L 7, blz. 22; PB 2011, L 36, blz. 20, en PB 2016, L 44, blz. 20), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2014 (PB 2014, L 18, blz. 1) (hierna: „basisverordening”).
3 Overweging 19 van de basisverordening luidde:
„[...] Aangezien bij de multilaterale handelsbesprekingen nog geen oplossing voor dit probleem is gevonden en in afwachting van het resultaat van de doorverwijzing naar de antidumpingcommissie van de WTO, dienen in de [Unie]wetgeving bepalingen te worden opgenomen om bepaalde praktijken, zoals de loutere assemblage van producten in de [Unie] of in een derde land, tegen te gaan die hoofdzakelijk de ontwijking van antidumpingmaatregelen ten doel hebben.”
4 Artikel 13 van deze verordening, met het opschrift „Ontwijking”, was als volgt geformuleerd:
„1. De overeenkomstig deze verordening ingestelde antidumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen of van enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit landen waarop maatregelen van toepassing zijn, of delen daarvan, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Antidumpingrechten die het op grond van artikel 9, lid 5, ingestelde residuele antidumpingrecht niet overschrijden, kunnen worden uitgebreid tot de invoer via ondernemingen waarvoor individuele rechten gelden in landen waarop maatregelen van toepassing zijn, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Ontduiking wordt omschreven als een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de [Unie] of tussen individuele ondernemingen in een land waarop maatregelen van toepassing zijn en de [Unie] als gevolg van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en waarbij wordt bewezen dat er sprake is van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het soortgelijke product, wordt ondermijnd, en dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden, eventueel overeenkomstig artikel 2.
De in de eerste alinea bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden omvatten onder andere het enigszins wijzigen van het betreffende product om het te laten vallen onder douanecodes waarop geen maatregelen van toepassing zijn, mits de wijziging de wezenlijke kenmerken van het product niet aantast; het verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn via derde landen; het reorganiseren door exporteurs of producenten van hun verkoopkanalen en afzetmethoden in het land waarop maatregelen van toepassing zijn om hun producten uiteindelijk naar de [Unie] te laten exporteren via producenten waarop lagere individuele rechten van toepassing zijn dan op de producten van de producenten; en, in de in lid 2, beschreven situatie, de assemblage van delen in de [Unie] of een derde land.
2. Assemblage in de [Unie] of een derde land wordt geacht ontwijking van de maatregelen in te houden wanneer:
a) de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen en de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, en
b) de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product; ontwijking wordt echter niet geacht plaats te vinden indien de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt; en
c) de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van het geassembleerde soortgelijke product, wordt ondermijnd, en wordt bewezen dat er dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden.
3. Onderzoeken op grond van dit artikel worden geopend op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat of een belanghebbende, op basis van voldoende bewijsmateriaal met betrekking tot de in lid 1 omschreven factoren. Het onderzoek wordt geopend door middel van een verordening van de Commissie, die de douaneautoriteiten tevens de instructie kan geven de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, te registreren of zekerheidstelling te eisen. De Commissie verstrekt de lidstaten ook informatie zodra een marktdeelnemer of een lidstaat een toereikend verzoek tot het inleiden van een nieuw onderzoek [...] heeft ingediend en de Commissie haar onderzoek daarvan heeft beëindigd, of zodra de Commissie zelf heeft bepaald dat de noodzaak tot handhaving van maatregelen aan een nieuw onderzoek moet worden onderworpen.
De onderzoeken worden door de Commissie uitgevoerd. De Commissie kan zich laten bijstaan door douaneautoriteiten en het onderzoek wordt binnen negen maanden voltooid.
Wanneer de definitief vastgestelde feiten uitbreiding van de maatregelen rechtvaardigen, neemt de Commissie volgens de in artikel 15, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure, het daartoe strekkende besluit. De uitbreiding geldt vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 14, lid 5, registratie of zekerheidstelling werd geëist. De procedurele bepalingen van deze verordening betreffende de opening en de uitvoering van een onderzoek zijn op dit artikel van toepassing.
4. De invoer door ondernemingen waarop een vrijstelling van toepassing is, hoeft niet overeenkomstig artikel 14, lid 5, te worden geregistreerd en hierop zijn geen rechten van toepassing. Een voldoende door bewijsmateriaal gestaafd verzoek tot vrijstelling moet worden ingediend binnen de in de verordening van de Commissie tot opening van het onderzoek gestelde termijn. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontduiking buiten de [Unie] geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan producenten van het betreffende product die kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent waarop maatregelen van toepassing zijn en dat zij niet betrokken zijn bij enige ontduiking zoals beschreven in de leden 1 en 2 van dit artikel. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontduiking binnen de [Unie] geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan importeurs die kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent waarop maatregelen van toepassing zijn.
Deze vrijstellingen worden verleend door middel van een besluit van de Commissie en zijn van toepassing gedurende de periode en onder de voorwaarden zoals vastgesteld in dat besluit. De Commissie doet de lidstaten informatie toekomen zodra zij haar onderzoek heeft beëindigd.
Mits voldaan is aan de in artikel 11, lid 4, vastgestelde voorwaarden, kunnen vrijstellingen ook worden verleend na afloop van het onderzoek dat leidt tot uitbreiding van de maatregelen.
Als een groot aantal partijen een verzoek tot vrijstelling indient of kan indienen en er minimaal een jaar verstreken is sinds de uitbreiding van de maatregelen, kan de Commissie besluiten een herzieningsprocedure in te leiden voor de uitbreiding van de maatregelen. Een dergelijke herzieningsprocedure moet worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 11, lid 5, dat van toepassing is op herzieningsprocedures op grond van artikel 11, lid 3.
5. Dit artikel doet geen afbreuk aan de normale toepassing van de geldende bepalingen inzake douanerechten.”
5 Artikel 16 van de basisverordening luidde:
„1. Ingeval zij dit nuttig oordeelt, legt de Commissie bezoeken af om de administratie van importeurs, exporteurs, handelaars, vertegenwoordigers, producenten, handelsverenigingen en -organisaties ter plaatse te onderzoeken, teneinde de ingewonnen inlichtingen over dumping en schade te controleren. Indien niet tijdig een correct antwoord wordt ontvangen, kan de Commissie besluiten van controle ter plaatse af te zien.
[...]
3. De betrokken ondernemingen worden in kennis gesteld van de aard van de tijdens het bezoek te controleren inlichtingen en van alle tijdens het bezoek te verstrekken aanvullende gegevens, hetgeen echter niet belet dat ter plaatse in het licht van de verkregen inlichtingen nadere bijzonderheden kunnen worden gevraagd.
[...]”
6 Artikel 18 van de basisverordening bepaalde:
„1. Indien een belanghebbende binnen de bij deze verordening vastgestelde termijnen de toegang tot de nodige gegevens weigert of deze anderszins niet verstrekt of het onderzoek aanmerkelijk belemmert, kunnen aan de hand van de beschikbare gegevens voorlopige of definitieve conclusies, zowel in positieve als in negatieve zin, worden getrokken. Blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende inlichtingen heeft verstrekt, dan worden deze buiten beschouwing gelaten en kan van de beschikbare gegevens gebruik worden gemaakt. Belanghebbenden dienen van de gevolgen van niet-medewerking in kennis te worden gesteld.
[...]
3. Wanneer de door een belanghebbende verstrekte inlichtingen niet in alle opzichten toereikend zijn, mogen zij niet buiten beschouwing worden gelaten, mits de tekortkomingen niet van dien aard zijn dat zij het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies onnodig bemoeilijken, de inlichtingen op passende wijze binnen de termijnen worden verstrekt en controleerbaar zijn en de betrokkene naar beste vermogen heeft gehandeld.
[...]
6. Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijke medewerking verleent waardoor relevante inlichtingen niet beschikbaar zijn, kan dit tot gevolg hebben dat de resultaten voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan indien hij wel medewerking had verleend.”
Voorgeschiedenis van het geding en litigieuze verordening
7 De voorgeschiedenis van het geding is uiteengezet in de punten 1 tot en met 27 van het bestreden arrest. Ten behoeve van de onderhavige procedure kunnen zij als volgt worden samengevat.
8 In 1993 heeft de Raad een definitief antidumpingrecht van 30,6 % ingesteld op de invoer in de Unie van rijwielen van oorsprong uit China. Dat recht is daarna op hetzelfde niveau gehandhaafd. In 2005 werd het verhoogd tot 48,5 %. Het is op dit laatste niveau gehandhaafd door verordening nr. 502/2013 van de Raad van 29 mei 2013 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, naar aanleiding van een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 1225/2009 (PB 2013, L 153, blz. 17).
9 Dit antidumpingrecht is in 2013, na een anti-ontwijkingsonderzoek op grond van artikel 13 van de basisverordening, uitgebreid tot de invoer van rijwielen verzonden uit met name Sri Lanka, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit dat land.
10 Nadat de Commissie in 2014 een nieuwe klacht had ontvangen, heeft zij een onderzoek geopend naar de mogelijke ontwijking van de bij verordening nr. 502/2013 ingestelde antidumpingmaatregelen door de invoer van rijwielen verzonden vanuit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen.
11 Kolachi Raj, een vennootschap naar Pakistaans recht, heeft aan dit onderzoek deelgenomen. Uit de opgaven in het door deze onderneming ingevulde „Formulier voor de vennootschappen die om vrijstelling van een eventuele uitbreiding van de rechten verzoeken” bleek dat zij rijwielonderdelen uit Sri Lanka en China kocht om in Pakistan rijwielen te assembleren. Kolachi Raj heeft vijf bedrijven aangeduid als haar leveranciers, waaronder Great Cycles Pvt Ltd en Flying Horse Pvt Ltd. Kolachi Raj heeft aangegeven dat haar eigenaar en die van Great Cycles een en dezelfde natuurlijke persoon waren.
12 Op 17 en 18 februari 2015 heeft de Commissie een controlebezoek verricht in de lokalen van Great Cycles in Katunayake (Sri Lanka), in het bijzonder om na te gaan of het uit China afkomstige aandeel van de door Kolachi Raj bij de assemblage in Pakistan gebruikte onderdelen minder dan 60 % uitmaakte van de totale waarde van de onderdelen die bij de door haar in Pakistan verrichte assemblagewerkzaamheden werden gebruikt, zoals Kolachi Raj beweerde. De Commissie heeft haar onderzoek geconcentreerd op de gegevens betreffende Flying Horse, waarvan Kolachi Raj 93 % van de rijwielonderdelen betrok die zij bij de assemblage gebruikte. Volgens de door Kolachi Raj verstrekte gegevens was Flying Horse niet met haar verbonden, maar was zij een tussenpersoon die in nagenoeg gelijke hoeveelheden – te weten respectievelijk 46 % en 47 % van alle door Kolachi Raj bij de assemblage in Pakistan gebruikte rijwielonderdelen – onderdelen kocht in China en in Sri Lanka en deze doorverkocht aan Kolachi Raj.
13 Gebleken is dat Flying Horse een aanzienlijke hoeveelheid frames, vorken, lichtmetalen velgen en kunststofwielen kocht bij Great Cycles, een in Sri Lanka gevestigde, met Kolachi Raj verbonden fabrikant van rijwielonderdelen. De banden en velglinten werden daarentegen betrokken bij Vechenson Limited, een eveneens in Sri Lanka gevestigde fabrikant van rijwielonderdelen die niet met Kolachi Raj was verbonden. Omdat de Commissie een aantal onregelmatigheden had vastgesteld, heeft zij twijfels geuit over de relatie tussen Kolachi Raj en Flying Horse.
14 De Commissie was van mening dat de via Flying Horse bij Vechenson gekochte rijwielonderdelen van Sri Lankaanse oorsprong waren. De door het ministerie van Handel van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka afgegeven certificaten van oorsprong „formulier A” die door Kolachi Raj waren overgelegd voor rijwielonderdelen die via Flying Horse bij Great Cycles waren aangekocht (hierna: „certificaten van oorsprong”), heeft zij daarentegen afgewezen.
15 In deze omstandigheden heeft de Commissie op basis van het door Kolachi Raj verstrekte bewijsmateriaal over de productiekosten van de tijdens het referentietijdvak door Great Cycles in Sri Lanka bewerkte onderdelen berekend dat een aandeel van meer dan 65 % van het totaal van de voor de vervaardiging van deze rijwielonderdelen in Sri Lanka gebruikte grondstoffen afkomstig was uit China, terwijl een aandeel van 31 % van dit totaal afkomstig was uit Sri Lanka, en dat de tijdens het productieproces van deze onderdelen in Sri Lanka aan die grondstoffen toegevoegde waarde minder dan 25 % bedroeg. Zij heeft hieruit geconcludeerd dat Kolachi Raj antidumpingmaatregelen had ontweken en heeft haar deze conclusie op 13 maart 2015 meegedeeld.
16 In haar schriftelijke opmerkingen van 27 maart 2015 betreffende de conclusies van de Commissie heeft Kolachi Raj aangevoerd dat de Commissie geen juridische grond had om de Sri Lankaanse oorsprong van de onderdelen die Great Cycles aan haar leverde in twijfel te trekken.
17 Op 18 mei 2015 heeft de Commissie de litigieuze verordening vastgesteld.
18 In overweging 22 van die verordening merkt de Commissie met name op dat Kolachi Raj werd geacht aan het onderzoek te hebben meegewerkt.
19 In onderdeel 2.5.3 van de overwegingen van de litigieuze verordening, met het opschrift „Pakistan”, zijn de overwegingen 94 tot en met 106 van die verordening gewijd aan het onderzoek dat de Commissie heeft verricht met betrekking tot Kolachi Raj. Om te beginnen wijst de Commissie in overweging 94 van die verordening op de banden tussen Kolachi Raj en „een onderneming in Sri Lanka die het voorwerp was van het eerdere anti-ontwijkingsonderzoek en waarvoor de uitgebreide maatregelen gelden”. Daaraan voegt zij toe dat de aandeelhouders van die onderneming in Sri Lanka een onderneming in Cambodja hadden opgericht die zich eveneens bezighoudt met de uitvoer van rijwielen naar de Unie, en die „niet aan het nieuwe onderzoek [had] meegewerkt, hoewel zij in 2013 het [in dat onderzoek] onderzochte product naar de markt van de Unie had uitgevoerd”. In diezelfde overweging verklaart de Commissie voorts dat de Cambodjaanse onderneming tijdens de verslagperiode haar werkzaamheden in Cambodja had gestaakt en deze had verplaatst naar de verbonden onderneming in Pakistan.
20 In overweging 96 van de litigieuze verordening wijst de Commissie erop dat uit het onderzoek niet is gebleken van overladingspraktijken met betrekking tot producten van oorsprong uit China via Pakistan, en in de overwegingen 98 en 99 van die verordening zet zij de onregelmatigheden uiteen die zij in de loop van dit onderzoek had vastgesteld. In de overwegingen 100 en 101 van de litigieuze verordening behandelt zij de bewijskracht van de certificaten van oorsprong „formulier A” en het percentage grondstoffen uit China dat voor de fabricage van rijwielonderdelen in Sri Lanka werd gebruikt. Na de uiteenzetting van de argumenten van Kolachi Raj in overweging 100 van die verordening is overweging 101 van die verordening als volgt geformuleerd:
„Zoals uiteengezet in overweging 98, werden de [...]certificaten van oorsprong niet geacht afdoende bewijs te vormen ter staving van de oorsprong van de in Sri Lanka gekochte rijwielonderdelen, omdat zij niet waren afgegeven op basis van de werkelijke fabricagekosten, maar van een prognose van de toekomstige fabricagekosten, wat geen garantie biedt dat de rijwielonderdelen inderdaad tegen de geraamde kosten waren gefabriceerd. Bovendien moet worden verduidelijkt dat de Commissie niet in het algemeen de methode voor afgifte van de formulieren A/certificaten van oorsprong in Sri Lanka betwist, wat het kader van dit onderzoek te buiten gaat, maar alleen nagaat of in casu aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van de basisverordening wordt voldaan. Hoewel artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening als zodanig inderdaad geen oorsprongsregel is, mocht de Commissie er in deze omstandigheden van uitgaan dat zij, aangezien deze onderdelen voor meer dan 60 % uit grondstoffen uit [China] werden gefabriceerd en de toegevoegde waarde minder dan 25 % van de fabricagekosten bedroeg, terecht heeft geconcludeerd dat deze onderdelen zelf uit [China] afkomstig zijn. Alle bovengenoemde argumenten werden dan ook afgewezen.”
21 In overweging 104 van de litigieuze verordening heeft de Commissie dan ook geoordeeld dat het onderzoek geen „andere voldoende reden of economische rechtvaardiging voor de assemblagewerkzaamheden aan het licht heeft gebracht dan de ontwijking van de bestaande maatregelen ten aanzien van het betrokken product”.
22 Bovendien heeft de Commissie in overweging 147 van de litigieuze verordening vastgesteld dat er sprake was van „aanzienlijke dumping” met betrekking tot Pakistan en heeft zij in overweging 163 van die verordening uitgesloten dat Kolachi Raj wordt vrijgesteld van eventuele uitgebreide maatregelen.
23 Bij artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening is het definitieve antidumpingrecht op invoer van rijwielen van oorsprong uit China van 48,5 % uitgebreid tot de invoer van rijwielen verzonden uit Pakistan, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit dit land.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
24 Bij een op 29 juli 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Kolachi Raj beroep tot nietigverklaring van de litigieuze verordening ingesteld, voor zover deze op haar betrekking had.
25 Bij een op 16 november 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de European Bicycle Manufacturers Association (EBMA) verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie. De president van de Zevende kamer van het Gerecht heeft dit verzoek bij beschikking van 9 maart 2016 ingewilligd.
26 Tot staving van haar beroep tot nietigverklaring heeft Kolachi Raj een enkel middel aangevoerd, namelijk schending van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening. Met dit middel voerde Kolachi Raj met name aan dat de Commissie deze bepaling ten onrechte als oorsprongsregel had toegepast op de productie van rijwielonderdelen in Sri Lanka, terwijl het onderzoek betrekking had op een mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen in Pakistan, en dat de Commissie noch had aangetoond dat de certificaten van oorsprong onvoldoende bewijskracht hadden, noch maatregelen had genomen om de oorsprongsregels van de douanewetgeving van de Unie toe te passen.
27 In het bestreden arrest heeft het Gerecht het enige middel van Kolachi Raj aanvaard, voor zover de Commissie met dit middel werd verweten ten onrechte „naar analogie” artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening te hebben toegepast, maar heeft het dat middel afgewezen voor zover het betrekking had op de bewijswaarde van de certificaten van oorsprong.
28 In zoverre heeft het Gerecht de litigieuze verordening nietig verklaard, voor zover zij betrekking had op Kolachi Raj.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
29 Met haar hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof:
– het bestreden arrest te vernietigen, het in eerste aanleg ingestelde beroep te verwerpen en Kolachi Raj te verwijzen in de kosten, of
– subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor hernieuwde beoordeling en de beslissing omtrent de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening aan te houden.
30 Kolachi Raj verzoekt het Hof:
– de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen;
– subsidiair, het bestreden arrest te corrigeren met bevestiging van het dictum ervan;
– de Commissie te verwijzen in haar eigen, in hogere voorziening gemaakte kosten, alsook in de kosten van Kolachi Raj, en
– de EBMA te verwijzen in haar eigen, in hogere voorziening gemaakte kosten.
31 De EBMA verzoekt het Hof:
– het bestreden arrest te vernietigen, het in eerste aanleg ingestelde beroep te verwerpen en Kolachi Raj te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening, of
– subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor hernieuwde beoordeling, de beslissing omtrent de kosten van de procedure in eerste aanleg aan te houden en Kolachi Raj te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening.
Hogere voorziening
Argumenten van partijen
32 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie een enkel middel aan, waarin zij stelt dat het Gerecht bij de uitlegging en toepassing van artikel 13 van de basisverordening blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen. Dit middel, dat is gericht tegen de punten 83 tot en met 93 en 107 tot en met 119 van het bestreden arrest, bestaat uit twee onderdelen.
Eerste onderdeel van het enige middel
33 Met het eerste onderdeel van haar enige middel stelt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich bij de uitlegging en toepassing van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening op de oorsprongsregels te baseren.
34 In de eerste plaats stelt de Commissie dat de uitlegging volgens welke, ten eerste, het begrip „afkomst” berust op de oorsprongsregels en, ten tweede, de afkomst van de voor de assemblage gebruikte onderdelen enkel kan worden aangetoond door toepassing van die regels, geen grondslag vindt in de tekst van artikel 13 van de basisverordening.
35 Die tekst bevat namelijk geen enkele verwijzing naar de oorsprongsregels en weerspiegelt de keuze van de Uniewetgever om toepassing van die regels bij de beoordeling van een assemblage op grond van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening uit te sluiten. Die keuze blijkt uit de opeenvolgende wijzigingen van de bepalingen van de basisverordening inzake ontwijking. Aangezien de oorsprongsregels steeds ongeschikter bleken om overduidelijke gevallen van ontwijking aan te pakken, werd in dit verband de werkingssfeer van de anti-ontwijkingsregels, die aanvankelijk beperkt was tot de assemblage van onderdelen „van oorsprong uit het land van uitvoer van het aan antidumpingrecht onderworpen product”, bij verordening (EG) nr. 3283/94 van de Raad van 22 december 1994 inzake beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1994, L 349, blz. 1) uitgebreid tot de assemblage van onderdelen afkomstig uit het land waarop het antidumpingrecht van toepassing is.
36 Aldus is vanaf dat moment bij artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening een andere wettelijke regeling ingevoerd die losstaat van de oorsprongsregels. Het douanerecht is slechts relevant wanneer de basisverordening daar uitdrukkelijk naar verwijst.
37 In de tweede plaats betoogt de Commissie dat de door het Gerecht gegeven uitlegging de doeltreffendheid van het anti-ontwijkingsinstrument onnodig vermindert. Toepassing naar analogie van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening op de onderdelen die bij de betrokken assemblage worden gebruikt, kan die doeltreffendheid daarentegen in stand houden.
38 Ten eerste wijst zij erop dat artikel 13 van de basisverordening een algemene aanpak mogelijk maakt voor alle transacties met betrekking tot de aan de orde zijnde onderdelen in de loop van het betrokken referentiejaar, maar de in de oorsprongsregels vastgestelde criteria voor elk afzonderlijk onderdeel moeten worden geverifieerd. Een dergelijke controle is echter niet mogelijk in een anti-ontwijkingsonderzoek, gezien de aan een dergelijk onderzoek inherente beperkingen.
39 Ten tweede bevatten de oorsprongsregels geen bepaling die vergelijkbaar is met artikel 18 van de basisverordening, dat de Commissie de mogelijkheid biedt om, indien belanghebbenden geen medewerking verlenen, een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen te gebruiken om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor het opleggen van anti-ontwijkingsmaatregelen is voldaan.
40 Ten derde leidt de door het Gerecht gegeven uitlegging ertoe dat de wettelijke regeling die van toepassing is op de voor de assemblage gebruikte onderdelen verandert zodra er tussen het land waarop maatregelen van toepassing zijn en het land waar de onderdelen worden geassembleerd een extra ontwijkingslaag wordt toegevoegd. Een dergelijke uitlegging komt er namelijk op neer dat in een dergelijk geval de regels van artikel 13 van de basisverordening worden vervangen door de oorsprongsregels uit het douanerecht en dat het anti-ontwijkingsinstrument buiten toepassing wordt gelaten.
41 Ten vierde wordt in het bestreden arrest niet aangegeven of voor de vaststelling van de oorsprong van de gekochte onderdelen, in casu Sri Lanka, naar analogie moet worden verwezen naar de oorsprongsregels van de Unie dan wel naar de regels van oorsprong van het land waarnaar deze onderdelen worden uitgevoerd, te weten die van de Islamitische Republiek Pakistan.
42 Ten vijfde schept de uitlegging van het Gerecht in de onderhavige zaak een juridisch vacuüm, aangezien de betrokken onderdelen volgens deze uitlegging noch van oorsprong uit Sri Lanka, noch van oorsprong uit China zouden zijn, terwijl de toepassing naar analogie van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening een dergelijk vacuüm zou kunnen opvullen.
43 Ten zesde maakt deze toepassing naar analogie deel uit van het onderzoek om na te gaan of de door Kolachi Raj geassembleerde rijwielen daadwerkelijk voldoen aan de criteria van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening.
44 De EBMA, die de argumenten van de Commissie ondersteunt, is van mening dat het eerste onderdeel van het enige middel gegrond is. Volgens haar heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 84 tot en met 86 van het bestreden arrest te oordelen dat de woorden „afkomstig zijn uit” in artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening, aldus moeten worden begrepen dat zij betrekking hebben op de afkomst uit het land van rechtstreekse uitvoer.
45 Aangezien artikel 13 van de basisverordening niet de bepalingen van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (PB 1994, L 336, blz. 103) ten uitvoer legt, kunnen de woorden „afkomstig zijn uit” in lid 2, onder a), van de basisverordening in de eerste plaats niet worden uitgelegd in het licht van de door het Gerecht aangehaalde bepalingen van de basisverordening, zoals artikel 3, lid 4, en artikel 9, leden 5 en 6, waarbij de bepalingen van die Overeenkomst ten uitvoer worden gelegd. Dit geldt temeer omdat artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening betrekking had op de invoer van onderdelen voor de assemblage van het eindproduct, terwijl de op de regels van die Overeenkomst gebaseerde bepalingen en artikel 13, lid 1, van de basisverordening betrekking hadden op de invoer van het eindproduct in de Unie.
46 In de tweede plaats staat de restrictieve uitlegging door het Gerecht van de woorden „afkomstig zijn uit” haaks op de doelstelling van artikel 13 van de basisverordening, te weten de doeltreffendheid van de antidumpingmaatregelen van de Unie waarborgen en voorkomen dat deze worden ontweken. Bovendien trekt deze uitlegging de beoordelingsmarge van de Commissie in onderzoeken naar ontwijking in twijfel en gaat zij voorbij aan de huidige economische realiteit van mondiale toeleveringsketens.
47 Voor de marktdeelnemers volstaat het namelijk om een, al is het maar beperkte, bewerking van de onderdelen in een extra derde land toe te voegen om aan anti-ontwijkingsmaatregelen te ontsnappen. In de onderhavige zaak stelt de uitlegging van het Gerecht de marktdeelnemers in staat om in Sri Lanka geassembleerde onderdelen waarmee antidumpingmaatregelen zijn ontweken „wit te wassen” door deze vanuit Sri Lanka naar Pakistan te zenden en hun assemblage daar voort te zetten, in plaats van ze rechtstreeks naar de Unie uit te voeren.
48 Om die situatie aan te pakken moet de Commissie bij de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van de basisverordening de mogelijkheid hebben om ook onderdelen op te nemen in het onderzoek die afkomstig zijn uit het land waarop de oorspronkelijke maatregelen van toepassing zijn en via een derde land worden vervoerd naar het derde land dat het voorwerp is van het anti-ontwijkingsonderzoek, in het bijzonder wanneer de be- of verwerking van die onderdelen niet aan deze voorwaarden voldoet.
49 Kolachi Raj werpt tegen dat het eerste onderdeel van het enige middel ongegrond is.
50 In de eerste plaats is Kolachi Raj van mening dat de stelling van de Commissie dat de Uniewetgever bewust heeft uitgesloten dat in het kader van de toepassing van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening oorsprongsregels worden toegepast, onjuist is.
51 Voornoemde wetgever heeft namelijk niet de redenen uiteengezet die het gebruik en vervolgens het loslaten van het begrip „oorsprong” in het kader van de anti-ontwijkingsregels rechtvaardigden. Het begrip „afkomst” kan, bij gebreke van een definitie ervan in de basisverordening, niet als een autonoom begrip worden beschouwd, maar moet worden uitgelegd in overeenstemming met de normale betekenis ervan en in overeenstemming met soortgelijke concepten in de Uniewetgeving, waartoe met name ook het douanerechtelijke begrip „oorsprong” behoort. Bovendien volgt uit artikel 13, lid 5, van de basisverordening dat dit artikel 13 geen afbreuk doet aan de normale toepassing van de geldende douanevoorschriften van de Unie inzake niet-preferentiële oorsprong.
52 In de tweede plaats betwist Kolachi Raj de lezing van het bestreden arrest door de Commissie. Volgens Kolachi Raj heeft het Gerecht zich niet uitgesproken over het bewijs van de afkomst en heeft het evenmin geoordeeld dat het begrip „afkomst” op de oorsprongsregels is gebaseerd. Het heeft zich enkel uitgesproken over de mogelijkheid voor de Commissie om de oorsprong van de onderdelen „na te gaan”. Het gaat hier om een verificatie door de Commissie van de door de belanghebbende verstrekte documenten overeenkomstig artikel 16 van de basisverordening. Het Gerecht heeft de middelen waarover de Commissie in dit verband beschikt, dus niet beperkt, noch uitdrukkelijk andere middelen uitgesloten om te bewijzen dat in casu de onderdelen „afkomstig” waren uit China.
53 Kolachi Raj betoogt dat de oorsprong het enige relevante en geschikte criterium is om te bepalen of een onderdeel in feite niet afkomstig is uit het land van verzending, en dat de oorsprongsregels, zoals vastgesteld in de douaneregeling, in werkelijkheid de oorspronkelijke afkomst van een onderdeel bepalen. Die uitlegging vindt steun in de verplichtingen van de Unie in het kader van de WTO, in het bijzonder in de meestbegunstigingsclausule.
54 Ten gronde benadrukt Kolachi Raj allereerst dat de in artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening vastgestelde drempels bedoeld zijn om te worden gebruikt voor de beoordeling of assemblagewerkzaamheden neerkomen op de ontwijking van antidumpingmaatregelen, en niet om de oorsprong of afkomst van een onderdeel vast te stellen.
55 Ten tweede staat niet vast dat de uitlegging door het Gerecht de doeltreffendheid van het anti-ontwijkingsinstrument vermindert of dit instrument ontoepasbaar maakt. Het loutere feit dat het voor onderzoekers gemakkelijker kan zijn de criteria van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening toe te passen in plaats van de oorsprongsregels kan niet in aanmerking worden genomen bij de uitlegging van de uitdrukking „afkomstig [...] uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn”.
56 Ten derde staat vast dat de Commissie in geval van niet-medewerking artikel 18 van de basisverordening kan toepassen, ook bij onderzoeken in het kader van artikel 13 van die verordening. In het onderhavige geval heeft de Commissie echter niet geconcludeerd dat de betrokken certificaten van oorsprong onjuist of misleidend waren.
57 Ten vierde is toepassing van de oorsprongsregels van de Unie in overeenstemming met het recht van de Unie. Dit blijkt uit de aanpak van de Commissie in haar besluit 2001/725/EG van 28 september 2001 tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van kleurentelevisietoestellen uit Turkije (PB 2001, L 272, blz. 37).
58 Wat, ten vijfde, het gestelde bestaan van een juridisch vacuüm betreft, betoogt Kolachi Raj in de eerste plaats dat uit het bestreden arrest niet blijkt dat de betrokken onderdelen niet van oorsprong uit China waren, en in de tweede plaats dat het Gerecht slechts heeft geconcludeerd dat de Commissie terecht van mening was dat de betrokken certificaten van oorsprong niet voldoende bewijs vormden om de oorsprong van die onderdelen aan te tonen. De vraag of de Commissie die certificaten onder deze omstandigheden had kunnen afwijzen en overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening gebruik had kunnen maken van de beschikbare gegevens, en zo ja, welke gegevens dat waren, is niet aan het Gerecht voorgelegd noch door het Gerecht beslist.
59 Ten zesde merkt Kolachi Raj op dat de criteria van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening pas konden worden toegepast op assemblagewerkzaamheden in Pakistan nadat de afkomst van de betrokken onderdelen was vastgesteld, aangezien het onderzoek betrekking had op een mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen door assemblagewerkzaamheden in Pakistan en niet in Sri Lanka. De Commissie heeft deze criteria echter ten onrechte toegepast om aan te tonen dat die onderdelen uit China afkomstig waren.
Tweede onderdeel van het enige middel
60 Met het tweede onderdeel van haar enige middel betoogt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht het soort bewijsmateriaal dat zij kan gebruiken om aan te tonen dat de betrokken onderdelen „afkomstig zijn” uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, in de zin van artikel 13, lid 2, van de basisverordening, heeft beperkt door haar te verbieden dit bewijs op andere wijze dan met de oorsprongsregels te leveren.
61 In de eerste plaats houdt de formulering van artikel 13 van die verordening geenszins een beperking in van het bewijsmateriaal dat kan worden gebruikt. Door de woorden „afkomstig zijn uit” te gebruiken heeft de Uniewetgever toegestaan dat de autonome regels van dat artikel niet alleen worden toegepast op het eindproduct waarop het anti-ontwijkingsonderzoek betrekking heeft, maar ook op de onderdelen die worden gebruikt om dat product te assembleren.
62 In de tweede plaats is de Commissie van mening dat het Gerecht het arrest van 26 september 2000, Starway/Raad (T‑80/97, EU:T:2000:216), onjuist heeft uitgelegd en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.
63 Dat arrest is namelijk gewezen in zeer uitzonderlijke omstandigheden. Er volgt uit dat de keuze van het bewijsmateriaal om vast te stellen of aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van de basisverordening is voldaan, vrij moet zijn en dat de Unie-instellingen niet hoeven te bewijzen dat onderdelen van oorsprong zijn uit het land waarvoor antidumpingmaatregelen gelden.
64 De EBMA, die met het betoog van de Commissie instemt, voegt daaraan toe dat het Gerecht, door in de punten 87, 92, 108 en 114 van het bestreden arrest te suggereren dat de verplichting om de oorsprong van de onderdelen te verifiëren op de Commissie rust, voorbij is gegaan aan het arrest van 26 september 2000, Starway/Raad (T‑80/97, EU:T:2000:216), waaruit blijkt dat de Unie-instellingen niet verplicht zijn de oorsprong van de onderdelen aan te tonen aan de hand van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening, en dat de bewijslast voor die oorsprong ligt bij de betrokken producent-exporteur.
65 In casu is het algemeen bekend en onweersproken dat de in Sri Lanka geassembleerde onderdelen van Chinese oorsprong waren, zodat het aan Kolachi Raj was om te bewijzen dat deze onderdelen van Sri Lankaanse oorsprong waren geworden. Aangezien Kolachi Raj dit bewijs niet had geleverd, was de Commissie niet verplicht verder onderzoek te verrichten om te concluderen dat deze onderdelen afkomstig waren uit China, ongeacht het feit dat zij naar analogie artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening heeft toegepast.
66 Kolachi Raj meent dat het tweede onderdeel van het enige middel ongegrond is.
67 In de eerste plaats wijst Kolachi Raj – die eraan herinnert dat het Gerecht de bewijsmiddelen die kunnen worden gebruikt om de afkomst van een onderdeel aan te tonen, niet heeft beperkt en dat de oorsprongsregels het enige relevante criterium in dit verband vormen – erop dat er, bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling die het gebruik van de criteria van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening voor het bepalen van de oorsprong of afkomst van de onderdelen belet dan wel toestaat, van uit moet worden gegaan dat een dergelijk gebruik niet is toegestaan. Aangezien deze bepaling een uitzondering vormt op de algemene regeling voor de instelling van antidumpingrechten, moet zij namelijk strikt worden uitgelegd.
68 Kolachi Raj ontleent een aanvullend argument aan de structuur van artikel 13, lid 2, van de basisverordening, die inhoudt dat in een eerste fase overeenkomstig punt a) daarvan moet worden bepaald welke onderdelen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, waarna pas in een tweede fase de criteria van punt b) van die bepaling worden toegepast.
69 Bovendien merkt Kolachi Raj op dat de Commissie gebruik moet maken van bewijzen, dat wil zeggen van feitelijke elementen die logisch verband houden met de juridische conclusies die daaruit worden getrokken. Een dergelijk verband kan echter niet worden vastgesteld tussen de criteria van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening en de bepaling van de afkomst van de betrokken onderdelen.
70 In de tweede plaats komt Kolachi Raj op tegen de argumenten die de Commissie ontleent aan het arrest van 26 september 2000, Starway/Raad (T‑80/97, EU:T:2000:216), dat onder andere omstandigheden is gewezen dan de onderhavige zaak. In het bestreden arrest heeft het Gerecht dat arrest op geen enkele wijze ontkracht en enkel geoordeeld dat de Commissie artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening niet kon gebruiken om de oorsprong van de in Sri Lanka geproduceerde onderdelen na te gaan.
71 Voorts heeft Kolachi Raj ter terechtzitting aangevoerd dat het argument van de EBMA betreffende de bewijslast inzake de oorsprong van de onderdelen niet ontvankelijk is, voor zover het niet in overeenstemming is met het betoog van de Commissie inzake de toepassing naar analogie van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening.
72 Subsidiair, voor het geval dat het Hof concludeert dat het bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, verzoekt Kolachi Raj het Hof de gronden te vervangen door in dat arrest de verwijzingen naar de oorsprong van de onderdelen te vervangen door een verwijzing naar de afkomst ervan.
Beoordeling door het Hof
Opmerkingen vooraf
73 De twee onderdelen van het enige middel, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en derhalve tezamen moeten worden onderzocht, betreffen punten waarop het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en toepassing van artikel 13, lid 2, van de basisverordening. In wezen stelt de Commissie, ondersteund door de EBMA, ten eerste, dat het Gerecht het begrip „afkomst” ten onrechte heeft gelijkgesteld met het begrip „oorsprong”. De EBMA voegt hieraan toe dat het Gerecht het begrip „afkomst” ten onrechte heeft gelijkgesteld met het land van rechtstreekse uitvoer. Ten tweede betoogt de Commissie, ondersteund door de EBMA, dat het Gerecht ten onrechte de mogelijkheid om te bewijzen dat de onderdelen afkomstig zijn uit het land waarop de betrokken maatregelen van toepassing zijn, heeft beperkt door van de Commissie het bewijs te verlangen van de oorsprong van de onderdelen in de zin van het douanerecht.
74 Krachtens artikel 13, lid 1, van de basisverordening kunnen de overeenkomstig die verordening ingestelde antidumpingrechten worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen, wanneer er ontwijking van de geldende maatregelen plaatsvindt.
75 De bewijslast inzake ontwijking van antidumpingmaatregelen in een derde land rust – gelet op artikel 13, lid 3, van die verordening – op de Unie-instellingen (zie in die zin arresten van 4 september 2014, Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 35, en 26 januari 2017, Maxcom/Chin Haur Indonesia, C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2017:61, punt 56), terwijl het aan iedere individuele producent-exporteur staat om aan te tonen dat zijn specifieke situatie de toekenning van vrijstelling op grond van artikel 13, lid 4, van die verordening rechtvaardigt (arrest van 26 januari 2017, Maxcom/Chin Haur Indonesia, C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2017:61, punt 59).
76 Overeenkomstig artikel 13, lid 2, van de basisverordening wordt een assemblage in een derde land geacht ontwijking van de geldende maatregelen in te houden wanneer aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan. Deze voorwaarden omvatten die welke voortvloeien uit een gecombineerde lezing van de punten a) en b) van die bepaling, die voorschrijft dat de onderdelen die 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de onderdelen van het geassembleerde product „afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn”.
77 In de punten 79 tot en met 85 van het bestreden arrest heeft het Gerecht deze bepaling aldus uitgelegd dat het in beginsel volstaat dat de Unie-instellingen aantonen dat de onderdelen die 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de onderdelen van het geassembleerde product „afkomstig zijn” uit het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, zonder dat zij hoeven aan te tonen dat deze onderdelen ook van oorsprong zijn uit dat land. Het Gerecht heeft echter geoordeeld dat het in geval van twijfel noodzakelijk kan zijn om na te gaan of de uit een land afkomstige onderdelen in werkelijkheid van oorsprong zijn uit een ander land. In dit verband heeft het Gerecht de uitdrukking „afkomstig zijn uit” uitgelegd in die zin dat zij betrekking heeft op de betrokken invoer en dus op het land van uitvoer van de betrokken onderdelen.
78 In het licht van deze uitlegging heeft het Gerecht in punt 86 van het bestreden arrest geoordeeld dat de door Kolachi Raj in Sri Lanka gekochte onderdelen vanuit dat land waren ingevoerd nadat zij aldaar waren bewerkt, en derhalve als „afkomstig” uit dat land konden worden aangemerkt. In de punten 87 en 91 van dat arrest heeft het Gerecht hieraan toegevoegd dat de Commissie desalniettemin kon nagaan of die onderdelen niet in werkelijkheid van oorsprong uit China waren en daartoe Kolachi Raj kon vragen om het bewijs te leveren dat die onderdelen wel degelijk van oorsprong uit Sri Lanka waren.
79 Concreet heeft het Gerecht in respectievelijk punt 105 en 114 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, de bewijskracht aan de door Kolachi Raj overgelegde certificaten van oorsprong kon ontnemen, maar dat deze instelling daarentegen wel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door „naar analogie” artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening toe te passen om de „oorsprong” te bepalen van de onderdelen die Kolachi Raj in Sri Lanka had gekocht.
80 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht in wezen het begrip „afkomst” uit het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn in de zin van artikel 13, lid 2, van de basisverordening restrictief heeft geïnterpreteerd, door het gelijk te stellen met rechtstreekse invoer vanuit dat land van de betrokken onderdelen en door van de Commissie het bewijs te verlangen dat deze onderdelen, wanneer van een dergelijke rechtstreekse invoer geen sprake is, in werkelijkheid van oorsprong zijn uit voornoemd land.
81 In deze omstandigheden is het voor de beoordeling van de gestelde onjuiste rechtsopvattingen in eerste instantie noodzakelijk om artikel 13, lid 2, onder a) en b), van de basisverordening uit te leggen en, meer in het bijzonder, om de draagwijdte van het begrip „afkomst” van de onderdelen, zoals weergegeven in de uitdrukking „afkomstig [...] uit” in artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening, vast te stellen, alsmede de vereisten inzake het bewijs van een dergelijke afkomst.
Uitlegging van artikel 13, lid 2, van de basisverordening en onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht
82 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 12 oktober 2017, Tigers, C‑156/16, EU:C:2017:754, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83 Zoals vermeld in punt 76 van dit arrest volgt uit artikel 13, lid 2, onder a) en b), van de basisverordening dat een assemblage wordt geacht ontwijking van de geldende antidumpingmaatregelen in te houden wanneer de onderdelen die 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de onderdelen van het geassembleerde product „afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn”, mits aan de andere in lid 2 genoemde voorwaarden is voldaan. Gelet op de overwegingen in punt 75 van dit arrest is het aan de Unie-instellingen om vast te stellen of de onderdelen in kwestie „afkomstig” zijn uit dat land.
84 De basisverordening bevat geen definitie van de uitdrukking „afkomstig zijn uit” in artikel 13, lid 2, onder a), noch van het begrip „afkomst”. In hun gebruikelijke betekenis wordt met de woorden „afkomstig zijn uit” bedoeld „komen uit” of „zijn oorsprong vinden in”, zoals de advocaat-generaal in punt 64 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
85 De partijen in hogere voorziening zijn het er niet over eens of aan dit begrip „afkomst” een ruime uitleg moet worden gegeven, die verder gaat dan de douanerechtelijke begrippen „oorsprong” en „rechtstreeks ingevoerd”, zoals de Commissie en de EBMA bepleiten, dan wel een restrictieve uitleg, in die zin dat afkomst enkel verwijst naar de douaneoorsprong van de onderdelen, zoals bepleit door Kolachi Raj.
86 Met betrekking tot de vraag of het begrip „afkomst” wordt opgevat als de douaneoorsprong van de betrokken onderdelen, is het van belang erop te wijzen, zoals ook de advocaat-generaal in punt 66 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat uit het onderzoek van de verschillende taalversies van artikel 13, lid 2, van de basisverordening blijkt dat deze uiteenlopen.
87 Terwijl namelijk de Spaanse („procedan del”), Deense („fra det”), Griekse („προέρχονται από”), Engelse („are from”), Franse („proviennent du”), Kroatische („iz”), Letse („nāk no”), Litouwse („ira iš”), Nederlandse („afkomstig zijn uit”), Portugese („provenientes do”), Roemeense („provin din”), Finse („tulevat maasta”) en Zweedse („från det”) versies van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening verwijzen naar de „afkomst” van de onderdelen, verwijzen de Duitse („Ursprung”) en Italiaanse („originari”) versies naar de „oorsprong” ervan. Ten slotte gebruiken de Tsjechische („pochazeji”), Estse („pärinevad riigist”), Poolse („pochodzą z”) en Slowaakse („pochádzajú z”) versies termen die zowel naar de „afkomst” als naar de „oorsprong” van de onderdelen kunnen verwijzen.
88 Ter verzekering van een uniforme uitlegging en toepassing van dezelfde tekst, waarvan de versie in de ene taal van de Unie verschilt van die in de andere talen, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de context en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arrest van 26 april 2012, DR en TV2 Danmark, C‑510/10, EU:C:2012:244, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 In dit verband zij erop gewezen dat de formulering van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening overeenstemt met die van artikel 13, lid 2, onder i), van verordening nr. 3283/94. Vóór de vaststelling van laatstgenoemde verordening stelden de overeenkomstige bepalingen van de toepasselijke antidumpingwetgeving, te weten aanvankelijk artikel 13, lid 10, onder a), van verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1984, L 201, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1761/87 van de Raad van 22 juni 1987 (PB 1987, L 167, blz. 9), en vervolgens artikel 13, lid 10, onder a), van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1), de uitbreiding van een geldend antidumpingrecht in verband met assemblagewerkzaamheden afhankelijk van de voorwaarde dat de waarde van de onderdelen die bij deze werkzaamheden werden gebruikt en die „van oorsprong [waren] uit het land van uitvoer van het aan [dat recht] onderworpen product” de totale waarde van alle andere gebruikte onderdelen met ten minste 50 % overschreed. De uitdrukking „van oorsprong” verwees dus naar het begrip „oorsprong” in de zin van het douanerecht.
90 Zoals de advocaat-generaal in punt 81 van zijn conclusie in wezen opmerkt, impliceert de wijziging die is aangebracht bij verordening nr. 3283/94, waarin althans in verschillende taalversies van de betrokken bepalingen een term wordt gehanteerd die verwijst naar het begrip „afkomst” in plaats van naar het begrip „oorsprong”, dat de Uniewetgever bewust afstand heeft genomen van de oorsprongsregels van het douanerecht en dat het begrip „afkomst” voor de toepassing van artikel 13, lid 2, van de basisverordening dus een autonome inhoud heeft, die verschilt van die van het begrip „oorsprong” in de zin van het douanerecht.
91 Hieruit volgt dat het weliswaar aan de EU-instellingen is om aan te tonen dat de bij assemblagewerkzaamheden gebruikte onderdelen afkomstig zijn uit het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, maar zij niet verplicht zijn aan te tonen dat deze onderdelen ook van oorsprong zijn uit dat land in de zin van het douanerecht.
92 Deze conclusie doet echter geen afbreuk aan de mogelijkheid voor elke individuele producent/exporteur om aan te tonen dat de betrokken onderdelen, hoewel afkomstig uit het land waarop maatregelen van toepassing zijn, in feite van oorsprong zijn uit een ander land, teneinde overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening te worden vrijgesteld van het uitgebreide antidumpingrecht. In een dergelijk geval kunnen de assemblagewerkzaamheden namelijk niet worden geacht een ontwijking van de geldende antidumpingmaatregelen in de zin van artikel 13 van de basisverordening in te houden.
93 In de tweede plaats moet worden onderzocht of het begrip „afkomst” in artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening moet worden opgevat als een verwijzing naar de invoer van de onderdelen en dus naar het land van hun rechtstreekse uitvoer.
94 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat de Unie-instellingen er, wanneer wordt vastgesteld dat de onderdelen die het voorwerp zijn van assemblagewerkzaamheden rechtstreeks vanuit het land waarop maatregelen van toepassing zijn met het oog op hun assemblage worden ingevoerd in een ander derde land of in de Unie, van uit kunnen gaan dat deze onderdelen „afkomstig zijn” uit het eerstgenoemde land in de zin van bovengenoemde bepaling.
95 Deze uitlegging is in overeenstemming met de gebruikelijke betekenis van de uitdrukking „afkomstig zijn”, zoals in punt 84 van dit arrest in herinnering is gebracht.
96 Verder wordt zij ook bevestigd door het doel en de algemene systematiek van de basisverordening. Gelet daarop, en met name op overweging 19 en artikel 13 van die verordening, heeft een verordening tot uitbreiding van een antidumpingrecht uitsluitend ten doel de doeltreffendheid ervan te waarborgen en ontwijking ervan te voorkomen. Bijgevolg is een maatregel tot uitbreiding van een definitief antidumpingrecht slechts een aanvulling op het oorspronkelijke besluit tot instelling van dat recht, dat de effectieve toepassing van de definitieve maatregelen beschermt (arresten van 6 juni 2013, Paltrade C‑667/11, EU:C:2013:368, punt 28, en 17 december 2015, APEX, C‑371/14, EU:C:2015:828, punten 50 en 53).
97 Door de Unie-instellingen toe te staan artikel 13, lid 2, van de basisverordening toe te passen op onderdelen die rechtstreeks vanuit het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, worden ingevoerd in het land waar zij worden geassembleerd, maakt deze bepaling het mogelijk een eenvoudig criterium toe te passen, dat de doeltreffendheid van het antidumpingrecht kan waarborgen. In plaats van verplicht te zijn de douaneoorsprong van de betrokken onderdelen aan te tonen, kunnen de instellingen zich in beginsel beperken tot de vaststelling dat deze onderdelen inderdaad vanuit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, worden ingevoerd in het land van assemblage, onverminderd de mogelijkheid voor de betrokken producent/exporteur om aan te tonen dat deze onderdelen in werkelijkheid van oorsprong zijn uit een ander land.
98 In de tweede plaats moet hieraan worden toegevoegd dat het begrip „afkomst” uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, anders dan het Gerecht in de punten 84, 87 en 91 van het bestreden arrest in wezen heeft geoordeeld, niet kan worden beperkt tot de situatie waarin de betrokken onderdelen rechtstreeks vanuit dat land worden ingevoerd.
99 In de eerste plaats bevat artikel 13, lid 2, van de basisverordening namelijk, gelet op de bewoordingen ervan, geen enkele aanwijzing in die zin.
100 Vervolgens is het, wat de context van die bepaling betreft, inderdaad zo dat in verscheidene andere bepalingen van de basisverordening eveneens gebruik wordt gemaakt van de begrippen „afkomst” en „invoer”, zoals het Gerecht overigens in punt 84 van het bestreden arrest heeft opgemerkt.
101 Het feit dat in artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening, in tegenstelling tot die andere bepalingen, de uitdrukking „afkomstig zijn uit” wordt gebruikt zonder enige verwijzing naar invoer, doet evenwel vermoeden dat de Uniewetgever niet van plan was de „afkomst” in de zin van die bepaling te beperken tot enkel de situatie waarin onderdelen rechtstreeks worden ingevoerd vanuit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn.
102 Tot slot is een dergelijke uitlegging ook geboden gezien het doel en de algemene systematiek van de basisverordening en de doelstellingen die worden nagestreefd door een verordening tot uitbreiding van een antidumpingrecht, zoals in de punten 96 en 97 van dit arrest in herinnering is gebracht.
103 In de situatie waarin onderdelen vanuit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, worden ingevoerd in een eerste derde land voor een eerste assemblage, zelfs al is die beperkt, alvorens in een tweede derde land te worden ingevoerd voor een tweede assemblage, en wel van het eindproduct dat naar de Unie zal worden uitgevoerd, zou een perfecte gelijkstelling van de begrippen „afkomst” en „invoer” tot de conclusie leiden dat deze onderdelen moeten worden geacht afkomstig te zijn uit het land van eerste assemblage, zodat elke constatering van een ontwijking van meet af aan uitgesloten zou zijn. Deze uitlegging zou de marktdeelnemers in staat stellen de uitbreiding van het geldende definitieve recht op eenvoudige wijze te ontwijken door de opeenvolgende assemblagewerkzaamheden in derde landen te verveelvoudigen.
104 Een dergelijke uitlegging zou de doeltreffendheid van de ontwijkingsmaatregelen van de Unie in het gedrang kunnen brengen telkens wanneer de Unie-instellingen worden geconfronteerd met een complexe constructie die bestaat uit meerdere opeenvolgende assemblages in verschillende derde landen (zie naar analogie arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 37).
105 Dit risico kan niet worden uitgesloten door de mogelijkheid – die het Gerecht in de punten 87 en 91 van het bestreden arrest in wezen heeft geconstateerd – voor de Unie-instellingen om in geval van opeenvolgende assemblages in twee derde landen na te gaan of, dan wel vast te stellen dat, de onderdelen die vanuit het land van de eerste tussenassemblage worden verzonden, in feite van oorsprong zijn uit het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn.
106 Een dergelijke mogelijkheid zou er namelijk op neerkomen dat de Unie-instellingen, in strijd met de door de wetgever gekozen en in de punten 90 en 91 van dit arrest uiteengezette benadering, geen bewijs hoeven te leveren van de afkomst van de onderdelen, maar van de douaneoorsprong ervan, en dus leiden tot een verzwaring van de op hen rustende bewijslast, waarmee voorbij wordt gegaan aan het doel en de algemene systematiek van de basisverordening zoals die in de punten 96 en 97 van dit arrest uiteen zijn gezet.
107 Hieruit volgt dat artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening ruim moet worden uitgelegd, in die zin dat onderdelen „afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn” niet alleen in de situatie waarin sprake is van rechtstreekse invoer ervan, als bedoeld in punt 93 van het onderhavige arrest, maar ook in situaties waarin, gelet op een analyse van alle relevante omstandigheden van het geval, kan worden aangetoond dat onderdelen die oorspronkelijk zijn vervaardigd in het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, in het land van assemblage zijn ingevoerd vanuit een intermediair derde land, waar zij doorheen zijn vervoerd of waarin zij slechts een geringe bewerking hebben ondergaan.
108 De door de Unie-instellingen te verrichten bewijslevering kan dus geschieden op basis van een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen, onder toezicht van de Unierechter. Zoals volgt uit punt 92 van dit arrest, staat het de betrokken marktdeelnemers evenwel vrij het bewijs te leveren dat de betrokken onderdelen in werkelijkheid afkomstig zijn uit een ander land dan het land waarop de genoemde maatregelen van toepassing zijn.
109 Een ruime uitlegging van het begrip „afkomst” in de zin van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening vindt eveneens steun in de omstandigheid dat de wetgever, zoals uit de rechtspraak van het Hof blijkt, de Unie-instellingen veel speelruimte wilde laten met betrekking tot de definitie van „ontwijking” (zie naar analogie arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 48).
110 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het begrip „afkomst” in de zin van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening te beperken tot de situatie waarin sprake is van rechtstreekse invoer van de betrokken onderdelen en door de Unie-instellingen in omstandigheden als die van de onderhavige zaak te verplichten om de oorsprong van de betrokken onderdelen te bewijzen.
111 In tegenstelling tot hetgeen Kolachi Raj stelt, kan deze onjuiste rechtsopvatting niet worden rechtgezet door een eenvoudige vervanging van de gronden van het bestreden arrest, waarbij elke verwijzing door het Gerecht naar het begrip „oorsprong” wordt vervangen door een verwijzing naar het begrip „afkomst”. Het Gerecht heeft namelijk een strikt onderscheid gemaakt tussen deze twee begrippen, waardoor het voor de Commissie van meet af aan onmogelijk was om in een situatie als aan de orde in de onderhavige zaak op basis van een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen de afkomst van de betrokken onderdelen aan te tonen.
112 Bijgevolg moet het enige middel van de hogere voorziening worden aanvaard en moet het bestreden arrest worden vernietigd, zonder dat de overige argumenten van de Commissie en de EBMA hoeven te worden onderzocht.
Beroep voor het Gerecht
113 Wanneer de beslissing van het Gerecht wordt vernietigd, kan het Hof op grond van artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Dit is in casu het geval.
114 Met haar enige voor het Gerecht aangevoerde middel, ontleend aan schending van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening, voert Kolachi Raj ten eerste aan dat de betrokken onderdelen niet als van oorsprong uit China konden worden beschouwd, aangezien zij in Sri Lanka waren bewerkt en vanuit dat land naar Pakistan waren verzonden. Ten tweede voert zij aan dat uit de certificaten van oorsprong, die ten onrechte door de Commissie waren afgewezen, blijkt dat deze onderdelen van oorsprong waren uit Sri Lanka. Ten derde stelt zij dat de Commissie ten onrechte artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening heeft toegepast op de vervaardiging van rijwielonderdelen in Sri Lanka, terwijl het onderzoek betrekking had op de mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen in Pakistan en deze bepaling geen oorsprongsregel is en dus niet in aanmerking kan worden genomen om te concluderen dat de in Sri Lanka bewerkte onderdelen afkomstig waren uit China. Volgens Kolachi Raj had de Commissie daarentegen de oorsprongsregels van de douanewetgeving van de Unie moeten toepassen.
115 Zoals blijkt uit de punten 91, 92, 107 en 108 van dit arrest, was het dienaangaande aan de Commissie om vast te stellen dat de betrokken onderdelen afkomstig waren uit China, onverminderd de mogelijkheid voor Kolachi Raj om aan te tonen dat deze stukken in werkelijkheid van oorsprong uit Sri Lanka waren.
116 In de onderhavige zaak blijkt uit de overwegingen 98 tot en met 101 van de litigieuze verordening, ten eerste, in wezen, dat de Commissie van mening was dat de door Kolachi Raj in Sri Lanka gekochte onderdelen afkomstig waren uit China. Zij heeft met name erop gewezen dat deze onderdelen hoofdzakelijk uit Chinese grondstoffen werden vervaardigd, zoals overigens door Kolachi Raj ter terechtzitting voor het Hof is bevestigd. Bovendien heeft de Commissie opgemerkt dat de Sri Lankaanse producent een met Kolachi Raj verbonden onderneming was, en betwistte zij de relatie tussen Kolachi Raj en haar beweerdelijk onafhankelijke leverancier. Ten slotte heeft de Commissie in overweging 101 van de litigieuze verordening weliswaar vermeld dat artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening geen oorsprongsregel was, maar zij heeft opgemerkt dat de voornoemde onderdelen zelf uit China afkomstig waren, aangezien zij voor meer dan 60 % werden vervaardigd uit grondstoffen die afkomstig waren uit China en de toegevoegde waarde minder dan 25 % van de fabricagekosten bedroeg.
117 Bovendien, en ter verduidelijking van de context van deze zaak, blijkt uit overweging 94 van de litigieuze verordening dat de met Kolachi Raj verbonden Sri Lankaanse producent het voorwerp was geweest van een eerder anti-ontwijkingsonderzoek betreffende Sri Lanka en dat Kolachi Raj ook verbonden was met een Cambodjaanse vennootschap die haar werkzaamheden op het gebied van de uitvoer van rijwielen naar de Unie in de verslagperiode (van 1 september 2013 tot en met 31 augustus 2014) had gestaakt en haar activiteiten had verplaatst naar Kolachi Raj in Pakistan.
118 Al deze elementen samen vormen een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen waarop de Commissie zich, zoals opgemerkt in punt 108 van dit arrest, kon baseren om te concluderen dat de onderdelen in kwestie „afkomstig” waren uit China.
119 Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat de elementen die in punt 117 van dit arrest uiteen zijn gezet, alsook de door de Commissie vermelde omstandigheid dat Kolachi Raj deel uitmaakt van een groep vennootschappen die aan een en dezelfde natuurlijke persoon toebehoren en die in verschillende derde landen deelnemen aan het ontwijken van antidumpingmaatregelen, op zichzelf weliswaar niet de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de betrokken onderdelen afkomstig waren uit China, zoals de Commissie overigens expliciet heeft toegegeven in haar dupliek voor het Gerecht, maar wel relevante aspecten vormen die de conclusie kunnen versterken dat de onderdelen die in Sri Lanka hoofdzakelijk uit Chinese grondstoffen werden vervaardigd, geacht konden worden – anders dan Kolachi Raj beweert – afkomstig te zijn uit China in de zin van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening.
120 Kolachi Raj heeft geen concrete argumenten aangevoerd die de bundel aanwijzingen waarop de Commissie zich heeft gebaseerd, in twijfel kunnen trekken.
121 Voor zover de Commissie binnen deze context „naar analogie” artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening heeft toegepast, moet inderdaad worden vastgesteld dat deze bepaling geen oorsprongsregel vormt – iets waarover partijen het trouwens eens zijn. Anderzijds vormde deze analoge toepassing in de onderhavige zaak slechts een van de aanwijzingen die tezamen de bundel aanwijzingen vormden waarop de Commissie zich heeft gebaseerd om de afkomst van de betrokken onderdelen vast te stellen. Het feit dat de in Sri Lanka bewerkte onderdelen hoofdzakelijk uit Chinese grondstoffen werden vervaardigd en in Sri Lanka slechts een geringe bewerking hadden ondergaan, vormt een relevant element binnen de bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen die aantonen dat de betrokken onderdelen afkomstig waren uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn.
122 Ten slotte is Kolachi Raj er niet in geslaagd de Sri Lankaanse oorsprong van de betrokken onderdelen aan te tonen. In de overwegingen 98 tot en met 101 van de litigieuze verordening heeft de Commissie namelijk de bewijskracht ontnomen aan de daartoe door die vennootschap overgelegde certificaten van oorsprong. Om de in de punten 95 tot en met 105 van het bestreden arrest uiteengezette redenen moeten de argumenten die Kolachi Raj heeft aangevoerd om die overwegingen in de litigieuze verordening aan te vechten, worden afgewezen.
123 Gelet op bovenstaande overwegingen moet het enige door Kolachi Raj aangevoerde middel worden verworpen en moet het beroep in eerste aanleg bijgevolg in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
124 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
125 Aangezien Kolachi Raj in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie en de EBMA niet alleen worden verwezen in haar eigen kosten, maar ook in de kosten van de Commissie en de EBMA betreffende zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 10 oktober 2017, Kolachi Raj Industrial/Commissie (T‑435/15, EU:T:2017:712), wordt vernietigd.
2) Het door Kolachi Raj Industrial (Private) Ltd ingestelde beroep tot nietigverklaring wordt verworpen.
3) Kolachi Raj Industrial (Private) Ltd wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van de Europese Commissie en van de European Bicycle Manufacturers Association (EBMA) betreffende zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.