8.5.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 144/21
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (Oostenrijk) op 1 februari 2017 — VTB Bank (Austria) AG
(Zaak C-52/17)
(2017/C 144/27)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: VTB Bank (Austria) AG
Betrokken autoriteit: Finanzmarktaufsichtsbehörde
Prejudiciële vragen
1)
Zijn de voorschriften van het afgeleide Unierecht (inzonderheid de artikelen 64 of 65, lid 1, van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (1)) van toepassing op de door de autoriteiten opgelegde verplichting tot het betalen van rente op grond van een wettelijke regeling van een lidstaat krachtens welke een kredietinstelling bij de overschrijding van de limiet voor grote blootstellingen overeenkomstig artikel 395, lid 1, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (2), gedurende 30 dagen rente dient te betalen ten belope van 2 % van de overschrijding, gerekend per jaar, van de limiet voor grote blootstellingen?
2)
Staat het Unierecht (inzonderheid artikel 395, leden 1 en 5, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012, PB 2013, L 321, blz. 6, zoals gerectificeerd) in de weg aan een nationale wettelijke regeling, zoals die welke was neergelegd in § 97, lid 1, punt 4, van het Bankwesengesetz (in de versie van BGBl. I nr. 532/2014), wanneer, ondanks dat is voldaan aan de voorwaarden voor de uitzonderingsregeling van artikel 395, lid 5, bij een overtreding van artikel 395, lid 1, (winstafromings)rente moet worden betaald?
3)
Moet artikel 48, lid 3, van verordening (EG) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (GTM-kaderverordening) (3) aldus worden uitgelegd dat van een „formeel ingestelde toezichtprocedure” reeds sprake is wanneer een onderneming een melding afgeeft aan de toezichthoudende instantie, of kan van een „formeel ingestelde toezichtprocedure” sprake zijn wanneer in een parallelle procedure voor soortgelijke overtredingen in eerdere tijdvakken reeds een besluit door een toezichthoudende instantie is genomen?
(1) PB 2013, L 176, blz. 338.
(2) PB 2013, L 176, blz. 1.
(3) Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (PB 2014, L 141, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy