15.5.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 151/20
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social de Terrassa (Spanje) op 22 februari 2017 — Gardenia Vernaza Ayovi/Consorci Sanitari de Terrassa
(Zaak C-96/17)
(2017/C 151/26)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Juzgado de lo Social de Terrassa
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Gardenia Vernaza Ayovi
Verwerende partij: Consorci Sanitari de Terrassa
Prejudiciële vragen
1)
Omvat het begrip „arbeidsvoorwaarden”, in de zin van clausule 4, punt 1, van [de raamovereenkomst die is opgenomen in de bijlage bij] richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (1), de rechtsgevolgen van de onrechtmatigverklaring van een tuchtrechtelijk ontslag, en met name het rechtsgevolg waarop wordt gedoeld in artikel 96, lid 2, van [de Ley del Estatuto Básico del Empleado Público (wet houdende het basisstatuut van het overheidspersoneel), waarvan de herziene tekst is goedgekeurd bij] Real Decreto Legislativo (koninklijk besluit) 5/2015 van 30 oktober 2015 […]?
2)
Dient een situatie als bedoeld in artikel 96, lid 2, van [de Ley del Estatuto Básico del Empleado Público, waarvan de herziene tekst is goedgekeurd bij] Real Decreto Legislativo (koninklijk besluit) 5/2015 van 30 oktober 2015 […], waarin de onrechtmatig of onwettigverklaring van het tuchtrechtelijk ontslag van een werknemer in vaste dienst van de overheid er steeds toe leidt dat de werknemer opnieuw in dienst moet worden genomen, terwijl in het geval van een tuchtrechtelijk ontslag van een werknemer met een overeenkomst voor onbepaalde tijd — of een tijdelijke overeenkomst — die dezelfde functies uitoefent als een werknemer met een vast dienstverband, de mogelijkheid bestaat hem, in ruil voor een schadevergoeding, niet opnieuw in dienst te nemen, als discriminerend te worden aangemerkt op grond van clausule 4, punt 1, van [de raamovereenkomst die is opgenomen in de bijlage bij] richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd?
3)
Kan, in dezelfde situatie als beschreven in de voorgaande vraag, een ongelijke behandeling worden gerechtvaardigd in het licht van artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in plaats van in het licht van voornoemde richtlijn?
(1) PB 1999, L 175, blz. 43.