31.7.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 249/18
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel Bacău (Roemenië) op 24 april 2017 — SC Topaz Development SRL/Constantin Juncu, Raisa Juncu, geboortenaam Cernica
(Zaak C-211/17)
(2017/C 249/28)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curtea de Apel Bacău
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: SC Topaz Development SRL
Verwerende partijen: Constantin Juncu, Raisa Juncu, geboortenaam Cernica
Prejudiciële vragen
1)
Moeten artikel 3, lid 2, en artikel 4, lid 1, van [richtlijn 93/13/EEG] (1) aldus worden uitgelegd en toegepast dat in omstandigheden als in het hoofdgeding — zoals uiteengezet door appellante, die heeft verwezen naar de nationale rechtspraak [arrest in hogere voorziening nr. 1646 van de Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie, Secția comercială (hoogste rechterlijke instantie — kamer voor handelszaken, Roemenië) van 18 april 2011 en civiel arrest in hoger beroep nr. 466 van de Curtea de Apel Bacău (rechter in tweede aanleg Bacău, Roemenië) van 6 april 2016 in zaak nr. 3364/110/2014] — namelijk wanneer het bewijs dat is onderhandeld over alle bedingen van de door partijen gesloten voorlopige koopovereenkomst, volgt uit het enkele feit dat geïntimeerden, als consumenten, hun instemming hebben betuigd met die bedingen door de ondertekening van de voorovereenkomst die van tevoren door de vastgoedontwikkelaar was opgesteld en nadien is geauthenticeerd door een notaris, het vermoeden dat niet is onderhandeld over de bedingen die van tevoren zijn opgesteld door de verkoper, in beginsel is weerlegd door bewijs van het tegendeel?
2)
Omvatten de in punt 1, onder d), e), f) en i), van de bijlage bij richtlijn 93/13 bedoelde bedingen in beginsel bedingen in voorlopige koopovereenkomsten die van tevoren worden opgesteld door vastgoedontwikkelaars die — zoals appellante — beroepsbeoefenaars zijn, in het bijzonder de bedingen van punten 3.2.2 en 7.1 van de door partijen bij het geding gesloten voorlopige koopovereenkomst, waarin uitsluitend ten gunste van de toekomstige verkoper wordt voorzien in een ontbindende voorwaarde van graad IV en een boetebeding?
3)
Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd en toegepast dat het, indien de tweede aan het Hof gestelde vraag bevestigend wordt beantwoord, de nationale rechter niet toestaat (verbiedt) om de als oneerlijk aangemerkte bedingen aldus te wijzigen dat de ontbindende voorwaarde van graad IV in andere dan de in de voorovereenkomst uitdrukkelijk voorziene omstandigheden in werking kan treden (bijvoorbeeld niet in geval van om het even welke te late betaling of niet-betaling ongeacht het betrokken bedrag, maar alleen in geval van te late betaling of niet-betaling van een bepaald bedrag die door de rechter in het concrete geval als belangrijk wordt aangemerkt) of om het bedrag van het boetebeding te verminderen (beperken) tot de door de toekomstige koper tot de inwerkingtreding van de ontbindende voorwaarde als voorschot betaalde bedragen? Kan de nationale rechter in dat geval alleen vaststellen dat die bedingen niet van toepassing zijn op de betrokken consument?
(1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
Full & Egal Universal Law Academy