7.8.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 256/2
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Berlin (Duitsland) op 2 mei 2017 — Evonik Degussa GmbH/Bundesrepublik Deutschland
(Zaak C-229/17)
(2017/C 256/02)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Berlin
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Evonik Degussa GmbH
Verwerende partij: Bundesrepublik Deutschland
Prejudiciële vragen
1)
Is slechts sprake van „productie van waterstof” in de zin van bijlage I, nr. 2, bij besluit 2011/278/EU (1) wanneer uit twee waterstofatomen H door middel van chemische synthese een waterstofmolecuul H2 wordt geproduceerd, of omvat het begrip productie ook dat bij een gasmengsel dat waterstof bevat — zonder synthese — de relatieve concentratie waterstof H2 in het mengsel toeneemt doordat de overige bestanddelen van het gas — via natuurkundige, dan wel scheikundige weg — worden verwijderd om, zoals het in bijlage I, nr. 2, bij besluit 2011/278/EU is geformuleerd, een „product, uitgedrukt als verkoopbare (netto)productie, en naar een 100 % zuivere substantie” te verkrijgen?
2)
Indien vraag 1) aldus wordt beantwoordt dat het begrip productie de vergroting van het relatieve aandeel van waterstof H2 in een gasmengsel niet omvat, dient de volgende vraag te worden gesteld:
Dient de formulering „relevante proceselementen die direct of indirect verband houden met de productie van waterstof en de scheiding van waterstof en koolmonoxide” aldus te worden uitgelegd, dat de in bijlage I, nr. 2, bij het besluit van de Commissie van 27 april 2011 (2011/278/EU) omschreven systeemgrenzen van de productbenchmark voor waterstof alleen beide elementen samen („en”) omvat of kan het proceselement „scheiding van waterstof en koolmonoxide” ook geïsoleerd, op zichzelf, als enig proceselement binnen de systeemgrenzen liggen?
3)
Indien vraag 2) aldus wordt beantwoordt dat het proceselement „scheiding van waterstof en koolmonoxide” ook geïsoleerd, op zichzelf, als enig proceselement binnen de systeemgrenzen kan liggen, dient de volgende vraag te worden gesteld:
Is slechts sprake van een proceselement „scheiding van waterstof en koolmonoxide” wanneer waterstof H2 uitsluitend van koolmonoxide CO wordt gescheiden, of is er ook sprake van een proceselement „scheiding van waterstof en koolmonoxide” wanneer de waterstof niet alleen van koolmonoxide wordt gescheiden, maar daarnaast ook van andere stoffen, bijvoorbeeld koolstofdioxide CO2 of CnHn, wordt gescheiden?
4)
Indien de rechter aan verzoekster meer kosteloze emissierechten dient toe te wijzen, is het de vraag of het dictum, onder 3), van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 april 2014 (C-191/14) in die zin moet worden uitgelegd,
a)
dat de transsectorale correctiefactor in artikel 4 van besluit 2013/448/EU, en in bijlage II erbij, in de oorspronkelijke versie van toepassing is op de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat voor 1 maart 2017 vastgestelde toewijzingen voor de jaren 2013-2020, en
b)
dat de transsectorale correctiefactor in artikel 4 van besluit 2013/448/EU, en in bijlage II erbij, in de oorspronkelijke versie van toepassing is op de door de rechter na 1 maart 2017 toegewezen extra toewijzingen voor de jaren 2013-2020, en
c)
dat de transsectorale correctiefactor in artikel 4 van besluit 2013/448/EU, en in bijlage II erbij, in de versie van besluit 2017/126/EU die geldt vanaf 1 maart 2017, van toepassing is op de door de rechter na 1 maart 2017 toegewezen extra toewijzingen voor de jaren 2018-2020?
(1) Besluit van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 2772) (PB L 130, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy