Zaak C-235/17: Beroep ingesteld op 5 mei 2017 — Europese Commissie / Hongarije
C4122017NL1120120170505NL0019112122
Beroep ingesteld op 5 mei 2017 — Europese Commissie / Hongarije
(Zaak C-235/17)2017/C 412/19Procestaal: Hongaars
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Malferrari en L. Havas, gemachtigden)
Verwerende partij: Hongarije
Conclusies
—
vaststellen dat Hongarije, door een regeling vast te stellen die het vruchtgebruik van landbouwgrond beperkt, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op deze lidstaat rusten krachtens de artikelen 49 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en krachtens artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
—
Hongarije verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie is van mening dat de betrokken Hongaarse regeling, door het vruchtgebruik van land- en bosbouwgrond kennelijk onevenredig te beperken, onverenigbaar is met de verplichtingen die op Hongarije rusten krachtens de artikelen 49 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en krachtens artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De bij wet vastgestelde opheffing van de rechten van vruchtgebruik, vormt een beperking van de door artikel 49 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging, aangezien een dergelijk verval van rechten van vruchtgebruik het voor degenen die tot dan toe rechthebbenden waren onmogelijk of zeer moeilijk maakt om vestigingen op te zetten in Hongarije (of gebruiksrechten op landbouwgrond te verwerven) teneinde aldaar hun activiteiten te ontwikkelen en aldus, door voor eigen rekening economische activiteiten te verrichten, bij te dragen aan het aanknopen van economische en sociale banden binnen de Unie. De Commissie is van mening dat de bij wet vastgestelde opheffing van de rechten van vruchtgebruik een belemmering kan vormen van de vrijheid van vestiging, dan wel uitoefening van die vrijheid kan ontmoedigen.
De Hongaarse regeling vormt een schending van het vrije kapitaalverkeer, aangezien deze tot gevolg heeft dat het investeren in onroerend goed in Hongarije door personen die niet de Hongaarse nationaliteit hebben wordt belemmerd of beperkt. Een dergelijke regeling leidt tot een waardedaling van de bestaande rechten van vruchtgebruik, welke eveneens een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt.
De Hongaarse regeling levert een indirecte discriminatie op aangezien zij een onderscheid aanbrengt ten nadele van niet-Hongaarse Unieburgers.
Bovengenoemde beperking van vrijheden kan niet worden gerechtvaardigd, noch op de in het Verdrag voorziene gronden, noch op de andere gronden die door de Hongaarse regering in de loop van de procedure zijn aangevoerd.
Onaanvaardbaar is met name het betoog van de Hongaarse regering dat de beperking nodig was om een einde te maken aan een onwettige situatie. De Commissie acht het algemene — in geen enkel concreet geval bewezen — vermoeden dat alle door buitenlandse burgers gesloten vruchtgebruik-overeenkomsten met betrekking tot landbouwgrond in Hongarije vanaf het moment waarop het vruchtgebruik is ontstaan onwettig en ongeldig zijn, ontoelaatbaar. Ontoelaatbaar is voorts het argument dat de onwettigheid voor elke vruchtgebruik-overeenkomst kan worden afgeleid uit het ontbreken van de toestemming voor het wisselen van valuta, die door de vóór 2002 geldende bepalingen werd vereist.
De door de Hongaarse bepalingen ingevoerde beperking voldoet niet aan het evenredigheidsvereiste aangezien zij niet geschikt is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken en bovendien veel verder gaat dan voor het bereiken van die doelstellingen noodzakelijk is.
De Hongaarse regeling voldoet niet aan hetgeen wordt vereist door de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van gewettigd vertrouwen en garandeert geen adequate schadevergoeding voor hen die schade hebben geleden als gevolg van het verval of de beperking van rechten van vruchtgebruik.
Volgens de Commissie schendt de betrokken Hongaarse regeling het door artikel 17 van het Handvest gewaarborgde recht op eigendom. In bepaalde gevallen maakt zij inbreuk op het eigendomsrecht zelfs wanneer zij geen betrekking heeft op de drie bevoegdheden die eigen zijn aan het eigendomsrecht [(vrucht)gebruik, bezit en beschikkingsmacht].
Full & Egal Universal Law Academy