24.7.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 239/27
Hogere voorziening ingesteld op 8 mei 2017 door Canadian Solar Emea GmbH, Canadian Solar Manufacturing (Changshu), Inc., Canadian Solar Manufacturing (Luoyang), Inc., Csi Cells Co. Ltd, Csi Solar Power (China), Inc. tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 28 februari 2017 in zaak T-162/14, Canadian Solar Emea GmbH e.a./Raad
(Zaak C-236/17 P)
(2017/C 239/34)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Canadian Solar Emea GmbH, Canadian Solar Manufacturing (Changshu), Inc., Canadian Solar Manufacturing (Luoyang), Inc., Csi Cells Co. Ltd, Csi Solar Power (China), Inc. (vertegenwoordigers: J. Bourgeois, avocat, S. De Knop, advocaat, M. Meulenbelt, advocaat, A. Willems, avocat)
Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie, Europese Commissie
Conclusies
—
vernietiging van het arrest van het Gerecht in zaak T-162/14;
—
toewijzing van het verzoek in eerste aanleg en nietigverklaring van de litigieuze verordening voor zover zij betrekking heeft op rekwirantes;
—
verwijzing van de [Raad van de Europese Unie] in de kosten van rekwirantes en in zijn eigen kosten, zowel die van de eerste aanleg als die van de hogere voorziening;
—
verwijzing van alle andere partijen in de hogere voorziening in hun eigen kosten;
Subsidiair
—
vernietiging van het arrest van het Gerecht in zaak T-162/14;
—
terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor afdoening;
—
aanhouding van de beslissing over de kosten van de eerste aanleg en de hogere voorziening voor definitieve afdoening door het Gerecht;
—
verwijzing van alle andere partijen in de hogere voorziening in hun eigen kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door rekwirantes te verplichten een belang aan te tonen om het eerste en tweede middel aan te voeren; hoe dan ook heeft het Gerecht de feiten rechtens onjuist gekwalificeerd, aangezien rekwirantes wel een dergelijk belang hebben.
2.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door rekwirantes te verplichten een belang aan te tonen om het derde middel aan te voeren; het Gerecht heeft artikel 2, lid 7, onder a), van verordening nr. 1225/2009 („basisverordening”) (1) onjuist uitgelegd.
3.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat verordening nr. 1168/2012 (2) van toepassing was op het onderhavige antidumpingonderzoek; het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan te nemen dat het verzuim van de Commissie om een standpunt in te nemen over het verzoek van rekwirantes om als marktgerichte onderneming te worden behandeld, niet in strijd is met de litigieuze verordening.
4.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de EU-instellingen toe te staan het antidumpingrecht vast te stellen op een zodanig niveau dat schade die wordt veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met dumping, wordt tenietgedaan; het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ten onrechte de bewijslast om te keren.
(1) Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51). Artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening is intussen vervangen door het identieke artikel 2, lid 7, onder a), van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21).
(2) Verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1225/2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2012, L 344, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy