24.7.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 239/29
Beroep ingesteld op 10 mei 2017 — Europese Commissie/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-244/17)
(2017/C 239/36)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Gussetti, P. Aalto, L. Havas, gemachtigden)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
nietigverklaring van besluit (EU) 2017/477 van de Raad van 3 maart 2017 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Samenwerkingsraad die is ingesteld in het kader van de versterkte Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kazachstan, anderzijds met betrekking tot de werkafspraken van de Samenwerkingsraad, het Samenwerkingscomité en de gespecialiseerde subcomités en andere organen (1);
—
verwijzing van de Raad van de Europese Unie in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie stelt dat de toevoeging van een procedurele rechtsgrondslag in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), met name artikel 31, lid 1, VEU, dat unanimiteit vereist, in strijd is met het Verdrag zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof.
Dit middel wordt als volgt onderbouwd:
In de eerste plaats moet een besluit op basis van artikel 218, lid 9, VWEU volgens vaste rechtspraak worden vastgesteld met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, ook al vereist een of meer van de materiële rechtsgrondslagen normaal unanimiteit voor het sluiten van een internationale overeenkomst. De toevoeging van een rechtsgrondslag die er normaal toe strekt unanimiteit te verzekeren, heeft geen invloed op de procedure waarmee dit besluit binnen de Raad is vastgesteld.
Een besluit van de Raad dat is vastgesteld volgens de procedure van artikel 218, lid 9, VWEU, beoogt niet het institutionele kader van een overeenkomst te vervolledigen of te wijzigen, of de structuur daarvan te veranderen, en kan dus niet worden gelijkgesteld met het sluiten of wijzigen van een internationale overeenkomst, maar wil waarborgen dat deze doeltreffend ten uitvoer wordt gelegd. Een dergelijk besluit moet overeenkomstig artikel 218, lid 8, eerste alinea, en artikel 218, lid 9, worden vastgesteld bij gekwalificeerde meerderheid. Het vereiste dat dit besluit unaniem wordt vastgesteld, is onrechtmatig.
In de tweede plaats voorziet artikel 218 VWEU, zoals eveneens in de rechtspraak van het Hof is verduidelijkt, in „één enkele en algemene procedure voor het onderhandelen over en het sluiten van internationale overeenkomsten door de Unie op al haar actieterreinen, daaronder begrepen het GBVB”. De bijzondere aard van het GBVB komt tot uitdrukking in de omstandigheid dat het voorstel afkomstig is van de Commissie (voor de onderdelen die geen betrekking hebben op het GBVB) en de hoge vertegenwoordiger (wat betreft het GBVB) gezamenlijk. Dit doet echter niet af aan de conclusie dat een besluit op grond van artikel 218, lid 9, VWEU moet worden vastgesteld bij gekwalificeerde meerderheid.
De combinatie van deze twee rechtspraaklijnen leidt tot de slotsom dat niet alleen voor de onderhandeling en het sluiten van een internationale overeenkomst, maar ook voor de vaststelling van standpunten ter uitvoering van een dergelijke overeenkomst enkel de procedure van artikel 218 VWEU geldt, in casu artikel 218, lid 9, VWEU, op grond waarvan besluiten bij gekwalificeerde meerderheid moeten worden vastgesteld. Er mogen geen andere procedurele grondslagen worden toegevoegd. Zelfs indien de Raad een dergelijke grondslag toevoegt, kan dit er niet toe leiden dat de besluitvormingsprocedure wordt gewijzigd.
(1) PB 2017, L 73, blz. 15.
Full & Egal Universal Law Academy