16.10.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 347/3
Hogere voorziening ingesteld op 7 juni 2017 door Alcohol Countermeasure Systems (International) Inc. tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 29 maart 2017 in zaak T-638/15, Alcohol Countermeasure Systems (International)/EUIPO
(Zaak C-340/17 P)
(2017/C 347/03)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Alcohol Countermeasure Systems (International) Inc. (vertegenwoordigers: E. Baud and P. Marchiset, avocats)
Andere partij in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie
Conclusies
—
alvorens recht te doen en bij gebreke van schriftelijke toestemming van het EUIPO om de tenuitvoerlegging van het arrest op te schorten, opschorting van de toepassing van het arrest;
—
vernietiging van het arrest wegens de in dit verzoekschrift vermelde gronden […];
—
vernietiging van beslissing R 1323/2014-1 van 11 augustus 2015 van de eerste kamer van beroep van het EUIPO;
—
subsidiair, vernietiging van het arrest en het bevel om de procedure op te schorten tot het einde van het Brexit-proces of ten vroegste 31 mei 2019, in overeenstemming met de in artikel 50 van het Verdrag vastgestelde termijn;
—
verwijzing van Lion Laboratories en het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie in hun eigen kosten en in die van ACS voor zowel de procedure in eerste aanleg in zaak T-638/15 als de hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
1)
de eerste grond betreft een onjuiste opvatting van de verklaringen van ACS in haar verzoekschrift in punt 86 van het arrest, door de vaststelling dat „gedurende de relevante periodes” 64 toestellen waren verkocht, terwijl dit (onbetwiste) aantal alleen betrekking had op de eerste periode (van 5 oktober 2004 tot en met 4 oktober 2009).
2)
de tweede grond betreft ook een onjuiste opvatting van een brief van 21 maart 2013 die de raadsman van Lion Laboratories naar het EUIPO heeft verstuurd, en schending van artikel 57, lid 2, van verordening nr. 207/2009 (1) en van verordening nr. 2868/95 (2) (regel 22, lid 2, en regel 40, lid 5). Deze brief vermeldde niet het inschrijvingsnummer van het oudere merk (Brits merk nr. 2040518), maar in plaats daarvan twee verwijzingen naar Brits merk nr. 2371210, zodat Lion Laboratories (i) haar verplichting om bewijs van het gebruik over te leggen — ten bewijze van het gebruik van Brits merk nr. 2040518 of van het merk waarop de oppositie was gebaseerd — niet is nagekomen, en/of (ii) het merk waarop de procedure was gebaseerd, heeft vervangen.
3)
De derde grond betreft de wijze waarop het Gerecht (i) het begrip „normaal gebruik”, zoals bepaald in verordening nr. 207/2009 en uitgelegd in het arrest Ansul (C-40/01, 11 maart 2003), heeft geschonden en (ii) een verkeerde methodiek heeft toegepast. Het Gerecht heeft nagelaten alleen de eerste periode te analyseren en rekening te houden met de verwachte verkoopcijfers die waren overeengekomen in een exclusieve licentieovereenkomst. Bovendien, en in het licht van het zeer geringe en in tijd beperkte kwantitatieve gebruik gedurende de eerste periode, was normaal gebruik niet aangetoond met betrekking tot verschillende factoren die het Gerecht niet heeft onderzocht [zoals (i) de verwachte verkoopcijfers van partijen in de licentieovereenkomst, (ii) de kenmerken van de markt (die bestaat uit 30 miljoen klanten), (iii) de aard van de waren (met inbegrip van blaaspijpjes) en (iv) het bestaan van het in 2004 aangevraagde Britse merk nr. 2371210]. Het Gerecht heeft disproportioneel veel aandacht geschonken aan een aantal documenten, waaronder elementen met betrekking tot diensten, terwijl het oudere merk alleen voor waren van klasse 9 ter ondersteuning van de oppositie was aangevoerd.
4)
De vierde grond onderzoekt hoe het Gerecht het begrip „normaal gebruik” ook heeft geschonden door een onjuiste maatstaf te gebruiken bij de bepaling of het oudere teken als merk was gebruikt. Bovendien kan het arrest Céline van het Hof (C-17/06, 11 september 2007) niet worden toegepast wanneer (i) andere merken op de waren zijn aangebracht (ii) dergelijke waren andere namen hadden en (iii) het teken door sommige klanten ook als een gebruikelijke aanduiding werd opgevat. Wegens deze omstandigheden kan de klant bovendien geen verband leggen tussen het oudere merk en het als gebruikelijke aanduiding of handelsnaam gebruikte teken.
5)
De vijfde grond betreft een vraag van openbare orde: op basis van een ouder Brits recht kan een Uniemerk niet nietig worden verklaard, in het licht van het Brexit-proces en de door het Verenigd Koninkrijk verstuurde kennisgeving overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag van de Europese Unie. Het toestaan van een dergelijke nietigverklaring zou leiden tot hogere kosten en onnodige en disproportionele belemmeringen voor de unitaire merkenbescherming, terwijl het Verenigd Koninkrijk binnen twee jaar of minder niet langer deel zal uitmaken van het unitaire stelsel van Uniemerken. Het Gerecht heeft bijgevolg het in het Verdrag van Parijs van 1883 erkende territorialiteitsbeginsel en artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden.
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB 2009, L 78, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 2868/95 van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1).