11.9.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 300/15
Hogere voorziening ingesteld op 9 juni 2017 door Christoph Klein tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 28 september 2016 in zaak T-309/10 RENV, Christoph Klein/Europese Commissie
(Zaak C-346/17 P)
(2017/C 300/19)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirant: Christoph Klein (vertegenwoordiger: H.-J. Ahlt, Rechtsanwalt)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
1.
het arrest van het Gerecht van 28 september 2017 in zaak T-309/10 RENV vernietigen;
2.
geïntimeerde veroordelen tot betaling aan rekwirant van het bedrag van 1 562 662,30 EUR, vermeerderd met interessen van 8 % boven het toepasselijke basistarief, te rekenen vanaf de datum van het arrest van het Hof;
3.
vaststellen dat de Commissie aan rekwirant de — nog te berekenen — schade die deze stelt na 15 september 2006 te hebben geleden, dient te vergoeden;
4.
de Commissie verwijzen in de kosten van het geding;
5.
subsidiair, het arrest van het Gerecht van 28 september 2017 in zaak T-309/10 RENV vernietigen en de zaak terugverwijzen naar het Gerecht.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert rekwirant de volgende middelen aan:
Ten eerste heeft het Gerecht artikel 61, lid 2, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie geschonden doordat het de draagwijdte van de bindende werking van het arrest van het Hof onjuist heeft beoordeeld en blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ervan uit te gaan dat rekwirant geen schadevergoeding met betrekking tot zijn product „effecto” kon eisen op basis van niet-ontvankelijkheid van het vierde middel in zaak C-120/14 P.
Ten tweede heeft het Gerecht artikel 61, lid 2, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie ook geschonden doordat het zich niet gebonden achtte aan de juridische beoordeling van het Hof van Justitie. In punt 95 van zijn arrest oordeelde het Hof dat het bestreden eerdere arrest moest worden vernietigd voor zover het Gerecht daarin het beroep voor wat betreft de vordering de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de schade die rekwirant […] zou hebben geleden, heeft afgewezen. In tegenstelling tot deze juridische beoordeling, komt het Gerecht tot de slotsom dat er reeds in beginsel geen recht op schadevergoeding bestond, aangezien substantiële vereisten niet waren nageleefd.
Ten derde heeft het Gerecht artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie geschonden, door de stelling af te wijzen dat de Commissie door haar verzuim in de vrijwaringsprocedure, bedoeld in artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/42, ook artikel 41 van het Handvest van de grondrechten heeft geschonden, op de grond dat er sprake was van een ontoelaatbaar, nieuw voorgesteld middel. Dit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat rekwirant zich daadwerkelijk reeds in het verzoekschrift heeft beroepen op het beginsel van goed bestuur, dat inhoudelijk overeen komt met de beginselen van behoorlijk bestuur en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten. Daarom is er geen sprake van een niet-ontvankelijk nieuw middel.
Ten vierde is het Gerecht ervan uitgegaan dat de richtlijn noch aan rekwirant persoonlijk, noch aan atmed AG rechten toekent. Rekwirant betoogt dat dit in strijd is met het Unierecht, aangezien beide adressaten zijn in een vrijwaringsprocedure en zich als economisch voornaamste betrokkenen kunnen beroepen op de beginselen van het vrij verkeer van goederen.
Ten vijfde heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door voorbij te gaan aan het causaal verband tussen het onrechtmatige gedrag van de Commissie en de gestelde schade. Daarbij heeft het Gerecht de feiten van de zaak onjuist opgevat en feiten rechtens onjuist gekwalificeerd. Voorts heeft het daarbij opnieuw artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/42 geschonden, geen juridische toetsing uitgevoerd en zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd.
Ten zesde heeft het Gerecht, door geen rekening te houden met de bijlagen KOM RENV 1 en 2, de beginselen van fair trial en hoor en wederhoor, artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten geschonden, en de feiten en bewijzen onjuist opgevat.
Ten zevende heeft het Gerecht de beginselen van fair trial, artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, artikel 64, lid 3, onder d), van het Reglement voor de procesvoering geschonden en artikel 24 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie geschonden door het verzoek van rekwirant om de Commissie te gelasten de documenten inzake de vrijwaringsclausule over te leggen, niet in te willigen.