28.8.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 283/27
Beroep ingesteld op 26 juni 2017 — Europese Commissie/Republiek Kroatië
(Zaak C-381/17)
(2017/C 283/37)
Procestaal: Kroatisch
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Mataija, T. Scharf, G. von Rintelen, gemachtigen)
Verwerende partij: Republiek Kroatië
Conclusies
—
vaststellen dat de Republiek Kroatië door uiterlijk op 21 maart 2016 niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te hebben vastgesteld die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34), of althans door deze bepalingen niet te hebben meegedeeld aan de Commissie, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 42, lid 1, van deze richtlijn;
—
de Republiek Kroatië volgens artikel 260, lid 3, VWEU te veroordelen tot betaling van een dwangsom van 9 865,40 EUR per dag vanaf de datum van uitspraak van het arrest waarbij de niet-nakoming van haar verplichting tot mededeling van de maatregelen houdende uitvoering van de voornoemde richtlijn is vastgesteld;
—
de Republiek Kroatië verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De Republiek Kroatië is haar verplichting niet nagekomen tot mededeling van de maatregelen houdende uitvoering van richtlijn 2014/17/EU binnen de bij artikel 42, lid 1, van deze richtlijn gestelde termijn.
Full & Egal Universal Law Academy