16.10.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 347/6
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (Oostenrijk) op 3 juli 2017 — Martin Leitner/Landespolizeidirektion Tirol
(Zaak C-396/17)
(2017/C 347/06)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Martin Leitner
Verwerende partij: Landespolizeidirektion Tirol
Prejudiciële vragen
1.1.
Moet het Unierecht, meer bepaald de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78/EG (1), gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die, met het oog op de beëindiging van discriminatie van reeds in dienst zijnde ambtenaren, voorziet in een overgangsregeling waarbij het bestaande systeem van hogere inschaling op tweejaarlijkse basis door middel van een „overgangsbedrag”, dat weliswaar in geld wordt uitgedrukt, maar een bepaalde, duidelijk omschreven inschaling inhoudt, wordt omgezet in een nieuw (op zichzelf voor nieuw in dienst tredende ambtenaren niet-discriminerend) systeem van hogere inschaling op tweejaarlijkse basis, waardoor de discriminatie op grond van leeftijd onder reeds in dienst zijnde ambtenaren onverminderd voortduurt?
1.2.
Moet het Unierecht, meer bepaald artikel 17 van richtlijn 2000/78/EG en artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die verbiedt dat reeds in dienst zijnde ambtenaren zich overeenkomstig de uitlegging van de artikelen 9 en 16 van richtlijn 2000/78 door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest Schmitzer van 11 november 2014 (C-530/13) kunnen beroepen op artikel 2 van richtlijn 2000/78 om hun bezoldigingsrechtelijke positie van vóór de overgang naar het nieuwe systeem te laten vaststellen, doordat de betrokken rechtsgrondslagen met terugwerkende kracht vanaf de inwerkingtreding van de vroegere eraan ten grondslag liggende wet buiten toepassing worden verklaard en doordat inzonderheid wordt uitgesloten dat vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar vervulde, aan de dienstbetrekking voorafgaande tijdvakken in aanmerking kunnen worden genomen?
1.3.
Indien vraag 1.2 bevestigend wordt beantwoord:
Volgt uit de in het arrest van 22 november 2005 in de zaak Mangold (C-144/04) en andere arresten gepostuleerde voorrang van het Unierecht dat de met terugwerkende kracht buiten toepassing verklaarde bepalingen voor wat betreft reeds in dienst zijnde ambtenaren in de periode vóór datum van de overgang naar het nieuwe systeem nog wel moeten worden toegepast, zodat deze ambtenaren zonder hen te discrimineren binnen het oude systeem kunnen worden ingeschaald en dus zonder discriminatie in het nieuwe bezoldigingssysteem kunnen worden opgenomen?
1.4.
Moet het Unierecht, meer bepaald de artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78/EG, gelezen in samenhang met de artikelen 21 en 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die bestaande discriminatie op grond van leeftijd (met betrekking tot de inaanmerkingneming van tijdvakken voorafgaand aan de dienstbetrekking) slechts declaratief wegneemt doordat zij bepaalt dat de tijdvakken die in het kader van een discriminerende regeling daadwerkelijk zijn vervuld, met terugwerkende kracht niet meer als discriminerend worden beschouwd, hoewel de discriminatie feitelijk onverminderd voortduurt?
(1) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16).