13.11.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 382/34
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tallinna Ringkonnakohus (Estland) op 1 september 2017 — c.v. SNB-REACT e.a./Deepak Mehta
(Zaak C-521/17)
(2017/C 382/41)
Procestaal: Ests
Verwijzende rechter
Tallinna Ringkonnakohus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: c.v. SNB-REACT e.a.
Verwerende partij: Deepak Mehta
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 4, onder c), van richtlijn 2004/48/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten aldus worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die rechten van merkhouders beheren, te erkennen als personen die bevoegd zijn om ter verdediging van de rechten van merkhouders in eigen naam rechtsmiddelen aan te wenden en ter handhaving van de rechten van merkhouders in eigen naam een vordering bij de rechter in te stellen?
2)
Moeten de artikelen 12, 13 en 14 van richtlijn 2000/31/EG (2) van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van diensten van de informatiemaatschappij, met name elektronische handel, op de interne markt (richtlijn betreffende elektronische handel) aldus worden uitgelegd dat ook een dienstverlener wiens dienst bestaat in de registratie van IP-adressen, waardoor het mogelijk wordt IP-adressen anoniem te koppelen aan domeinen en deze IP-adressen te verhuren, moet worden aangemerkt als dienstverlener in de zin van deze bepalingen, op wie de in die bepalingen geregelde uitzonderingen op de aansprakelijkheid van toepassing zijn?
(1) PB 2004, L 157, blz. 45.
(2) PB 2000, L 178, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy