27.11.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 402/14
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) op 15 september 2017 — Bondsrepubliek Duitsland / Amar Omar
(Zaak C-541/17)
(2017/C 402/16)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Verwerende partij: Amar Omar
Prejudiciële vragen
1)
Verzet het Unierecht zich ertegen dat een lidstaat (in casu Duitsland), in het kader van de uitvoering van de machtiging die is verleend bij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU (1) en de voordien geldende regeling van artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85/EG (2), een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaart op grond dat in een andere lidstaat (in casu Bulgarije) de vluchtelingenstatus is toegekend, wanneer de wijze waarop de internationale bescherming in de andere lidstaat (in casu Bulgarije), waar de verzoeker reeds internationale bescherming geniet, is georganiseerd — te weten de levensomstandigheden voor erkende vluchtelingen –
a)
niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 20 e.v. van richtlijn 2011/95/EU (3), en/of
b)
in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten of artikel 3 EVRM?
2)
Voor het geval dat de eerste vraag, onder a) of b), bevestigend moet worden beantwoord: geldt dit ook wanneer
a)
erkende vluchtelingen in de lidstaat waar zij als vluchteling zijn erkend (in casu Bulgarije), geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of slechts voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, maar zij in dit opzicht niet anders worden behandeld dan de onderdanen van deze lidstaat?
b)
erkende vluchtelingen naar de letter van de wet weliswaar dezelfde levensvoorwaarden als de eigen onderdanen genieten maar in de praktijk moeilijker toegang krijgen tot de daaraan verbonden voordelen en het ontbreekt aan een voldoende omvangrijk, op de specifieke behoeften van de betrokken groep van personen toegespitst integratieprogramma dat garandeert dat zij in de praktijk op dezelfde wijze als de eigen onderdanen worden behandeld?
(1) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).
(2) Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005, L 326, blz. 13).
(3) Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9).
Full & Egal Universal Law Academy