18.12.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 437/17
Hogere voorziening ingesteld op 22 september 2017 door OZ tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 13 juli 2017 in zaak T-607/16, OZ / Europese Investeringsbank
(Zaak C-558/17 P)
(2017/C 437/21)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: OZ (vertegenwoordiger: B. Maréchal, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Investeringsbank
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het bestreden arrest in zaak T-607/16 in zijn geheel te vernietigen;
—
het besluit van Dr. Werner Hoyer — president van de EIB — van 16 oktober 2015, dat is vastgesteld naar aanleiding van de procedure die OZ in het kader van de waardigheid op het werk op 20 mei 2015 heeft ingeleid tegen haar chef, F, zoals deze klacht door het onderzoekscomité is onderzocht, nietig te verklaren en het rapport van 14 september 2015 betreffende het door OZ ingediende verzoek, waarin de klacht van OZ is afgewezen en onjuiste aanbevelingen zijn gedaan, nietig te verklaren;
—
de EIB te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de ziektekosten die het gevolg zijn van de door OZ geleden schade voor een bedrag van (i) 977 EUR tot op heden (inclusief btw) en (ii) een voorlopig bedrag van 5 850 EUR voor toekomstige ziektekosten;
—
de EIB te veroordelen tot betaling van een vergoeding van 20 000 EUR voor haar immateriële schade;
—
de EIB te veroordelen tot betaling van een vergoeding van 35 100 EUR (inclusief btw) voor de gerechtskosten van de onderhavige procedure;
—
de EIB te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure in hogere voorziening beroep en van de procedure voor het Gerecht;
—
de EIB te gelasten de procedure in het kader van de waardigheid op het werk te heropent en/of de president van de EIB te gelasten een nieuw besluit te nemen.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante verzoekt het Hof om vernietiging van het arrest van het Gerecht van 13 juli 2017, OZ/Europese Investeringsbank (Zaak T-607/16), houdende verwerping van het beroep tot vernietiging van het besluit van de president van de EIB van 16 oktober 2015, dat is vastgesteld naar aanleiding van de onderzoeksprocedure die OZ in het kader van de waardigheid op het werk op 20 mei 2015 heeft ingeleid tegen F, met betrekking tot beweringen van seksuele intimidatie zoals deze zijn onderzocht door het onderzoekscomité, en nietigverklaring van het rapport van het onderzoekscomité van 14 september 2015 betreffende het verzoek dat OZ op 20 mei 2015 heeft ingediend op het gebied van de waardigheid op het werk (hierna: „betrokken besluit en rapport”).
De zaak heeft betrekking op de beweringen van seksuele intimidatie die OZ heeft geformuleerd jegens haar chef, F, welke feiten hebben plaatsgevonden tussen 2011 en 2014 en die OZ ertoe hebben aangezet om op 20 mei 2015 een formele procedure in het kader van de waardigheid op het werk in te leiden. Overeenkomstig de procedure in het kader van de waardigheid op het werk heeft het onderzoekscomité op 14 september 2014 een rapport afgeleverd op basis waarvan de president van de Europese Investeringsbank op 16 oktober 2015 een besluit heeft gegeven.
Rekwirante voert aan dat: (i) er in de loop van de onderzoeksprocedure verschillende onregelmatigheden zijn gebeurd, in het bijzonder met betrekking tot het recht van OZ op een eerlijke rechtsbedeling en de eerlijke behandeling van haar zaak (zoals deze rechten zijn vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: „EVRM”) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en dat (ii) zowel het rapport als het besluit verschillende elementen bevatten die irrelevant zijn voor de behandeling van’ de klacht van OZ betreffende de seksuele intimidatie, die haar privé leven betreft, en welke gegevens bijgevolg moeten worden verwijderd of irrelevant zijn en buiten het toepassingsgebied van het onderzoek vallen.
Na vergeefs te hebben geprobeerd tot een minnelijke regeling van het geschil te komen, met name via een verzoeningsprocedure volgens artikel 41 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Investeringsbank (welke poging evenwel op 22 april 2016 zonder succes is beëindigd), heeft OZ via haar advocaat, B. Maréchal, een verzoek tot nietigverklaring van het besluit en van het rapport ingediend bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie.
Bij arrest van 13 juli 2017 heeft het Gerecht het beroep verworpen. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de Europese Investeringsbank in de onderzoeksprocedure betreffende de seksuele intimidatie geen onrechtmatige handelingen ten aanzien van OZ had verricht en het heeft de vordering tot schadevergoeding afgewezen.
OZ baseert deze door haar ingestelde hogere voorziening op de schending van het Unierecht door het Gerecht en tracht de aansprakelijkheid van de EIB aan te tonen.
—
Eerste middel: niet-inachtneming van de procedure betreffende de waardigheid op het werk en van artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest: het beginsel van het recht van OZ op een eerlijke rechtsbedeling, de eerlijke behandeling van haar zaak en een eerlijk proces volgens artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest is tijdens het onderzoek van de klacht wegens intimidatie geschonden.
—
Tweede middel: schending van artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest, doordat irrelevante elementen en opmerkingen in het rapport en het besluit van de president van de EIB zijn opgenomen; schending van het recht van OZ op de eerbiediging van haar privéleven.
—
Derde middel: rechtsweigering doordat het Gerecht niet op basis van de in het verzoekschrift aangevoerde feiten en rechtsgronden heeft geoordeeld.
Full & Egal Universal Law Academy