5.2.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 42/4
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesverwaltungsgericht Oberösterreich (Oostenrijk) op 10 november 2017 — Gmalieva s.r.o., Manfred Naderhirn
(Zaak C-633/17)
(2018/C 042/07)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landesverwaltungsgericht Oberösterreich
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Gmalieva s.r.o., Manfred Naderhirn
Verwerende partijen: Landespolizeidirektion Oberösterreich, Bezirkshauptmann von Linz-Land
Interveniënten: Mag. Jungwirth en Mag. Fabian OHG, Mag. Krenn KG, Michael Weber, Gunhild Mayr en Mag. Übermaßer KG
Prejudiciële vraag
Is een combinatie van procesorde en rechterlijke organisatie, zoals die in Oostenrijk voor de rechterlijke bevoegdheid voor het publiekrecht is neergelegd in de artikelen 133, lid 4, en 144, lid 1, van het Bundes-Verfassungsgesetz (federale grondwet; hierna: „B-VG”) juncto de § § 41, 42 en 63 van het Verwaltungsgerichtsgesetz (wet op de bestuursrechter; hierna: „VwGG”) respectievelijk § 87 van het Verfassungsgerichtshofgesetz (wet op het grondwettelijk hof; hierna: „VfGG”), te weten:
loutere cassatie door de hoogste instantie, die niet leidt tot afdoening van de zaak maar neerkomt op een uitsluitend formele terugverwijzing naar de lagere instantie, dat wil zeggen
1)
vernietiging van de beslissing waarvan beroep
2)
met de verplichting voor de lagere instantie om de zaak opnieuw af te doen met
3)
gebondenheid aan de rechtsopvatting van de hoogste instanties
waarbij die bindende werking op grond van de wet algemeen geldt, dus ook in die gevallen waarin niet ex lege zeker is gesteld dat de hogere rechterlijke instanties een zowel autonome als op de actuele feiten gebaseerde coherentie- en evenredigheidstoetsing hebben verricht in een procedure die in alle opzichten voldoet aan de vereisten van artikel 6, lid 1, van het EVRM respectievelijk artikel 47 van het Handvest (1), maar die procedure veeleer vooral wordt gekenmerkt door
1)
een verbod op nieuwe vorderingen, verweren of bewijsmiddelen
2)
gebondenheid aan de door de lagere instantie vastgestelde feiten
3)
maatgevendheid van de feitelijke situatie en rechtssituatie zoals die bestond ten tijde van de beslissing van de lagere instantie
4)
beperking van de toetsingsbevoegdheid tot uitsluitend fundamentele rechtsvragen (VwGH), respectievelijk schendingen van grondrechten (VfGH)
in overeenstemming met de in artikel 49 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging respectievelijk het in artikel 56 VWEU gewaarborgde vrij verrichten van diensten?
(1) Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.