5.3.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 83/11
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Helsingin käräjäoikeus (Finland) op 12 december 2017 — Metirato Oy, in liquidatie / Finse Staat/ Verohallinto, Estse Staat/Maksu- ja Tolliamet
(Zaak C-695/17)
(2018/C 083/17)
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Helsingin käräjäoikeus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Metirato Oy, in liquidatie
Verwerende partijen: Finse Staat/ Verohallinto, Estse Staat/Maksu- ja Tolliamet
Prejudiciële vragen
1)
Dient artikel 13, lid 1, van de invorderingsrichtlijn (1), volgens hetwelk iedere op grond van een verzoek tot invordering in te vorderen schuldvordering in de aangezochte lidstaat wordt behandeld alsof het een schuldvordering van de aangezochte lidstaat zelf betreft, aldus te worden uitgelegd dat,
a)
de aangezochte lidstaat ook partij is in een geding dat betrekking heeft op de teruggave aan de failliete boedel van de op de invordering betaalde bedragen, dan wel
b)
de aangezochte staat slechts optreedt als inner van de schuldvordering en declarant van de schuldvordering in de faillissementsprocedure, maar dat in een zaak betreffende heropname van goederen in de failliete boedel de verzoekende lidstaat verweerder is?
2)
Dient de richtlijn aldus te worden uitgelegd dat schuldvorderingen van een andere lidstaat op basis van een verzoek tot invordering met dezelfde middelen worden ingevorderd, maar dat de geïnde bedragen apart blijven bestaan en niet worden vermengd met het vermogen van de aangezochte staat, dan wel aldus dat de schuldvorderingen samen met de eigen schuldvorderingen worden ingevorderd zodat zij met de middelen van de aangezochte staat worden vermengd? Met andere woorden: beoogt de richtlijn uitsluitend benadeling van schuldvorderingen van een andere staat te verbieden?
3)
Kan een geding in verband met de heropname van goederen in de failliete boedel worden gelijkgesteld met een geschil in verband met executiemaatregelen in de zin van artikel 14, lid 2, van de richtlijn en kan hieruit worden afgeleid dat volgens de richtlijn de aangezochte staat ook in dat geding optreedt als verweerder?
(1) Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PB L 84, blz. 1).