26.3.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 112/20
Hogere voorziening ingesteld op 24 december 2017 door Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 13 oktober 2017 in zaak T-572/16, Brouillard / Commissie
(Zaak C-728/17 P)
(2018/C 112/27)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Mihaylova en G. Gattinara, gemachtigden)
Andere partij in de procedure: Alain Laurent Brouillard
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van 13 oktober 2017, Brouillard/Commissie (T-572/16) vernietigen;
—
het beroep in eerste aanleg verwerpen;
—
verweerster verwijzen in alle kosten van beide instanties.
Middelen en voornaamste argumenten
Met het eerste middel in hogere voorziening wordt gesteld dat sprake is van een onjuiste rechtsopvatting en van verdraaiing. Dit middel bestaat uit drie onderdelen en betreft de punten 36, 39, 43 tot en met 56, 62 en 63 van het bestreden arrest.
In het eerste onderdeel betoogt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de aankondiging van het vergelijkende onderzoek. In de punten 36, 45 en 47 tot en met 56 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat het adjectief „voltooide” in de uitdrukking „voltooide juridische opleiding”, die voorkomt in de aankondiging van het vergelijkende onderzoek, niet verwees naar de inhoud van het vereiste diploma, en dat het woord „overeenkomt” in de uitdrukking „een diploma dat minstens overeenkomt met het masterniveau”, niet aan het diploma, maar aan de opleiding refereerde. De Commissie is bovendien van mening dat een contextuele en teleologische uitlegging geenszins de vaststellingen van het Gerecht ondersteunt, aangezien de voorwaarden voor deelname aan een vergelijkend onderzoek moeten worden uitgelegd in het licht van de beschrijving van de opdrachten van de te begeven posten, die volgens bijlage I bij de aankondiging van het vergelijkende onderzoek bestonden in vertaalopdrachten die moeten worden uitgevoerd door „hooggekwalificeerde juristen”.
In het tweede onderdeel voert de Commissie aan dat het Gerecht bij de uitlegging van artikel 5, lid 3, onder c), i), van het statuut [van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie] in de punten 46 tot en met 49, 52 en 53 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De Commissie is van mening dat deze bepaling niet relevant is voor aanwervingsprocedures en met name niet eraan in de weg staat dat een bestuur bij de vaststelling van de inhoud van de aankondiging van een vergelijkend onderzoek voorziet in deelnamevoorwaarden die strenger zijn dan de criteria in deze bepaling. Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, mag de aankondiging van een vergelijkend onderzoek niet worden uitgelegd in het licht van die bepaling van het statuut.
In het derde onderdeel stelt de Commissie dat de inhoud van de professionele master van de universiteit van Poitiers en van de kandidaatstelling van verzoeker in eerste aanleg is verdraaid. De Commissie is van mening dat uit deze twee bewijselementen duidelijk naar voren komt dat verzoeker niet beschikte over het diploma van master 2 in recht dat wordt behaald na vijf jaar studie, zoals vereist door de aankondiging van het vergelijkende onderzoek. De vaststellingen van het Gerecht in de punten 39, 43, 44 en 52 tot en met 54 van het bestreden arrest zijn dan ook onjuist.
Met het tweede middel in hogere voorziening wordt gesteld dat sprake is van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de regels inzake de afbakening van de bevoegdheden waarover de jury van een vergelijkend onderzoek beschikt wanneer zij onderzoekt of een kandidaat een diploma heeft. Dit tweede middel, dat de punten 37, 52 en 54 tot en met 56 van het bestreden arrest betreft, is gericht tegen de redenering van het Gerecht dat de jury het diploma van verzoeker in eerste aanleg moest aanvaarden en dit enkel op grond van de nationale bepalingen inzake de afgifte van het diploma.
Met het derde middel in hogere voorziening, dat de punten 39, 44, 47, 48, 52 en 57 tot en met 61 van het bestreden arrest betreft, wordt gesteld dat het Gerecht de motiveringsplicht niet is nagekomen, doordat het onvoldoende heeft aangegeven op basis van welke gegevens in het dossier verzoeker in eerste aanleg in het bezit was van een diploma waardoor hij kon voldoen aan de in de aankondiging van het vergelijkende onderzoek gestelde voorwaarde. Bovendien spreekt het Gerecht zichzelf tegen, aangezien het heeft overwogen dat de voltooide juridische opleiding en het na volledige universitaire studies behaalde diploma twee verschillende vaststellingen zijn, en tegelijkertijd heeft geconstateerd dat het diploma bestond, zonder aan te geven op basis van welk gegeven kon worden besloten tot het bestaan van een voltooide juridische opleiding. Ten slotte heeft het Gerecht niet voldoende uiteengezet waarom verzoekers diploma in het in kracht van gewijsde gegane arrest in zaak T-420/13 niet in aanmerking is genomen in het kader van een procedure voor de gunning van freelancevertaaldiensten ten behoeve van de administratie van het Hof van Justitie, terwijl datzelfde diploma thans zou rechtvaardigen dat dezelfde verzoeker kan worden aangesteld als vastbenoemde jurist-vertaler bij de vertaaldiensten van het Hof.