BESCHIKKING VAN HET HOF (Zevende kamer)
28 november 2018 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Consumentenbescherming – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten – Richtlijn 2008/48/EG – Betalingsbevelprocedure op basis van een uittreksel uit de rekeningen van de bank – Ontbreken van de mogelijkheid voor de rechter om het eventueel oneerlijke karakter van contractuele bedingen te beoordelen wanneer geen beroep is ingesteld door de consument”
In zaak C‑632/17,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy w Siemianowicach Śląskich (rechter in eerste aanleg Siemianowice Śląskie, Polen) bij beslissing van 4 oktober 2017, ingekomen bij het Hof op 9 november 2017, in de procedure
Powszechna Kasa Oszczędności (PKO) Bank Polski S.A.
tegen
Jacek Michalski,
geeft
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal, president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Zevende kamer, C. Toader (rapporteur) en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
–
Powszechna Kasa Oszczędności (PKO) Bank Polski S.A., vertegenwoordigd door W. Sadowski, adwokat, en E. Buczkowska, radca prawny,
–
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
–
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herbout-Borczak en N. Ruiz García als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking,
de navolgende
Beschikking
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), alsook van artikel 10 en artikel 22, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, met rectificaties in PB 2009, L 207, blz. 14, PB 2010, L 199, blz. 40, en PB 2011, L 234, blz. 46).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Powszechna Kasa Oszczędności (PKO) Bank Polski S.A. (hierna: „PKO”), een bankinstelling die is gevestigd te Warschau (Polen), en Jacek Michalski over een betalingsbevel dat is gebaseerd op een uittreksel uit de rekeningen van PKO en dat is uitgevaardigd omdat bedragen die Michalski heeft ontleend door middel van een door PKO afgegeven creditcard, niet zijn terugbetaald.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 93/13
3
In de vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 is gepreciseerd dat „de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.
4
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:
„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”
5
In artikel 7, lid 1, van deze richtlijn staat te lezen:
„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”
Richtlijn 2008/48
6
In overweging 31 van richtlijn 2008/48 wordt de volgende precisering gegeven:
„De kredietovereenkomst moet in duidelijke en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie bevatten over de rechten en plichten die voor de consument daaruit voortvloeien, zodat hij daar kennis van kan nemen.”
7
In artikel 10 van deze richtlijn wordt onder meer opgesomd welke gegevens op duidelijke en beknopte wijze in kredietovereenkomsten moeten worden vermeld.
8
Artikel 22, lid 1, van die richtlijn bepaalt:
„In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.”
Pools recht
9
De kodeks postępowania cywilnego (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „kpc”) regelt de betalingsbevelprocedure.
10
Artikel 484, leden 2 en 3, kpc bepaalt:
„2. De rechter doet uitspraak in de betalingsbevelprocedure op schriftelijk verzoek van de eiser, dat is opgenomen in het stuk dat het geding inleidt.
3. De zaak wordt ter raadkamerzitting onderzocht.”
11
In artikel 485, leden 1 en 3, kpc staat te lezen:
„1. De rechter vaardigt een betalingsbevel uit wanneer de eiser een geldvordering instelt […] en de omstandigheden die aan deze vordering ten grondslag liggen, worden aangetoond aan de hand van [stukken] die [zijn] gehecht aan het verzoekschrift […].
[…]
3. De rechter kan een betalingsbevel uitvaardigen wanneer een bank een vordering instelt op basis van een van het stempel van de bank voorzien uittreksel uit haar rekeningen dat is ondertekend door een persoon die gemachtigd is om de bank te vertegenwoordigen, en van het bewijs dat een schriftelijke aanmaning tot betaling aan de schuldenaar is betekend.”
12
Artikel 486, lid 1, kpc luidt:
„Indien er geen grond is die de uitvaardiging van een betalingsbevel rechtvaardigt, stelt de president een datum voor een terechtzitting vast, tenzij de zaak ter raadkamerzitting kan worden behandeld.”
13
Article 491, lid 1, kpc bepaalt:
„Bij het betalingsbevel gelast de rechter de verweerder de volledige vordering, vermeerderd met de rente, binnen twee weken vanaf de dag van betekening van het bevel geheel te voldoen of binnen deze termijn het bevel te betwisten.”
14
In artikel 492, lid 1, kpc staat te lezen:
„Het betalingsbevel geldt vanaf het tijdstip van uitvaardiging als zekerheidstitel die ten uitvoer kan worden gelegd zonder dat de formule van tenuitvoerlegging hoeft te worden aangebracht. […]”
15
In artikel 493, lid 1, kpc is bepaald:
„Het verweerschrift wordt ingediend bij de rechter die het betalingsbevel heeft uitgevaardigd. In het stuk preciseert de verweerder of hij het bevel in zijn geheel dan wel gedeeltelijk betwist, zet hij zijn middelen en excepties uiteen, die hij op straffe van niet-ontvankelijkheid naar voren moet brengen voordat hij ter terechtzitting verschijnt voor de behandeling ten gronde, en vermeldt hij de feiten en de bewijsmiddelen. De rechter houdt geen rekening met te laat ingediende verklaringen en bewijzen, tenzij de verweerder aannemelijk maakt dat hij deze buiten zijn schuld niet in zijn verweerschrift had opgenomen, dat het in aanmerking nemen van de tardieve verklaringen en bewijzen geen vertraging bij het onderzoek van de zaak veroorzaakt of dat zich anderszins buitengewone omstandigheden voordoen. […]”
16
Artikel 494, lid 1, kpc luidt:
„De rechter verklaart een verweerschrift niet-ontvankelijk indien het niet tijdig is ingediend, indien de griffierechten niet zijn voldaan of indien het verweerschrift om andere redenen niet-ontvankelijk is, alsook indien de gebreken van het verweerschrift niet tijdig door de verweerder zijn verholpen.”
17
Artikel 19, lid 4, van de ustawa o kosztach sądowych w sprawach cywilnych (wet betreffende de gerechtskosten in civiele zaken) van 28 juli 2005 (Dz.U. van 2005, nr. 167, volgnr. 1398; hierna: „wet betreffende de gerechtskosten”) bepaalt:
„Wanneer een verweerschrift wordt ingediend tegen het volgens de bevelprocedure uitgevaardigde betalingsbevel dient de verweerder drie vierde van de gerechtskosten te dragen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
18
Op 21 december 2015 heeft PKO met Michalski een overeenkomst gesloten in verband met de afgifte en het gebruik van een creditcard.
19
Op 29 maart 2017 heeft PKO Michalski aangemaand tot betaling van de bedragen waarvan zij meende dat die haar verschuldigd waren. Omdat Michalski die bedragen niet had betaald, heeft PKO op 26 mei 2017 overeenkomstig artikel 485, lid 3, kpc bij de Sąd Rejonowy w Siemianowicach Śląskich (rechter in eerste aanleg Siemianowice Śląskie, Polen) een verzoekschrift ingediend met het oog op het verkrijgen van een betalingsbevel voor een bedrag van 6788,21 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 1580 EUR), vermeerderd met contractuele rente. Bij dit verzoekschrift was een van het stempel van de bank voorzien uittreksel uit de rekeningen van PKO gevoegd dat was ondertekend door een persoon die gemachtigd was om de bank te vertegenwoordigen, samen met het bewijs dat een schriftelijke aanmaning tot betaling aan Michalski was betekend.
20
De verwijzende rechter preciseert dat Poolse banken veelvuldig van de betalingsbevelprocedure op basis van een dergelijk uittreksel gebruikmaken om hun schuldvorderingen te innen. Deze praktijk houdt in dat het uittreksel uit de rekeningen overeenkomstig artikel 485, lid 3, kpc bij het verzoekschrift wordt gevoegd zonder dat andere documenten worden overgelegd waaruit het bestaan van een consumtenkredietovereenkomst en de desbetreffende voorwaarden blijken.
21
De verwijzende rechter brengt eveneens in herinnering dat de betalingsbevelprocedure naar Pools recht uit twee fasen bestaat. In het kader van de eerste fase en in het geval van een bankvordering, onderzoekt de rechter met het oog op de uitvaardiging van een betalingsbevel ambtshalve enkel of het overgelegde uittreksel aan de vormvereisten voldoet, omdat dit uittreksel de fundamentele grondslag voor de uitvaardiging van een dergelijk bevel vormt. De criteria die de weigering van afgifte van dit bevel kunnen rechtvaardigen, blijken uitsluitend uit de bewoordingen van artikel 485, lid 3, kpc. De schuldeiser hoeft de grondslagen van de ingestelde vordering dus niet concreet aan te tonen door met name de consumentenkredietovereenkomst over te leggen.
22
De tweede fase van de procedure is slechts een mogelijkheid. Zij wordt ingeleid door de betwisting van het betalingsbevel door de schuldenaar van de bank. Deze schuldenaar kan dan eventuele bezwaren aanvoeren met betrekking tot de overeenkomst die hij met de bank heeft. Krachtens artikel 493, lid 1, kpc juncto artikel 491, lid 1, kpc moet de consument die dat bevel betwist, binnen twee weken een verweerschrift indienen dat aan de vereiste vormvoorschriften voldoet. Volgens artikel 19, lid 4, van de wet betreffende de gerechtskosten moet die consument bovendien drie vierde van de gerechtskosten dragen.
23
Tevens preciseert de verwijzende rechter dat een onherroepelijk geworden betalingsbevel gezag van gewijsde heeft en krachtens artikel 492, lid l, kpc vanaf de uitvaardiging ervan geldt als zekerheidstitel die die ten uitvoer kan worden gelegd zonder dat de formule van tenuitvoerlegging hoeft te worden aangebracht.
24
Volgens die rechter onderscheidt het voor hem aanhangige beroep zich van de zaken die hebben geleid tot de arresten van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:349), en 18 februari 2016, Finanmadrid EFC (C‑49/14, EU:C:2016:98), waarin de nationale rechterlijke instanties beschikten over de contractuele documenten waarin de rechten en plichten van de partijen bij de betreffende overeenkomst waren vastgelegd. Dientengevolge hadden deze rechterlijke instanties de mogelijkheid om de in deze documenten vervatte oneerlijke bedingen buiten toepassing te laten.
25
Onder referentie aan het arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová (C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 50), twijfelt de verwijzende rechter of de betalingsbevelprocedure op basis van een uittreksel uit de rekeningen van een bank niet tot gevolg heeft dat het voor de consument uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk wordt om de rechten uit te oefenen die hij – met name krachtens richtlijnen 93/13 en 2008/48 – ontleent aan de regeling inzake consumentenbescherming, ten eerste omdat aan de rechter geen gegevens zijn verstrekt die verband houden met de tussen de consument en de bank bestaande rechtsverhouding, en ten tweede omdat de bewijslast in zijn geheel verschuift naar de consument.
26
In deze omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy w Siemianowicach Śląskich de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten de bepalingen van richtlijn [93/13], met name artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, en de bepalingen van richtlijn [2008/48], met name artikel 10 en artikel 22, lid 1, aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een bank (kredietverlener) tegen een consument (kredietnemer) in het kader van een betalingsbevelprocedure als bedoeld in de artikelen 485, lid 3, en volgende, [kpc] een vordering instelt op basis van een van het stempel van de bank voorzien uittreksel uit de rekeningen van de bank dat is ondertekend door personen die gemachtigd zijn om verklaringen af te leggen over de vermogensrechtelijke rechten en verplichtingen van de bank, en van het bewijs dat een schriftelijke aanmaning tot betaling aan de schuldenaar is betekend?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
27
Het Hof kan krachtens artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering, onder meer wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of over dit antwoord redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking.
28
In dit verband dient te worden vastgesteld dat het Hof in het arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska (C‑176/17, EU:C:2018:711), heeft moeten antwoorden op soortgelijke vragen die door dezelfde verwijzende rechter waren gesteld. De in dat arrest aan het Unierecht gegeven uitlegging is eveneens relevant voor het antwoord dat moet worden gegeven op de prejudiciële vraag in de onderhavige zaak.
29
Hoewel het hoofdgeding zich onderscheidt van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska (C‑176/17, EU:C:2018:711) – aangezien het in het hoofdgeding aan de orde zijnde betalingsbevel overeenkomstig artikel 485, lid 3, kpc is uitgevaardigd op basis van een uittreksel uit de rekeningen van een bank en niet overeenkomstig artikel 485, lid 2, kpc op basis van een orderbriefje – hebben beide zaken immers betrekking op dezelfde procedurele voorschriften inzake betalingsbevelprocedures.
30
Derhalve moet artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering in de onderhavige zaak worden toegepast.
31
Daar richtlijn 2008/48 geen harmonisatie tot stand heeft gebracht op het gebied van uittreksels uit de rekeningen van banken als basis voor de inning van een uit een consumentenkredietovereenkomst voortvloeiende schuldvordering, is artikel 22, lid 1, van die richtlijn niet van toepassing in omstandigheden als die van het hoofdgeding (zie naar analogie arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 36).
32
De prejudiciële vraag zal dan ook uitsluitend worden beantwoord uit het oogpunt van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, alsmede uit het oogpunt van artikel 10 van richtlijn 2008/48.
33
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6 en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 alsook artikel 10 van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan een betalingsbevel kan worden uitgevaardigd op basis van een uittreksel uit de rekeningen van een bank waaruit het bestaan van een uit een consumentenkredietovereenkomst voortvloeiende vordering blijkt, wanneer de rechter bij wie een verzoekschrift met het oog op de uitvaardiging van een betalingsbevel is ingediend, niet bevoegd is om te onderzoeken of de bedingen van deze overeenkomst eventueel oneerlijk zijn en om zich ervan te vergewissen dat de in bovengenoemd artikel 10 bedoelde gegevens in die overeenkomst zijn opgenomen.
34
Vooraf zij eraan herinnerd dat de lidstaten ingevolge artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden.
35
Gelet op de aard en het gewicht van het openbaar belang van de bescherming van consumenten, die zich ten opzichte van verkopers in een zwakke positie bevinden, verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten – zoals blijkt uit artikel 7, lid 1, juncto de vierentwintigste overweging van deze richtlijn – om in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien „om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers” (arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
In dit verband zij beklemtoond dat volgens vaste rechtspraak de nationale rechter weliswaar gehouden is om het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper te compenseren door ambtshalve te beoordelen of een binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 vallend contractueel beding oneerlijk is, doch enkel op voorwaarde dat hij over de daartoe noodzakelijke juridische en feitelijke gegevens beschikt (arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
In het onderhavige geval preciseert de verwijzende rechter dat hij bij zijn toetsing in de eerste fase van de betalingsbevelprocedure enkel nagaat of het uittreksel uit de rekeningen van de bank voldoet aan de vormvereisten. Hij geeft dus aan niet te beschikken over alle uit de betrokken kredietovereenkomst voortvloeiende feitelijke en juridische gegevens.
38
Hieruit volgt dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding een nationale rechter niet in staat is te onderzoeken of een contractueel beding eventueel oneerlijk is, zolang hij niet beschikt over alle daartoe vereiste relevante feitelijke en juridische gegevens (zie in die zin arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 47).
39
Bovendien volgt weliswaar uit artikel 486, lid 1, kpc, zoals de Poolse regering heeft benadrukt in haar opmerkingen bij het Hof, dat de president van de aangezochte formatie een datum voor een terechtzitting kan vaststellen – tenzij de zaak niettemin ter raadkamerzitting kan worden behandeld, zodat de betreffende consumentenkredietovereenkomst in kwestie kan worden onderzocht – maar hij is daartoe alleen bevoegd indien er onvoldoende gronden zijn voor de uitvaardiging van een betalingsbevel. Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens is in het hoofdgeding niet aan deze voorwaarde voldaan (zie naar analogie arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punten 48‑50).
40
Hoewel het Hof krachtens artikel 267 VWEU bevoegd is om uit artikel 7 van richtlijn 93/13 de criteria af te leiden die het kader vormen voor het ambtshalve toetsen van de nakoming van de uit die richtlijn voortvloeiende verplichtingen, staat het hoe dan ook aan de verwijzende rechter om na te gaan of een bepaling als artikel 486, lid 1, kpc hem in voorkomend geval een dergelijk kader kan bieden (arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 52).
41
De verwijzende rechter merkt eveneens op dat de uit de consumentenkredietovereenkomst voortvloeiende rechtsverhouding alleen wordt onderzocht indien de consument het betalingsbevel betwist.
42
In zoverre moet worden geoordeeld dat de procedure voor de verwijzende rechter weliswaar enkel de eerste fase van deze procedure betreft, maar niettemin in haar geheel moet worden onderzocht, waarbij dit onderzoek zich dient uit te strekken tot zowel de eerste, aan de betwisting voorafgaande fase als de daaropvolgende tweede fase (arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 54).
43
Bij gebreke van harmonisatie door het Unierecht van de procedures voor de beoordeling van het beweerdelijk oneerlijke karakter van een contractueel beding, zijn deze procedures een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten, op voorwaarde echter dat het gelijkwaardigheidsbeginsel en het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte worden geëerbiedigd (zie in die zin arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 57).
44
Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, dient te worden vastgesteld dat het Hof niet beschikt over gegevens die twijfel kunnen doen ontstaan over de overeenstemming van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling met dat beginsel (arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 58).
45
Wat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte betreft, zij erop gewezen dat de uit artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 voortvloeiende verplichting om te voorzien in procedureregels waardoor de rechten die justitiabelen aan die richtlijn ontlenen om tegen het gebruik van oneerlijke bedingen op te komen, kunnen worden gewaarborgd, impliceert dat moet worden gezorgd voor een doeltreffende voorziening in rechte, welk vereiste tevens in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten is neergelegd. Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte moet zowel gelden voor de aanwijzing van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen die op het Unierecht zijn gebaseerd, als voor de procedureregels voor dergelijke vorderingen. Om vast te stellen of een procedure als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, in strijd is met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dient de verwijzende rechter dan ook na te gaan of de in het nationale recht opgenomen regeling van de betwistingsprocedure niet leidt tot een niet te verwaarlozen risico dat consumenten niet het vereiste verweerschrift indienen (arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punten 59 en 61).
46
In casu volgt uit artikel 491, lid 1, kpc dat de termijn voor de indiening van een verweerschrift twee weken bedraagt. Bovendien moet de verweerder volgens artikel 493, lid 1, van dat wetboek in zijn verweerschrift preciseren of hij het betalingsbevel in zijn geheel dan wel gedeeltelijk betwist, en moet hij in dat verweerschrift – op straffe van niet-ontvankelijkheid ervan – zijn middelen en excepties uiteenzetten alsook de feiten en de bewijsmiddelen vermelden. Dergelijke procedureregels die binnen een zo korte termijn in acht moeten worden genomen, brengen het niet te verwaarlozen risico met zich mee dat de consument geen verweerschrift indient of dat het verweerschrift niet-ontvankelijk zal zijn (arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punten 65 en 66).
47
Voorts volgt uit artikel 19, lid 4, van de wet betreffende de gerechtskosten dat de verweerder bij betwisting van het betalingsbevel drie vierde van de gerechtskosten dient te dragen, zodat de verkoper slechts een kwart van deze kosten hoeft te dragen. Dergelijke kosten kunnen op zichzelf een consument ervan weerhouden een verweerschrift in te dienen. De consument wordt a fortiori benadeeld indien hij hoe dan ook drie keer zo hoge kosten als de tegenpartij moet dragen (arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punten 67 en 68).
48
Derhalve brengen procedureregels als die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding, het niet te verwaarlozen risico met zich mee dat de betrokken consument niet het vereiste bezwaarschrift indient, omdat die voorschriften ten eerste van deze consument verlangen dat hij binnen twee weken na betekening van het betalingsbevel de feiten en bewijsmiddelen overlegt op basis waarvan de rechter dat bevel kan beoordelen, en ten tweede die consument benadelen door de wijze waarop de gerechtskosten worden berekend (zie in die zin arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punten 69 en 70).
49
Uit het voorgaande volgt dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een procedure op grond waarvan een betalingsbevel kan worden uitgevaardigd, wanneer de rechter bij wie een verzoekschrift met het oog op de uitvaardiging van een betalingsbevel is ingediend, niet bevoegd is om te onderzoeken of de bedingen van de overeenkomst in kwestie eventueel oneerlijk zijn, aangezien de voorwaarden voor de uitoefening van het recht om een dergelijk bevel te betwisten niet kunnen waarborgen dat de rechten worden geëerbiedigd die consumenten aan deze richtlijn ontlenen (zie in die zin arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 71).
50
Wat artikel 10 van richtlijn 2008/48 betreft, zij eraan herinnerd dat in dit artikel de gegevens worden opgesomd die in kredietovereenkomsten moeten worden vermeld opdat de consument met kennis van zaken een besluit kan nemen.
51
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat het ambtshalve onderzoek door de nationale rechter naar de naleving van de vereisten van richtlijn 2008/48 een geschikt middel vormt om het bij artikel 10 van deze richtlijn voorgeschreven resultaat te bereiken en bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van overweging 31 (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 68, en naar analogie beschikking van 16 november 2010, Pohotovosť, C‑76/10, EU:C:2010:685, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens de rechtspraak van het Hof onderstelt deze verplichting van de nationale rechter om ambtshalve te onderzoeken of voldaan is aan de vereisten die voortvloeien uit richtlijn 2008/48, dat hij over de daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens beschikt (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 70, en naar analogie arrest van 4 juni 2009, Pannon GSM, C‑243/08, EU:C:2009:350, punt 32).
52
De nationale rechter beschikt in het kader van de eerste fase van de procedure niet over de gegevens waardoor hij zich ervan zou kunnen vergewissen dat de verplichtingen om aan de consument informatie te verstrekken in de zin van artikel 10 van richtlijn 2008/48 zijn nagekomen, daar het betalingsbevel uitsluitend wordt uitgevaardigd op basis van het onderzoek van de vormvereisten die gelden voor het uittreksel uit de rekeningen van de bank. Daarbij komt dat de voorwaarden waaronder het recht om een dergelijk bevel te betwisten kan worden uitgeoefend, om dezelfde redenen als die welke in de punten 46 tot en met 48 van de onderhavige beschikking zijn uiteengezet, niet kunnen waarborgen dat de rechten worden geëerbiedigd die consumenten aan die richtlijn ontlenen. Bijgevolg moet artikel 10 van richtlijn 2008/48 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding.
53
Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en artikel 10 van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan een betalingsbevel kan worden uitgevaardigd op basis van een uittreksel uit de rekeningen van een bank waaruit het bestaan van een uit een consumentenkredietovereenkomst voortvloeiende vordering blijkt, wanneer de rechter bij wie een verzoekschrift met het oog op de uitvaardiging van een betalingsbevel is ingediend, niet bevoegd is om te onderzoeken of de bedingen van deze overeenkomst eventueel oneerlijk zijn en om zich ervan te vergewissen dat de in bovengenoemd artikel 10 bedoelde gegevens in die overeenkomst zijn opgenomen, aangezien de voorwaarden voor de uitoefening van het recht om een dergelijk bevel te betwisten niet kunnen waarborgen dat de rechten worden geëerbiedigd die consumenten aan die richtlijnen ontlenen.
Kosten
54
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en artikel 10 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan een betalingsbevel kan worden uitgevaardigd op basis van een uittreksel uit de rekeningen van een bank waaruit het bestaan van een uit een consumentenkredietovereenkomst voortvloeiende vordering blijkt, wanneer de rechter bij wie een verzoekschrift met het oog op de uitvaardiging van een betalingsbevel is ingediend, niet bevoegd is om te onderzoeken of de bedingen van deze overeenkomst eventueel oneerlijk zijn en om zich ervan te vergewissen dat de in bovengenoemd artikel 10 bedoelde gegevens in die overeenkomst zijn opgenomen, aangezien de voorwaarden voor de uitoefening van het recht om een dergelijk bevel te betwisten niet kunnen waarborgen dat de rechten worden geëerbiedigd die consumenten aan die richtlijnen ontlenen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
Full & Egal Universal Law Academy