ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
4 oktober 2018 ( *1 )
„Openbare dienst – Ambtenaren – Schoolbezoek – Toelating tot een kinderdagverblijf – Besluit tot plaatsing van een kind in een ander kinderdagverblijf dan waar het voorheen was ingeschreven – Onjuiste aanduiding van de verwerende partij in het verzoekschrift – Niet-ontvankelijkheid – Aansprakelijkheid”
In zaak T‑17/17,
Radu Constantinescu, wonende te Kreuzweiler (Duitsland), vertegenwoordigd door S. Rodrigues en A. Blot, advocaten,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door E. Taneva en L. Deneys als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende ten eerste tot nietigverklaring van het besluit van het Bureau infrastructuur en logistiek Luxemburg tot inschrijving van verzoekers kind in het kinderdagverblijf van Europese school Luxemburg II – Bertrange-Mamer en, bijgevolg, tot weigering van toelating tot het kinderdagverblijf van Europese school Luxemburg I – Kirchberg, en van het besluit van het Europees Parlement van 7 oktober 2016 tot afwijzing van verzoekers klacht, en ten tweede tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij zou hebben geleden,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: A. M. Collins, president, R. Barents (rapporteur) en J. Passer, rechters,
griffier: M. Marescaux, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 maart 2018,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Verzoeker, Radu Constantinescu, is ambtenaar bij het directoraat-generaal Infrastructuur en Logistiek van het Europees Parlement en tewerkgesteld in Luxemburg (Luxemburg). Hij woont in Kreuzweiler (Duitsland).
2
Verzoeker heeft twee kinderen, die op het moment van instelling van het beroep respectievelijk vier en twee jaar oud waren. Beiden waren aanvankelijk ingeschreven in de crèche van de Europese instellingen in de Luxemburgse wijk Kirchberg.
3
Op 12 januari 2016, toen verzoekers oudste zoon de leeftijdsgrens voor de crèche had bereikt, heeft verzoeker per brief contact opgenomen met de Europese school Luxemburg I – Kirchberg (hierna: „Europese school Kirchberg”) met het oog op een inschrijving in het centre de polyvalence de l’enfance (hierna: „CPE” of „kinderdagverblijf”). Bij brief van 19 januari 2016 heeft de Europese school Kirchberg geantwoord dat haar directeur en die van de Europese school Luxemburg II – Bertrange-Mamer (hierna: „Europese school Mamer”) gezamenlijk zouden besluiten op nieuwe inschrijvingen, en dat die besluiten pas zouden worden genomen na onderzoek van de inschrijving, die na de Paasvakantie zou moeten worden ingediend.
4
In mei 2016 heeft het Bureau infrastructuur en logistiek Luxemburg (hierna: „BIL”) de inschrijving van verzoekers zoon in het CPE bevestigd, zonder de locatie te specificeren.
5
Op 27 mei 2016 heeft het BIL per e-mail aan verzoeker medegedeeld dat zijn zoon naar het CPE van de Europese school Mamer zou gaan, en dat – ter garantie van een gelijke behandeling van alle kinderen en ouders – het niet mogelijk was om hierop een uitzondering te maken (hierna: „bestreden besluit”).
6
Bij brief van 6 juni 2016 heeft verzoeker een klacht ingediend bij het Parlement, als tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”), tegen het besluit van het BIL tot weigering van inschrijving van zijn kind bij het CPE van de Europese school Kirchberg. Tegelijkertijd heeft hij een verzoek om advies ingediend bij het comité van het CPE.
7
Op 29 augustus 2016 heeft verzoeker het BIL medegedeeld dat zijn zoon niet naar het CPE van de Europese school Mamer zou gaan.
8
Op 16 september 2016 heeft het comité van het CPE verzoeker geïnformeerd dat het, na analyse van het dossier, van mening was dat het reglement voor toelating tot en het functioneren van de instellingen van het CPE correct was toegepast.
9
Op 7 oktober 2016 heeft het Parlement de klacht van verzoeker afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”).
Procedure en conclusies van partijen
10
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 januari 2017, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
11
Bij brief van 1 februari 2017 heeft het Parlement het Gerecht verzocht om op grond van artikel 42 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Commissie in het geding te roepen, opdat de uitspraak van het Gerecht de Commissie rechtstreeks en integraal zal kunnen worden tegengeworpen.
12
Op 15 februari 2017 heeft het Gerecht, in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, het Parlement verzocht bepaalde documenten in te dienen.
13
Het Parlement heeft op 24 februari 2017 geantwoord, en op 21 maart 2017 heeft verzoeker zijn opmerkingen ingediend.
14
Op 6 april 2017 heeft het Parlement een verweerschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht.
15
Verzoeker heeft bij afzonderlijke brief van 7 juni 2017 een repliek ingediend, evenals een verzoek tot vaststelling van maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie. Op 24 juli 2017 heeft het Parlement een dupliek ingediend, met daarin opmerkingen over het verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie.
16
Verzoeker verzoekt het Gerecht:
–
het bestreden besluit nietig te verklaren;
–
het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren;
–
een schadevergoeding toe te kennen voor de geleden materiële en immateriële schade;
–
het Parlement te verwijzen in de kosten.
17
Het Parlement verzoekt het Gerecht:
–
het beroep ongegrond te verklaren;
–
verzoeker te verwijzen in de kosten.
18
Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.
19
Partijen zijn ter terechtzitting van 8 maart 2018 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.
In rechte
Voorwerp van het beroep
20
Vooraf dient te worden opgemerkt dat verzoeker concludeert tot nietigverklaring van het bestreden besluit en van het besluit tot afwijzing van de klacht. In dat verband dient in herinnering te worden gebracht dat de vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen het besluit tot afwijzing van een klacht, wanneer dat besluit geen zelfstandige inhoud heeft, tot gevolg heeft dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen de handeling waartegen de klacht is ingediend (arrest van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punt 8). Daar het besluit tot afwijzing van de klacht in casu geen zelfstandige inhoud heeft, moet ervan worden uitgegaan dat het beroep alleen is gericht tegen het bestreden besluit. Dit kan met name het geval zijn wanneer het besluit tot afwijzing van de klacht niet afkomstig is van dezelfde instelling als het besluit waartegen de klacht is gericht, voor zover dit louter een bevestiging van laatstgenoemd besluit vormt, zodat de nietigverklaring ervan voor de rechtspositie van de betrokkene geen ander gevolg zou hebben dan hetgeen voortvloeit uit de nietigverklaring van het besluit waartegen de klacht was gericht (zie in die zin arrest van 21 september 2011, Adjemian e.a./Commissie, T‑325/09 P, EU:T:2011:506, punt 33).
Ontvankelijkheid van de vorderingen tot nietigverklaring
21
Zonder formeel de exceptie van niet-ontvankelijkheid van artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering op te werpen, merkt het Parlement op dat het niet de auteur is van de handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd.
22
Daarom heeft het Parlement bij brief van 1 februari 2017 aangegeven dat het de klacht heeft behandeld, aangezien het ten opzichte van verzoeker de volledige bevoegdheid van TABG heeft, ook wat betreft artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”). Het Parlement heeft deze bevoegdheid niet gedelegeerd aan het BIL. De handeling waartegen de klacht is ingediend en waarvan in het beroep primair nietigverklaring wordt gevorderd, is afkomstig van het BIL en niet van het Parlement.
23
In zijn antwoord van 24 februari 2017 op het verzoek van het Gerecht tot indiening van, ten eerste, de handelingen krachtens welke het kon optreden als TABG, en, ten tweede, de handelingen krachtens welke bepaalde uitvoerende taken door de Commissie zijn toevertrouwd aan het BIL, preciseert het Parlement dat uit punt X van de bijlage bij het besluit van het Bureau van 13 januari 2014 betreffende de delegatie van de bevoegdheden van het TABG en het tot aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegde gezag (hierna: „TAABG”), volgt dat – ongeacht de betrokken materie – de autoriteiten van het Parlement de bevoegdheid van TABG hebben voor de behandeling van door personeel van het Parlement ingediende klachten. In het kader van geschillen van het BIL heeft het Parlement zijn bevoegdheden als TABG uit artikel 90, lid 2, van het Statuut noch aan de Commissie, noch aan het BIL gedelegeerd. Het Parlement is dus bevoegd gebleven om op dat gebied ingediende klachten te behandelen.
24
Ter terechtzitting heeft het Parlement tevens aangegeven dat het beroep ontvankelijk is, doch ongegrond.
25
Verzoeker geeft in zijn opmerkingen van 21 maart 2017 aan, de zorgen van het Parlement te delen, en preciseert dat, volgens het reglement van het CPE, de crèche wordt beheerd door het Parlement, en dat de kinderopvang en het studiecentrum worden beheerd door de Commissie. Het BIL is middels delegatie belast met het beheer van de kinderdagverblijven voor alle instellingen en organen van de Europese Unie te Luxemburg. Tot slot heeft het Parlement zijn bevoegdheid nooit betwist en is het derhalve bevoegd om verzoekers klacht te behandelen, waarbij de lezing van het besluit van het Bureau van het Parlement betreffende de delegatie van de bevoegdheden van het TABG en het TAABG het Parlement in die zin ondersteunt.
26
In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat artikel 2, lid 2, van het Statuut bepaalt dat een of meer instellingen de uitoefening van de aan het TABG verleende bevoegdheden geheel of gedeeltelijk aan een van hen of aan een interinstitutioneel orgaan kunnen toevertrouwen, met uitzondering van besluiten inzake de aanstelling, bevordering of overplaatsing van ambtenaren. Bovendien worden krachtens artikel 91 bis van het Statuut beroepen op de gebieden waarop artikel 2, lid 2, van toepassing is, gericht tegen de instelling waartoe het gezagsorgaan behoort waaraan de bevoegdheden van TABG zijn toegekend.
27
In de tweede plaats bepaalt artikel 1 van besluit 2003/524/EG van de Commissie van 6 november 2002 houdende oprichting van het BIL (PB 2003, L 183, blz. 40), dat dit bureau verbonden is met het directoraat-generaal Personeelszaken en administratie van de Commissie. Artikel 11 van besluit 2003/524 bepaalt: „De directeur van het [BIL] is het [TABG] van het [BIL] en is het [TAABG], met inachtneming van de bij de Commissie geldende voorschriften en binnen de grenzen van de bevoegdheden die de Commissie hem verleent”.
28
In de derde plaats luidt artikel 15, lid 3, van besluit 2003/524: „Klachten en verzoeken in de zin van artikel 90 van het Statuut, die betrekking hebben op de uitoefening van de krachtens artikel 11 aan de directeur van het [BIL] verleende bevoegdheden, worden bij DG Personeelszaken en administratie ingediend. Alle beroepen dienaangaande worden tegen de Commissie gericht.”
29
In het onderhavige geval lijdt het geen enkele twijfel dat het bestreden besluit is genomen door het BIL. Bovendien leidt een gezamenlijke lezing van de toepasselijke regelgeving, en in het bijzonder artikel 91 bis van het Statuut, tot de conclusie dat in geval van beroep tegen een besluit van het BIL de Commissie de verwerende partij is.
30
Zoals het Hof en het Gerecht reeds in talloze arresten hebben opgemerkt, vloeit uit artikel 2 van het Statuut ten eerste voort dat het TABG optreedt in naam van de instelling die het heeft aangewezen, zodat handelingen die gevolgen hebben voor de rechtspositie van ambtenaren en voor hen bezwarend kunnen zijn, moeten worden aangerekend aan de instelling waarbij die ambtenaren tewerk zijn gesteld, en ten tweede dat een eventueel beroep in rechte moet worden ingesteld tegen de instelling die het bezwarend besluit heeft genomen (arresten van 19 maart 1964, Schmitz/CEE, 18/63, EU:C:1964:15, blz. 175, en 22 november 1990, Mommer/Parlement, T‑162/89, EU:T:1990:72, punt 18).
31
Dit wordt bovendien bevestigd door het Parlement zelf, dat aangeeft dat het bestreden besluit inderdaad afkomstig is van het BIL en niet van het Parlement, en dat derhalve de Commissie in het geding dient te worden geroepen, opdat de te wijzen uitspraak haar rechtstreeks en integraal zal kunnen worden tegengeworpen.
32
In dit verband dient te worden gepreciseerd dat artikel 42 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie weliswaar het instellen van derdenverzet tegen gewezen arresten toestaat, maar het Gerecht niet de bevoegdheid verleent om de Commissie hierin te betrekken.
33
Bovendien, zoals het Hof heeft geoordeeld in het kader van zijn Reglement voor de procesvoering, waarvan de verwoording op dit punt gelijk is aan die van artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, leidt het per vergissing vermelden van een verwerende partij die niet de auteur is van de bestreden handeling, niet tot de niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift, indien dit gegevens bevat aan de hand waarvan de partij tegen wie het is gericht ondubbelzinnig kan worden bepaald, zoals de vermelding van de bestreden handeling en van degene die deze heeft vastgesteld. In dat geval moet degene die de bestreden handeling heeft vastgesteld als de verwerende partij worden beschouwd, hoewel hij in het inleidend gedeelte van het verzoekschrift niet als zodanig is vermeld. Deze situatie moet evenwel worden onderscheiden van die waarin de verzoekende partij degene die in het inleidend gedeelte van het verzoekschrift als verwerende partij is vermeld, blijft aanduiden als de verwerende partij, hoewel zij weet dat hij de bestreden handeling niet heeft vastgesteld. In dit laatstgenoemde geval moet degene die in het verzoekschrift als verwerende partij is aangeduid, als verwerende partij worden beschouwd, en moeten aan die aanduiding in voorkomend geval gevolgen voor de ontvankelijkheid van het beroep worden verbonden (zie beschikking van 16 oktober 2006, Aisne en Nature/Commissie, T‑173/06, niet gepubliceerd, EU:T:2006:320, punten 17 en 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
In dit verband heeft verzoeker in zijn op 21 maart 2017 ingediende opmerkingen (zie punt 13 hierboven) met name aangegeven dat hij „enkel [kon] vaststellen – en betreuren – dat er onduidelijkheid [leek] te bestaan over de vraag wat het ter zake bevoegde TABG was, omdat het Europees Parlement en de Commissie niet tot hetzelfde antwoord [leken] te komen”, dat „hij zijn klacht heeft gericht tot de secretaris-generaal van het Europees Parlement in zijn hoedanigheid van TABG, die nooit zijn bevoegdheid ter zake heeft betwist”, en dat hij „[volhield] dat het Europees Parlement wel degelijk de bevoegde autoriteit was om zijn klacht te behandelen”.
35
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen tot nietigverklaring niet-ontvankelijk zijn, omdat zij niet zijn gericht tot de Commissie.
Vordering tot schadevergoeding
36
Volgens vaste rechtspraak op het gebied van de openbare dienst, moet een vordering tot schadevergoeding worden afgewezen wanneer zij nauw verband houdt met een vordering tot nietigverklaring die zelf hetzij als niet-ontvankelijk, hetzij als ongegrond is afgewezen (zie arrest van 30 september 2003, Martínez Valls/Parlement, T‑214/02, EU:T:2003:254, punt 43en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
In het onderhavige geval houden de vorderingen tot nietigverklaring een dergelijk verband met de vordering tot schadevergoeding.
38
Aangezien de vorderingen tot nietigverklaring zijn afgewezen, moet de vordering tot schadevergoeding eveneens worden afgewezen.
39
Uit het voorgaande volgt dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Kosten
40
Volgens artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Krachtens artikel 135, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering kan een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, echter ten dele of volledig in de kosten worden verwezen indien dit gerechtvaardigd lijkt wegens haar houding, daaronder begrepen haar houding vóór het instellen van het beroep.
41
Uit de overwegingen van het onderhavige arrest volgt dat verzoeker in het ongelijk is gesteld. Bovendien heeft het Parlement in zijn conclusies uitdrukkelijk gevraagd om verzoeker te verwijzen in de kosten.
42
In het onderhavige arrest is evenwel sprake van wanbestuur aan de kant van het Parlement, omdat het zich bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van verzoekers klacht, terwijl deze was gericht tegen een handeling van het BIL (zie punt 22 hierboven), en het op geen enkel moment verzoeker erop heeft gewezen dat het niet de auteur van de bestreden handeling was. Deze feiten hebben verzoeker kunnen misleiden, en hem ertoe gebracht het onderhavige beroep enkel tot het Parlement te richten.
43
Dientengevolge is het Gerecht van oordeel dat een billijke beoordeling van de omstandigheden van de zaak, gelet op de bepalingen van artikel 135, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, eist dat het Parlement naast zijn eigen kosten ook de kosten van de verzoekende partij draagt.
HET GERECHT (Achtste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Het Europees Parlement wordt verwezen in de kosten.
Collins
Barents
Passer
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 oktober 2018.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.