ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)
12 september 2018 ( *1 )
„Openbare dienst – Arbeidscontractanten – Aanwerving – Intern vergelijkend onderzoek – Vorming van een reserve voor de aanwerving van assistenten – Toelatingsvoorwaarde inzake dienstanciënniteit bij de Commissie – Niet-toelating tot de examens van een vergelijkend onderzoek”
In zaak T‑55/17,
John Morrison Healy, arbeidscontractant bij de Europese Commissie, wonende te Celbridge (Ierland), vertegenwoordigd door S. Orlandi en T. Martin, advocaten,
verzoeker,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Berscheid en L. Radu Bouyon als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de jury van intern vergelijkend onderzoek COM/02/AST/16 (AST 2) waarbij de sollicitatie van verzoeker is afgewezen,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer),
samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, K. Kowalik-Bańczyk en C. Mac Eochaidh (rapporteur), rechters,
griffier: M. Marescaux, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 januari 2018,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 16 januari 2013 is verzoeker, John Morrison Healy, in dienst getreden bij de Europese Commissie als arbeidscontractant in de functiegroep III (GF III), rang 11, salaristrap 1.
2
Op 9 februari 2016 heeft de Commissie een aankondiging van interne vergelijkende onderzoeken op grondslag van een examen gepubliceerd voor de vorming van een reserve voor de aanwerving van secretariaatsmedewerkers/kantoormedewerkers van rang 2 (AST/SC 2), assistenten van rang 2 (AST 2) en administrateurs van rang 6 (AD 6) (hierna: „aankondiging van vergelijkend onderzoek”). Deze drie vergelijkende onderzoeken hadden respectievelijk de volgende referenties: COM/01/AST-SC/16 (AST/SC 2) – Secretariaatsmedewerkers/kantoormedewerkers, COM/02/AST/16 (AST 2) – Assistenten, en COM/03/AD/16 (AD 6) – Administrateurs.
3
In de aankondiging van vergelijkend onderzoek was in titel III, met het opschrift „Toelatingsvoorwaarden”, in artikel 2.1, onder a), met name het volgende bepaald over het administratief statuut van de kandidaten:
„[U dient] ten minste 42 maanden, die niet noodzakelijk opeenvolgend hoeven te zijn, als ambtenaar, tijdelijk functionaris of arbeidscontractant bij de Commissie te hebben gewerkt; tijdvakken van werkzaamheid bij de agentschappen of andere instellingen worden niet in aanmerking genomen; tijdvakken van werkzaamheid bij de Commissie als uitzendkracht, hulpfunctionaris, plaatselijk functionaris of gedetacheerd nationaal deskundige (GND) worden evenmin in aanmerking genomen.”
4
In dezelfde titel stond in artikel 2.3 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek het volgende te lezen betreffende het vereiste diploma en/of de vereiste werkervaring:
„[U dient te beschikken] over een diploma hoger onderwijs, of een diploma secundair onderwijs dat toegang geeft tot het hoger onderwijs, en relevante werkervaring van ten minste drie jaar, of een beroepsopleiding of beroepservaring van een gelijkwaardig niveau.”
5
Krachtens artikel 2 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek moesten alle toelatingsvoorwaarden zijn vervuld.
6
Op een niet nader bepaalde datum heeft verzoeker zich aangemeld voor intern vergelijkend onderzoek COM/02/AST/16 (AST 2).
7
Op 9 maart 2016, de uiterste datum voor aanmelding voor het vergelijkend onderzoek, kon verzoeker aantonen dat hij 38 maanden dienstanciënniteit had als arbeidscontractant in functiegroep III bij de Commissie.
8
Op 11 april 2016 heeft de jury van intern vergelijkend onderzoek COM/02/AST/16 (AST 2) verzoeker in kennis gesteld van haar besluit om verzoeker niet toe te laten tot het intern vergelijkend onderzoek (hierna: „bestreden besluit”), daar hij niet voldeed aan de voorwaarde in de aankondiging van vergelijkend onderzoek van een dienstanciënniteit van ten minste 42 maanden bij de Commissie (hierna: „litigieuze voorwaarde”).
9
Op 11 juli 2016 heeft verzoeker een klacht tegen het bestreden besluit ingediend.
10
Bij besluit van 19 oktober 2016, dat aan verzoeker is meegedeeld op dezelfde dag, heeft het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) de klacht van verzoeker afgewezen.
Procedure en conclusies van partijen
11
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 januari 2017, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
12
Op een daartoe strekkende vraag van de griffie van het Gerecht heeft verzoeker bij brief van 23 februari 2017 verklaard akkoord te gaan met de voeging van de onderhavige zaak met de zaken T‑73/17, RS/Commissie, en T‑79/17, Schoonjans/Commissie, voor de mondelinge behandeling.
13
Op 3 april 2017 heeft de Commissie haar verweerschrift ingediend.
14
Bij schrijven van 18 mei 2017 heeft verzoeker meegedeeld dat hij afzag van de indiening van een repliek.
15
Bij schrijven van 30 mei 2017 heeft verzoeker om een terechtzitting verzocht.
16
Bij beslissing van 14 november 2017 heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht beslist de onderhavige zaak en zaken T‑73/17, RS/Commissie, en T‑79/17, Schoonjans/Commissie, niet te voegen.
17
Partijen hebben ter terechtzitting van 18 januari 2018 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
18
Healy verzoekt het Gerecht:
–
het bestreden besluit nietig te verklaren;
–
de Commissie te verwijzen in de kosten.
19
De Commissie verzoekt het Gerecht:
–
het beroep te verwerpen;
–
verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
Argumenten van partijen
20
Ter ondersteuning van het beroep voert verzoeker één middel aan, in wezen ontleend aan een exceptie van onwettigheid van de litigieuze voorwaarde waarop het bestreden besluit is gebaseerd, omdat die de dwingende bepalingen van artikel 27, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) schendt. Door te eisen dat de kandidaten een dienstanciënniteit van ten minste 42 maanden hebben, heeft het TABG de toegang tot intern vergelijkend onderzoek COM/02/AST/16 (AST 2) op een onevenredige manier beperkt.
21
Volgens verzoeker verplicht artikel 27 van het Statuut het TABG er juist toe de aanwervingsprocedures op een zo breed mogelijke basis te voeren, waarbij elke beperking van het aantal personen die aan een intern vergelijkend onderzoek mogen deelnemen moet worden gerechtvaardigd, rekening houdend met de vereisten van de ambten waarin moet worden voorzien, en meer algemeen met het belang van de dienst.
22
De verplichte anciënniteit van 42 maanden bij de Commissie wordt niet gerechtvaardigd door het belang van de dienst. Deze doelstelling wordt overigens niet op systematische wijze nagestreefd, aangezien artikel 2.3 van titel III („Toelatingsvoorwaarden”) van de aankondiging van vergelijkend onderzoek bepaalt dat de kandidaten ten minste 36 maanden beroepservaring dienen te hebben.
23
Bovendien kan een dienstanciënniteit van 42 maanden volgens verzoeker niet automatisch als relevanter worden beschouwd dan een anciënniteit van 36 maanden die bij de Commissie is verworven. Afzonderlijk beschouwd, volstaat deze voorwaarde niet om het TABG in staat te stellen de beroepservaring van een functionaris en zijn geschiktheid voor de functies van het te vervullen ambt te beoordelen, aangezien daarbij geen rekening wordt gehouden met andere omstandigheden – zoals de verlenging van een vorige overeenkomst – waaruit die ervaring en geschiktheid blijkt.
24
Door te bepalen dat arbeidscontractanten in de functiegroepen II tot en met IV niet mogen deelnemen aan interne vergelijkende onderzoeken tenzij zij drie dienstjaren bij de instelling hebben volbracht, berust artikel 82, lid 7, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”), waarop de litigieuze voorwaarde is gebaseerd, in elk geval op het vermoeden dat arbeidscontractanten met minder dienstanciënniteit nooit kunnen worden beschouwd als potentiële kandidaten die kunnen voldoen aan de hoogste eisen van vakbekwaamheid voor de via interne vergelijkende onderzoeken te vervullen ambten.
25
Door te eisen dat de kandidaten kunnen aantonen dat zij 42 maanden dienstanciënniteit hebben, heeft de aankondiging van vergelijkend onderzoek bijgevolg een negatieve invloed gehad op het vermogen van het TABG om de verstandigste keuze uit een voldoende groot aantal kandidaten te maken, zulks in strijd met artikel 27, eerste alinea, van het Statuut. Onder meer op grond van het arrest van 31 maart 1965, Rauch/Commissie (16/64, EU:C:1965:29), is verzoeker ten slotte van mening dat deze voorwaarde te meer onwettig is daar de uitdrukking „intern vergelijkend onderzoek” voorheen in beginsel betrekking had op alle personen die zich in dienst van de instelling bevonden, in welke hoedanigheid ook.
26
De Commissie bestrijdt het betoog van verzoeker.
Beoordeling door het Gerecht
27
Volgens artikel 27, eerste alinea, van het Statuut dient „de aanwerving [...] erop gericht [te zijn] de instelling de medewerking te verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van vakbekwaamheid, prestatievermogen en integriteit aan de hoogste eisen voldoen en die uit de onderdanen van de lidstaten van de Unie zijn aangeworven met inachtneming van de breedst mogelijke geografische basis. Geen enkel ambt mag worden bestemd voor onderdanen van een bepaalde lidstaat”.
28
In de eerste plaats dienen de in de rechtspraak geformuleerde beginselen met betrekking tot de voorwaarden en wijzen van organisatie van een vergelijkend onderzoek in herinnering te worden gebracht.
29
Ten eerste heeft de aankondiging van vergelijkend onderzoek voornamelijk tot doel de belangstellenden zo nauwkeurig mogelijk in te lichten over de voor de betrokken post gestelde voorwaarden, zodat zij kunnen beoordelen of het voor hen dienstig is te solliciteren (zie arrest van 31 januari 2006, Giulietti/Commissie, T‑293/03, EU:T:2006:37, punt 63en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
Ten tweede beschikt de instelling in dit verband over een ruime beoordelingsvrijheid om de voor de te vervullen ambten vereiste geschiktheidscriteria vast te stellen en om met inachtneming van deze criteria en in het belang van de dienst te bepalen, onder welke voorwaarden en op welke wijze een vergelijkend onderzoek dient te worden georganiseerd (zie in die zin de arresten van 9 oktober 2008, Chetcuti/Commissie, C‑16/07 P, EU:C:2008: 549, punten 76 en 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 31 januari 2006, Giulietti/Commissie, T‑293/03, EU:T:2006:37, punt 63en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 december 2006, Heus/Commissie, T‑173/05, EU:T:2006:392, punt 36en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Het gebruik van de beoordelingsvrijheid waarover de instellingen ter zake van de organisatie van vergelijkende onderzoeken, en inzonderheid ter zake van de vaststelling van de toelatingsvoorwaarden beschikken, moet echter verenigbaar zijn met de dwingende bepalingen van artikel 27, eerste alinea, en artikel 29, lid 1, van het Statuut. Artikel 27, eerste alinea, van het Statuut formuleert op dwingende wijze het doel van elke aanwerving en artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalt dwingend op welke wijze in vacatures moet worden voorzien. Bijgevolg moet deze vrijheid steeds worden gebruikt met inachtneming van de eisen van de ambten waarin moet worden voorzien en, meer in het algemeen, van het belang van de dienst (zie arrest van 13 december 2006, Heus/Commissie, T‑173/05, EU:T:2006:392, punt 37en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook in die zin arrest van 17 november 2009, Di Prospero/Commissie, F‑99/08, EU:F:2009:153, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Specifiek de voorwaarden waarbij een beperking wordt gesteld aan de aanmelding van kandidaten voor een vergelijkend onderzoek, kunnen weliswaar de mogelijkheden verkleinen dat de instelling de beste kandidaten in de zin van artikel 27, eerste alinea, van het Statuut aanwerft, maar dit betekent niet dat elke voorwaarde waarbij een dergelijke beperking wordt gesteld in strijd is met het bovengenoemde artikel. De beoordelingsvrijheid van de administratie bij de organisatie van vergelijkende onderzoeken en, meer algemeen, het belang van de dienst geven de instelling immers het recht om de voorwaarden te stellen die zij geschikt acht en die, ofschoon zij de toegang van kandidaten tot een vergelijkend onderzoek en dus noodzakelijkerwijs het aantal aangemelde kandidaten beperken, niet het risico inhouden dat het doel in gevaar wordt gebracht, namelijk de aanmelding te verzekeren van kandidaten die voldoen aan de hoogste eisen van vakbekwaamheid, prestatievermogen en integriteit in de zin van artikel 27, eerste alinea, van het Statuut (zie in die zin arrest van 17 november 2009, Di Prospero/Commissie, F‑99/08, EU:F:2009:153, punt 30).
33
Van strijd met artikel 27, eerste alinea, van het Statuut is dus alleen sprake in geval van voorwaarden die de toegang van kandidaten tot een vergelijkend onderzoek beperken en die het risico inhouden dat het doel in gevaar wordt gebracht, namelijk de aanmelding te verzekeren van kandidaten die aan de hoogste eisen voldoen (zie in die zin arrest van 6 maart 1997, de Kerros en Kohn-Berge/Commissie, T‑40/96 en T‑55/96, EU:T:1997:28, punt 40, en 17 november 2009, Di Prospero/Commissie, F‑99/08, EU:F:2009:153, punt 32).
34
Ten derde dient in herinnering te worden gebracht dat de toetsing door het Gerecht van de voorwaarde inzake het belang van de dienst zich, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen op dit gebied beschikken, moet beperken tot de vraag of de instelling binnen redelijke, niet-discutabele grenzen is gebleven en haar beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt (zie in die zin arrest van 19 juni 2015, Z/Hof van Justitie, T‑88/13 P, EU:T:2015:393, punt 106).
35
In de tweede plaats moet de strekking van artikel 82, lid 7, eerste volzin, van de RAP worden vastgesteld.
36
Artikel 82, lid 7, eerste volzin, van de RAP bepaalt dat arbeidscontractanten in de functiegroepen II tot en met IV slechts aan interne vergelijkende onderzoeken mogen deelnemen nadat zij drie dienstjaren in de instelling hebben volbracht.
37
Ten eerste, en in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, heeft de Uniewetgever ervoor gekozen om in artikel 82, lid 7, eerste volzin, van de RAP de beoordelingsbevoegdheid van de instellingen te beperken door een drempel van drie jaar dienstanciënniteit vast te leggen. Onder deze drempel mogen arbeidscontractanten in de functiegroepen II tot en met IV, wat hun bekwaamheden en professionele verdiensten ook zijn, niet deelnemen aan interne vergelijkende onderzoeken. Een dergelijke beperking vloeit, gelet op artikel 29, lid 1, derde alinea, van het Statuut, voort uit het uitzonderlijke karakter van de organisatie van interne vergelijkende onderzoeken die openstaan voor die arbeidscontractanten. Deze uitlegging wordt voor het overige bevestigd bij lezing van de totstandkomingsgeschiedenis van verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (PB 2013, L 287, blz. 15). Zo had de Commissie juridische zaken van het Europees Parlement gepreciseerd dat arbeidscontractanten niet tot dergelijke vergelijkende onderzoeken mochten worden toegelaten tenzij „zij ten minste drie jaar [...] voor de betrokken instelling hadden gewerkt op de uiterste datum van ontvangst van de aanmeldingen” [amendement nr. 30 van het verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (COM[2011] 890 – C7‑0507/2011 – 2011/0455[COD]), blz. 26].
38
Ten tweede zijn reeds voor deze wetswijziging in de rechtspraak voorwaarden aanvaard betreffende een dienstanciënniteit van drie jaar (arresten van 6 maart 1997, de Kerros en Kohn-Berge/Commissie, T‑40/96 en T‑55/96, EU:T:1997:28, punt 47, en 17 november 2009, Di Prospero/Commissie, F‑99/08, EU:F:2009:153, punt 31), van vijf jaar (arrest van 13 december 2006, Heus/Commissie, T‑173/05, EU:T:2006:392, punten 38, 40 en 42) en van tien jaar (arrest van 21 november 2000, Carrasco Benítez/Commissie, T‑214/99, EU:T:2000:272, punten 56 en 61), aangezien de instelling in kwestie in die zaken haar ruime beoordelingsbevoegdheid betreffende de voorwaarde in verband met het belang van de dienst had uitgeoefend.
39
Ten derde is reeds geoordeeld dat de voorwaarde van een aantal jaren dienstanciënniteit een geschikt middel is om te waarborgen dat ambtenaren aan de eisen in artikel 27, eerste alinea, van het Statuut voldoen, en bijgevolg om het belang van de dienst te verzekeren. Een zekere anciënniteit en dus relevante ervaring bij de instellingen van de Europese Unie vormt immers een „duidelijke aanwijzing” dat aan bovengenoemde eisen is voldaan (zie in die zin arrest van 13 december 2006, Heus/Commissie, T‑173/05, EU:T:2006:392, punt 40en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
Door een dergelijke voorwaarde inzake anciënniteit kan worden verzekerd dat degenen die tot het intern vergelijkend onderzoek worden toegelaten, gedurende een bepaalde periode onderworpen zijn geweest aan de regeling die van toepassing is op het administratief personeel van de instellingen, meer bepaald aan de beoordelings- en tuchtregels, en dat zij in dat kader hun geschiktheid hebben bewezen. De aanwervingsprocedure verzekert de instelling dus van de medewerking van ambtenaren die uit een oogpunt van vakbekwaamheid, prestatievermogen en integriteit voldoen aan de hoogste eisen zoals die door de instellingen zelf zijn beoordeeld (zie in die zin arrest van 13 december 2006, Heus/Commissie, T‑173/05, EU:T:2006:392, punt 41).
41
Hieruit volgt dat, zoals de Commissie heeft aangevoerd, de instelling die bij wijze van uitzondering besluit uitzonderlijk een intern vergelijkend onderzoek dat openstaat voor arbeidscontractanten in de functiegroepen II tot en met IV te organiseren, verplicht is de drempel van drie jaar dienstanciënniteit als opgelegd door artikel 82, lid 7, eerste volzin, van de RAP te eerbiedigen. Het staat deze instelling echter vrij om, rekening houdend met haar ruime beoordelingsbevoegdheid en met inachtneming van de dwingende bepalingen van artikel 27, eerste alinea, en artikel 29, lid 1, van het Statuut, voor bepaalde ambten of categorieën van ambten strengere voorwaarden te stellen, met name het bezit van een hoger aantal dienstjaren dan het minimum in artikel 82, lid 7, eerste volzin, van de RAP (zie in die zin en naar analogie arrest van 13 juli 1989, Jaenicke Cendoya/Commissie, 108/88, EU:C:1989:325, punt 24).
42
In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, kan aan deze conclusie, die de uitsluiting van arbeidscontractanten die niet aan de door de instelling bepaalde voorwaarden inzake dienstanciënniteit voldoen met zich meebrengt, niet worden getornd door het feit dat de uitdrukking „intern vergelijkend onderzoek binnen de instelling” in beginsel betrekking had op al degenen die zich in dienst van de instelling bevonden, in welke hoedanigheid ook.
43
De verplichting om alle personen die zich in dienst van de instelling bevinden tot een daarbinnen georganiseerd vergelijkend onderzoek toe te laten, zou immers afbreuk doen aan de ruime beoordelingsbevoegdheid van die instelling (zie in die zin arresten van 9 oktober 2008, Chetcuti/Commissie, C‑16/07 P, EU:C:2008:549, punten 70 tot en met 76, en 24 september 2009, Brown/Commissie, F‑37/05, EU:F:2009:121, punt 68). Bijgevolg kan de functionarissen en de ambtenaren van een instelling geen absoluut recht op deelname aan een intern vergelijkend onderzoek van deze instelling zijn verleend (zie in die zin arresten van 6 maart 1997, de Kerros en Kohn-Berge/Commissie, T‑40/96 en T‑55/96, EU:T:1997:28, punt 39, en 8 november 2006, Chetcuti/Commissie, T‑357/04, EU:T:2006:339, punt 42).
44
In casu dient te worden vastgesteld dat de litigieuze voorwaarde, waarbij wordt geëist dat de kandidaten voor de interne vergelijkende onderzoeken een dienstanciënniteit van 42 maanden hebben, die niet noodzakelijk opeenvolgend hoeven te zijn, in overeenstemming is met de voorwaarde in verband met het belang van de dienst.
45
Uit de hierboven in de punten 38 tot en met 40 aangehaalde rechtspraak blijkt immers dat het vereiste van een bepaald aantal jaren dienstanciënniteit een „duidelijke aanwijzing” vormt dat de kandidaten voor de interne vergelijkende onderzoeken aan de in artikel 27, eerste alinea, van het Statuut voorgeschreven eisen voldoen.
46
In dat verband is in de aankondiging van vergelijkend onderzoek daarom uitdrukkelijk gepreciseerd dat het belang van de dienst vereist dat de aanwerving van tijdelijke functionarissen als ambtenaar de Commissie verzekert van de diensten van ambtenaren die aan de hoogste eisen van vakbekwaamheid, prestatievermogen en integriteit voldoen en dat in dat kader uitsluitend de kandidaten die een bewezen staat van dienst hebben in een bepaalde functiegroep, onmiddellijk operationele ambtenaren worden.
47
Zoals de Commissie in haar verweerschrift heeft opgemerkt, wordt met de organisatie van de interne vergelijkende onderzoeken in de aankondiging van vergelijkend onderzoek een tweeledig doel gediend wat het belang van de dienst betreft, te weten de regularisering van de situatie van bepaalde tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten door hen vast te benoemen en de aanwerving van personeel dat niet alleen hoog gekwalificeerd, maar ook onmiddellijk operationeel is.
48
Er dient nog op te worden gewezen dat de Commissie, in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht, een verslag van de vergadering van 11 december 2015 in het kader van het sociaal overleg over interne vergelijkende onderzoeken die openstaan voor arbeidscontractanten heeft toegezonden. Hieruit blijkt dat de Commissie aanvankelijk een dienstanciënniteit van vier jaar wilde eisen. De reden voor deze voorwaarde was ingegeven „door het feit dat door [vier] jaar beroepservaring bij de instellingen te eisen, men een zekere garantie had met betrekking tot de professionele kwaliteit van de betrokken functionarissen aangezien de overeenkomsten van die functionarissen waren verlengd”. Rekening houdend met de opmerkingen van verschillende vakbondsorganisaties die een dienstanciënniteit van drie jaar hadden voorgesteld, heeft de Commissie de duur in de litigieuze voorwaarde definitief vastgesteld op drie en een half jaar (blz. 4 van het verslag).
49
De Commissie wilde dus vanaf het begin dat de kandidaten een minimale dienstanciënniteit hadden, aanvankelijk van vier jaar en uiteindelijk van drie en een half jaar, wat een zekere waarborg met zich meebrengt wat hun professionele kwaliteit betreft. In die omstandigheden heeft deze instelling haar beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk onjuist gebruikt door in de aankondiging van vergelijkend onderzoek een voorwaarde inzake de dienstanciënniteit op te nemen die de minimale duur in artikel 82, lid 7, eerste volzin, van de RAP met slechts zes maanden overschrijdt.
50
Daarnaast kan ook het argument van verzoeker inzake de onverenigbaarheid van de litigieuze voorwaarde met het evenredigheidsbeginsel niet worden aanvaard.
51
Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist het evenredigheidsbeginsel dat de handelingen van de instellingen van de Unie geschikt zijn om de door de betrokken regeling nagestreefde legitieme doelstellingen te verwezenlijken en niet verder gaan dan wat daarvoor geschikt en noodzakelijk is (arrest van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a., C‑293/12 en C‑594/12, EU:C:2014:238, punt 46en aldaar aangehaalde rechtspraak). Rekening houdend met de ruime beoordelingsvrijheid waarover het TABG beschikt om de voor de te vervullen ambten vereiste geschiktheidscriteria vast te stellen, en om met inachtneming van deze criteria en meer algemeen in het belang van de dienst te bepalen onder welke voorwaarden en op welke wijze een vergelijkend onderzoek dient te worden georganiseerd (arrest van 5 februari 1997, Petit-Laurent/Commissie, T‑211/95, EU:T:1997:13, punt 54), kan daarnaast enkel de kennelijke ongeschiktheid van de litigieuze voorwaarde ter bereiking van het door de bevoegde instellingen nagestreefde doel de rechtmatigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek aantasten (zie in die zin arrest van 8 juni 2010, Vodafone e.a., C‑58/08, EU:C:2010:321, punt 52). Ten slotte dient eraan te worden herinnerd dat elk vergelijkend onderzoek bij de Unie erop gericht is, zoals volgt uit in artikel 27, eerste alinea, van het Statuut, de instelling, zoals elk orgaan, te verzekeren van de medewerking van ambtenaren die aan de hoogste eisen van vakbekwaamheid, prestatievermogen en integriteit voldoen (arrest van 14 april 2011, Clarke e.a./BHIM, F‑82/08, EU:F:2011:45, punt 181).
52
In dat verband blijkt ten eerste uit de overwegingen die zijn uiteengezet in de punten 44 tot en met 49 hierboven dat de voorwaarde inzake 42 maanden dienstanciënniteit geschikt is om het beoogde tweeledige doel te bereiken, te weten de regularisering van de situatie van bepaalde tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten door hen vast te benoemen en de aanwerving van personeel dat niet alleen hoog gekwalificeerd, maar ook onmiddellijk operationeel is.
53
Ten tweede gaat de litigieuze voorwaarde niet verder dan wat geschikt en noodzakelijk is om dat tweeledige doel te bereiken. Door 42 maanden dienstanciënniteit te eisen, overschrijdt zij slechts met zes maanden de minimale duur in artikel 82, lid 7, eerste volzin, van de RAP. Zoals is aangegeven in punt 38 hierboven, heeft het Gerecht al dienstanciënniteitsvoorwaarden van veel langer dan 42 maanden aanvaard, aangezien de instelling in kwestie, zoals in casu, haar ruime beoordelingsbevoegdheid had uitgeoefend op een manier die verenigbaar was met het belang van de dienst. Zoals de Commissie heeft gepreciseerd in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht, kwam 84 % van de 615 aangemelde kandidaten voor het intern vergelijkend onderzoek COM/02/AST/16 (AST 2) in aanmerking.
54
Deze laatste vaststelling volstaat ten slotte voor de afwijzing van het argument van verzoeker dat de litigieuze voorwaarde het voor het TABG onmogelijk maakte de aanwervingsprocedure op een zo breed mogelijke basis te voeren. Uit de cijfers die de Commissie heeft medegedeeld, blijkt immers dat 519 kandidaten hebben kunnen deelnemen aan het intern vergelijkend onderzoek in kwestie.
55
Gelet op een en ander dient te worden geoordeeld dat de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt door de litigieuze voorwaarde vast te stellen, en dat zij derhalve niet in strijd met de dwingende bepalingen van artikel 27, eerste alinea, van het Statuut heeft gehandeld.
56
De exceptie van onwettigheid moet dus worden afgewezen, zodat het beroep moet worden verworpen.
Kosten
57
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Negende kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
John Morrison Healy wordt verwezen in de kosten.
Gervasoni
Kowalik-Bańczyk
Mac Eochaidh
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 september 2018.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy