24.4.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 129/21
Beroep ingesteld op 14 februari 2017 — BTB Holding Investments en Duferco Participations Holding/Commissie
(Zaak T-100/17)
(2017/C 129/35)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: BTB Holding Investments SA (Luxemburg, Luxemburg), Duferco Participations Holding SA (Luxemburg) (vertegenwoordigers: J.-F. Bellis, R. Luff en M. Favart, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;
—
artikel 1, onder a), b) en d), en artikel 2 van het besluit van de Commissie van 20 januari 2016 in staatssteunzaak SA.33926 2013/C (ex 2013/NN, 2011/CP) betreffende door België aan Duferco verleende steun nietig verklaren;
—
verwerende partij verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters drie middelen aan met betrekking tot de eerste maatregel, namelijk de overdracht door Foreign Strategic Investment Holding (FSIH) van een deelneming van 49 % in Duferco US aan Duferco Industrial Investment.
1.
Eerste middel: de Commissie heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en beoordelingsfouten gemaakt met betrekking tot het criterium van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie en de voorwaarde van het bestaan van een voordeel zoals bedoeld in artikel 107, lid 1, VWEU. Bovendien is de Commissie haar motiveringsplicht niet nagekomen. Dit middel bestaat uit twee onderdelen:
—
eerste onderdeel: de Commissie heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en zij heeft het beginsel van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie en de regels inzake bewijslast geschonden door de toepasselijkheid en de toepassing van het criterium van de particuliere marktdeelnemer door elkaar te halen;
—
tweede onderdeel: de Commissie heeft haar besluit ontoereikend gemotiveerd, is onzorgvuldig geweest en heeft het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden. Verder heeft zij het beginsel van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie en artikel 107, lid 1, VWEU geschonden door het criterium van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie niet globaal te beoordelen om het bestaan van een voordeel aan te tonen.
2.
Tweede middel: de Commissie heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en beoordelingsfouten gemaakt door bij de beoordeling van het criterium van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie niet alle relevante elementen in aanmerking te nemen, niet de economische rationaliteit van de transactie te erkennen en geen rekening te houden met de wezenlijke argumenten inzake de winstgevendheid van de transactie. Aldus heeft zij inbreuk gemaakt op het beginsel van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie, is zij haar motiveringsplicht in de zin van artikel 296 VWEU niet nagekomen en heeft zij niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU. Dit middel bestaat uit drie onderdelen:
—
eerste onderdeel: de Commissie heeft verzuimd rekening te houden met alle relevante elementen;
—
tweede onderdeel: de Commissie heeft verzuimd de economische rationaliteit van de transactie in aanmerking te nemen;
—
derde onderdeel: de Commissie is haar motiveringsplicht niet nagekomen en heeft het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden en het criterium van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie niet correct toegepast door geen rekening te houden met de winstgevendheid van de investering van FSIH.
3.
Derde middel: de Commissie heeft blijk gegeven van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting en kennelijke beoordelingsfouten gemaakt, inbreuk gemaakt op de beginselen van zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur, het criterium van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie niet correct toegepast en de voorwaarden met betrekking tot het bestaan van een voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU geschonden, en is haar motiveringsplicht niet nagekomen door de deelname van FSIH in Duferco US onjuist te waarderen bij de berekening van het vermeende steunelement. Dit middel bestaat uit vijf onderdelen:
—
eerste onderdeel: de Commissie heeft ten onrechte verwezen naar de eigen middelen van Duferco US;
—
tweede onderdeel: de Commissie heeft de ondernemingswaarde niet correct in aanmerking genomen door de schulden van de onderneming niet in mindering te brengen;
—
derde onderdeel: de Commissie heeft enkel rekening gehouden met de resultaten van het boekjaar 2006;
—
vierde onderdeel: de Commissie heeft een willekeurig en te groot veelvoud toegepast;
—
vijfde onderdeel: de Commissie heeft bijna het integrale verslag van KPMG van 28 mei 2014 willekeurig van de hand gewezen.
Eén van de verzoeksters, BTB Holding Investments SA, voert voorts drie middelen aan met betrekking tot de tweede maatregel, namelijk de verkoop door FSIH van een deelneming van 25 % in Duferco Participations Holding Limited aan Bolmat Holding Limited.
1.
Eerste middel: de Commissie heeft blijk gegeven van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting en kennelijke beoordelingsfouten gemaakt, inbreuk gemaakt op het beginsel van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie en op de regels inzake de bewijslast en de in artikel 107, lid 1, VWEU vastgestelde voorwaarde van het bestaan van een voordeel geschonden. Ook is zij de in artikel 296 VWEU vastgestelde motiveringsplicht niet nagekomen door het criterium van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie onjuist toe te passen;
2.
Tweede middel: de Commissie heeft blijk gegeven van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting en kennelijke beoordelingsfouten gemaakt door geen rekening te houden met de wezenlijke elementen die de partijen hebben aangevoerd; aldus heeft zij inbreuk gemaakt op het beginsel van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie, de voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU geschonden en niet voldaan aan de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht in de zin van artikel 296 VWEU niet nakomt;
3.
Derde middel: de Commissie heeft blijk gegeven van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting en kennelijke beoordelingsfouten gemaakt bij de berekening van het vermeende steunelement, en aldus het beginsel van behoorlijk bestuur, het beginsel van een investeerder in een markteconomie en de artikelen 107, lid 1, en 296 VWEU geschonden.
Een van de verzoeksters, BTB Holding Investments SA, voert voorts twee middelen aan met betrekking tot de vierde maatregel, namelijk de lening ten gunste van Ultima Partners Limited.
1.
Eerste middel: de Commissie heeft de feiten kennelijk onjuist beoordeeld en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de comparatieve benadering te verwerpen, wat in strijd is met het beginsel van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie, met artikel 107, lid 1, VWEU wat het bestaan van een voordeel betreft, met de motiveringsplicht en met de algemene beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen en behoorlijk bestuur.
2.
Tweede middel: de Commissie heeft de feiten kennelijk onjuist beoordeeld en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de vaststelling van de referentievoeten, waardoor het criterium van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie onjuist is toegepast en de voorwaarde van het bestaan van een voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU is geschonden. Dit middel bestaat uit twee onderdelen:
—
eerste onderdeel: de Commissie heeft ten onrechte een BB-notering toegekend aan Ultima Partners Limited, wat in strijd is met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; bovendien is zij op dit punt haar motiveringsplicht in de zin van artikel 296 VWEU niet nagekomen;
—
tweede onderdeel: de Commissie heeft kennelijke beoordelingsfouten gemaakt bij de kwalificatie van de aan FSIH verleende zekerheden, wat in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en bescherming van het gewettigd vertrouwen; bovendien is zij op dit punt haar motiveringsplicht in de zin van artikel 296 VWEU niet nagekomen.
Full & Egal Universal Law Academy