10.4.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 112/47
Beroep ingesteld op 17 februari 2017 — JPMorgan Chase e.a./Commissie
(Zaak T-106/17)
(2017/C 112/66)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: JPMorgan Chase & Co. (New York, New York, Verenigde Staten), JPMorgan Chase Bank, National Association (Columbus, Ohio, Verenigde Staten), J.P. Morgan Services LLP (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: D. Rose, QC, J. Boyd, M. Lester, D. Piccinin en D. Heaton, Barristers, en B. Tormey, N. French, N. Frey en D. Das, Solicitors)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietigverklaring van besluit C(2016) 8530 final in zaak AT.39914 — rentederivaten in euro — (hierna: „besluit”), van de Europese Commissie van 7 december 2016, voor zover het de verzoekende partijen betreft;
—
subsidiair: verlaging van de aan de verzoekende partijen opgelegde geldboete;
—
verwijzing van de Commissie in de kosten van de verzoekende partijen.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen zes middelen aan.
1.
Eerste middel: de Commissie heeft niet aangetoond dat de gedragingen van de verzoekende partijen tot doel hadden om de EURIBOR-looptijden of EONIA (benchmarkrentetarieven) te manipuleren; het bewijs toont aan dat de verzoekende partijen geen mededingingsverstorend doel in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst (hierna: „artikel 101”) nastreefden.
2.
Tweede middel: voorts of subsidiair heeft de Commissie blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de vermeende manipulatie van de EURIBOR-looptijden of EONIA ertoe strekte de mededinging te verhinderen, beperken of vervalsen in de zin van artikel 101.
3.
Derde middel: in het bestreden besluit is partijen enkel verweten dat zij de mededinging beoogden te verstoren door de EURIBOR-looptijden of EONIA te manipuleren, zodat de Commissie nu geen andere mededingingsverstorende doelen kan aanvoeren of vaststellen.
4.
Vierde middel, subsidiair: de Commissie heeft niet aangetoond dat de verzoekende partijen aan één enkele en voortdurende inbreuk hebben deelgenomen. In het bijzonder hadden de gedragingen die de Commissie in strijd met artikel 101 heeft geacht, niet maar één enkel doel; meer subsidiair waren de verzoekende partijen niet op de hoogte van de inbreukmakende gedragingen van de andere partijen en hadden zij dat redelijkerwijs ook niet kunnen voorzien; nog meer subsidiair hadden de verzoekende partijen met hun gedragingen niet de bedoeling bij te dragen tot een gemeenschappelijk plan met een mededingingsverstorend doel.
5.
Vijfde middel: door vooruit te lopen op de uitkomst van de zaak tegen de verzoekende partijen door de manier waarop zij de „hybride” geschillenbeslechting heeft toegepast, en door de op de zaak vooruitlopende uitlatingen van commissaris Almunia, heeft de Commissie gehandeld in strijd met de grondbeginselen van EU-recht, behoorlijk bestuur, het vermoeden van onschuld en de rechten van verdediging van de verzoekende partijen.
6.
Zesde middel, voorts of subsidiair: de Commissie heeft de aan de verzoekende partijen opgelegde geldboete op een aantal manieren verkeerd berekend en het Gerecht zou deze geldboete dienen te verlagen. De Commissie (a) had zich meer op verzachtende omstandigheden en minder op verzwarende omstandigheden en aanpassingen uit hoofde van „leergeld” („entry fee”) moeten baseren, om de bijkomstige en andere rol van de verzoekende partijen weer te geven, zoals vastgesteld door de Commissie; (b) heeft niet ten aanzien van elke partij dezelfde methode toegepast ter berekening van de waarde van verkopen, met als gevolg dat de verzoekende partijen zonder objectieve rechtvaardigingsgrond minder gunstig zijn behandeld; (c) had een grotere verlaging moeten toepassen op de cijfers van de geldinkomsten van de verzoekende partijen, om hun relatieve economische kracht weer te geven; en (d) had bij de berekening van de waarde van de verkopen, de EONIA-verkopen niet mogen meenemen.
Full & Egal Universal Law Academy