15.5.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 151/37
Beroep ingesteld op 22 februari 2017 — Enosi Syntaxiouchon Tameiou Asfaliseon Michanikon kai Ergolipton Dimosion Ergon/ECB
(Zaak T-124/17)
(2017/C 151/48)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Enosi Syntaxiouchon Tameiou Asfaliseon Michanikon kai Ergolipton Dimosion Ergon (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: P. Miliarakis, advocaat)
Verwerende partij: Europese Centrale Bank
Conclusies
—
het beroep gegrond verklaren;
—
verweerster, de Europese Centrale Bank (ECB), gelasten om voor rekening van de tak TSMEDE [ingenieurs en aannemers van openbare werken] aan de huidige socialezekerheidsinstantie EFKA de volgende bedragen te betalen: a) 1 606 539 086,28 EUR in nominale waarde voor het gemeenschappelijke fonds van het voormalige ETAA, en b) 84 285 086,36 EUR voor de obligaties, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de instelling van het onderhavige beroep tot aan de betaling (subsidiair, de ECB veroordelen tot betaling van het compensatiebedrag dat in het deskundigenrapport is vermeld);
—
overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering een deskundigenonderzoek gelasten met het oog op de vaststelling van het precieze bedrag van de schade die de leden van verzoekster hebben geleden en in elk geval de schade die door de tak TSMEDE van het voormalige ETAA, thans de EFKA, is geleden;
—
verweerster gelasten om inzage te geven in de overeenkomst van 15 februari 2012 die met de Helleense Republiek is gesloten, en
—
de ECB verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij het volgende aan:
1.
Met het onderhavige beroep wordt gesteld dat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB is ingetreden omdat bij een socialezekerheidsinstantie, zijnde een financiële instelling, geen sprake is geweest van Private Sector Involvement (PSI), maar van Official Sector Involvement (OSI).
2.
Met het onderhavige beroep komt de band tussen de Bank van Griekenland, als lid van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB), en de ECB naar voren, en daarmee ook het causale verband bij de wijze waarop de OSI door de Bank van Griekenland is aangestuurd en de aansprakelijkheid wegens nalaten van de ECB bij het verlenen van toestemming voor de OSI door een lid van het ESCB. Bij het onderhavige beroep is voorts de aansprakelijkheid van de ECB voor het functioneren van de Collective Action Clauses (CAC’s) ten nadele van socialezekerheidsinstanties aan de orde.
3.
Met het onderhavige beroep wordt tevens aangevoerd dat ook de niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB is komen vast te staan omdat die heeft nagelaten om tijdig en in elk geval vanaf 21 juli 2011 (subsidiair vanaf 26 oktober 2011) het besluit van 6 mei 2010 (ECB 2010/3-2010/268/ΕU) in te trekken. Daarbij had de ECB met name gegarandeerd dat de Griekse obligaties geldig waren „ongeacht enige externe kredietbeoordeling” (onder verwijzing naar de beoordelingen van de ratingbureaus Standard & Poor’s, Fitch and Moody’s). Met overdreven grote vertraging heeft de ECB haar besluit van 6 mei 2010 pas op 27 februari 2012 ingetrokken bij besluit (ECB) 2012/122/EU. Door haar stilzitten heeft de ECB dus gedurende geruime tijd steun geboden aan het gewettigd vertrouwen in de Griekse obligaties.
4.
Bij het onderhavige beroep komt ook naar voren dat de ECB door de OSI buiten de herstructurering van de Griekse staatschuld is gehouden, zoals ook de nationale centrale banken daar door haar interventie van zijn uitgesloten. Dergelijke uitsluitingen zijn in elk geval in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
5.
Met het onderhavige beroep wordt ook gesteld dat een lidstaat van de Europese Unie en van meer bepaald de eurozone niet zonder toestemming of impliciete instemming van de ECB eenzijdig kan overgaan tot het treffen van maatregelen in de interne rechtsorde (parlement — raad van ministers — ministeriële besluiten) om de staatsschuld eenzijdig te herstructureren, omdat er anders financiële chaos zou ontstaan. In de onderhavige zaak was er impliciete instemming van de ECB, zodat haar niet-contractuele aansprakelijkheid ter hoogte van 53,3 % van de verliezen is ingetreden, wat het eigendomsrecht in de kern raakt. Tevens wordt aangetoond dat er een causaal verband is tussen de aansprakelijkheid wegens nalaten van de ECB en de verliezen in kwestie, het gedrag van haar organen en haar niet-contractuele aansprakelijkheid.
Full & Egal Universal Law Academy