24.4.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 129/36
Beroep ingesteld op 9 maart 2017 — Deichmann/Commissie
(Zaak T-154/17)
(2017/C 129/55)
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partij: Deichmann SE (Essen, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Willems, S. De Knop en M. Meulenbelt, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
dit verzoekschrift ontvankelijk te verklaren;
—
uitvoeringsverordening (EU) 2016/2257 van de Commissie van 14 december 2016 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Chengdu Sunshine Shoes Co. Ltd, Foshan Nanhai Shyang Yuu Footwear Ltd en Fujian Sunshine Footwear Co. Ltd, en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 nietig te verklaren; en
—
de Commissie in de kosten te verwijzen.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan eens schending van artikel 5, leden 1 en 2, VEU wegens het gebrek aan rechtsgrondslag van de bestreden verordening. Subsidiair voert verzoekster aan dat de Commissie niet bevoegd was om de bestreden verordening aan te nemen.
2.
Tweede middel, ontleend aan een schending van artikel 266 VWEU door het verzuim maatregelen te treffen die nodig zijn om het arrest van 4 februari 2016, C & J Clark International (C-659/13 en C-34/14, EU:C:2016:74) uit te voeren.
3.
Derde middel, ontleend aan een schending van artikelen 1, lid 1, en 10, lid 1, van verordening (EU) 2016/1036 (1) en het rechtszekerheidsbeginsel door antidumpingrechten in te stellen op het invoeren van schoeisel ingevoerd tijdens de toepassingsperiode van verordeningen 1472/2006 (2) en 1294/2009 (3).
4.
Vierde middel, ontleend aan een schending van artikel 21 van verordening (EU) 2016/1036 doordat de antidumpingrechten zijn ingesteld zonder een nieuwe beoordeling van het Uniebelang. Volgens verzoekster zou het in ieder geval kennelijk onjuist zijn om te besluiten dat het instellen van de antidumpingrechten in het belang van de Unie was.
5.
Vijfde middel, ontleend aan een schending van artikel 5, leden 1 en 4, VEU door een handeling vast te stellen die verder gaat dan hetgeen nodig is om het doel ervan te bereiken.
(1) Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21).
(2) Verordening (EG) nr. 1472/2006 van de Raad van 5 oktober 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam (PB 2006, L 275, blz. 1).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 van de Raad van 22 december 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad (PB 2009, L 352, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy