15.5.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 151/45
Beroep ingesteld op 27 maart 2017 — Naftogaz of Ukraine/Commissie
(Zaak T-196/17)
(2017/C 151/58)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: NJSC Naftogaz of Ukraine (Kiev, Oekraïne) (vertegenwoordigers: D. Mjaaland, A. Haga, P. Grzejszczak en M. Krakowiak, lawyers)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietigverklaring van besluit C(2016) 6950 van de Commissie van 28 oktober 2016 houdende herziening van de krachtens richtlijn 2003/55/EG toegekende ontheffing van de Ostsee-Pipeline-Anbindungsleitung van de vereisten inzake de toegang van derde partijen en tariefregulering, en
—
verwijzing van de Europese Commissie in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.
1.
Eerste middel: het besluit van de Commissie van 2016 is nietig wegens onbevoegdheid.
—
Artikel 36, lid 9, van richtlijn 2009/73/EG verleent de Commissie niet de bevoegdheid tot goedkeuring van een beslissing van een regelgevende autoriteit houdende wijziging van een krachtens artikel 36, lid 1, van deze richtlijn toegekende ontheffing die zij eerder had toegestaan.
—
Subsidiair, indien de Commissie bevoegd is om een dergelijke beslissing goed te keuren, is dat enkel in een beperkt aantal situaties het geval, bijvoorbeeld wanneer de omstandigheden sinds haar vorig goedkeuringsbesluit wezenlijk zijn gewijzigd. Zo niet zou het rechtszekerheidsbeginsel in gevaar komen. In de onderhavige zaak was de Commissie niet bevoegd om het besluit vast te stellen.
2.
Tweede middel: artikel 36, lid 1, van richtlijn 2009/73/EG is geschonden.
—
Subsidiair, indien de Commissie in beginsel bevoegd is om het betrokken besluit vast te stellen, kan zij dit enkel rechtmatig doen indien de criteria van artikel 36, lid 1, van richtlijn 2009/73/EG zijn vervuld.
—
Het besluit is vastgesteld in strijd met artikel 36, lid 1, onder a), van deze richtlijn. Het besluit zal de mededinging voor de levering van gas niet versterken en de leverings- en voorzieningszekerheid in EU-landen in Midden- en Oost-Europa en de Energiegemeenschap niet verhogen.
—
Het besluit is vastgesteld in strijd met artikel 36, lid 1, onder b), van die richtlijn. Elk investeringsrisico ontbreekt, aangezien de betrokken pijpleiding in gebruik is sinds juli 2011.
—
Het besluit is vastgesteld in strijd met artikel 36, lid 1, onder e), van diezelfde richtlijn. Het besluit doet afbreuk aan de mededinging en aan de efficiënte werking van de interne markt in de EU en de Energiegemeenschap, aangezien het de dominante positie van PJSC Gazprom en haar gelieerde ondernemingen op de relevante geografische markt versterkt en tot de opdeling van de interne markt volgens nationale grenzen leidt.
3.
Derde middel: het besluit is ontoereikend gemotiveerd.
—
Anders dan artikel 296 VWEU verlangt, bevat het besluit onvoldoende redenen en bewijs ter ondersteuning van de argumenten van de Commissie.
4.
Vierde middel: artikel 216, lid 2, VWEU is geschonden.
—
Volgens artikel 216, lid 2, VWEU zijn de door de Europese Unie gesloten overeenkomsten verbindend voor de instellingen van de Unie.
—
Door het besluit wordt het regelgevings- en marktkader voor het stimuleren van investeringen in gasnetwerken verstoord, wordt de leverings- en voorzieningszekerheid verminderd en wordt de ontwikkeling van de mededinging belemmerd, hetgeen schending oplevert van artikel 6 van het Verdrag tot Oprichting van de Energiegemeenschap. Het besluit maakt het voor Gazprom mogelijk om misbruik te maken van haar dominante positie op de relevante markt, in strijd met artikel 18 van het Verdrag inzake de Energiegemeenschap.
—
Het besluit heeft nadelige gevolgen voor de mededinging in de energiesector, in strijd is artikel 6, lid 1, van het Verdrag inzake het Energiehandvest. Het besluit verleent Gazprom als investeerder een voorkeursbehandeling ten koste van de investeringen van Naftogaz in het gastransportsysteem van Oekraïne, wat indruist tegen artikel 10, lid 1, van het Energiehandvest.
—
Het besluit is vastgesteld zonder overleg of samenwerking met Oekraïne, in strijd met artikel 274 van de Associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne.