15.5.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 151/46
Beroep ingesteld op 28 maart 2017 — Abel e.a./Commissie
(Zaak T-197/17)
(2017/C 151/59)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Marc Abel (Montreuil, Frankrijk) en 1 438 andere verzoekers (vertegenwoordiger: J. Assous, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:
—
vast te stellen dat de Europese Commissie onrechtmatig heeft gehandeld;
—
vast te stellen dat verzoekers schade hebben geleden door de vaststelling van verordening (EU) 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft;
—
de Europese Commissie te veroordelen tot betaling van 1 000 EUR ter vergoeding van de morele schade die verzoekers door de vaststelling van voormelde verordening hebben geleden en tot betaling van 1 symbolische euro ter vergoeding van materiële schade;
—
de Europese Commissie te gelasten, de in verordening (EU) 2016/646 vastgelegde „definitieve conformiteitsfactor” onmiddellijk terug te brengen tot 1, en af te zien van de „tijdelijke conformiteitsfactor”2,1;
—
de Europese Commissie in te kosten te verwijzen.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van het beroep voeren de verzoekende partijen de volgende middelen aan:
1.
Verweerster heeft onjuist gehandeld bij de vaststelling van de bestreden verordening, in de uitoefening van de bevoegdheid die haar door het Europees Parlement en de Raad bij verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB 2007, L 171, blz. 1) was gedelegeerd overeenkomstig besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden, meer in het bijzonder door:
—
schending van voorschriften van primair en afgeleid Unierecht op milieugebied;
—
schending van subsidiaire normen van gemeenschapsrecht, zoals de beginselen van non-regressie, voorzorg, preventie, optreden aan de bron en betaling door de vervuiler;
—
onjuiste toepassing van de procedureregels, daar de Commissie geen gebruik kon maken van de procedure van reglementering met controle om een wezenlijk onderdeel van verordening (EG) nr. 715/2007 te wijzigen;
—
schending van wezenlijke vormvoorschriften, doordat de bestreden verordening niet tot stand is gekomen met de democratische waarborgen die worden geboden wanneer de gewone wetgevingsprocedure van codecisie van het Europees Parlement en de Raad wordt gevolgd.
2.
Er is sprake van reële en zekere schade en er bestaat een rechtstreeks causaal verband tussen het gedrag van de Commissie en de beweerde schade.
Full & Egal Universal Law Academy