29.5.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 168/30
Beroep ingesteld op 31 maart 2017 — Printeos/Commissie
(Zaak T-201/17)
(2017/C 168/39)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Printeos, S.A. (Alcalá de Henares, Spanje) (vertegenwoordigers: H. Brokelmann en P. Martínez-Lage Sobredo, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU of, subsidiair, artikel 266, eerste alinea, artikel 268 en artikel 340, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie de Commissie veroordelen tot betaling van:
a)
een financiële vergoeding voor de periode van 9 maart 2015 tot en met 1 februari 2017, waarvan de hoogte overeenkomt met compenserende rente over het bedrag van 4 729 000 EUR tegen het door de Europese Centrale Bank gehanteerde tarief voor haar herfinancieringstransacties, vermeerderd met 2 punten, wat een bedrag van 184 592,95 EUR oplevert, dan wel subsidiair tegen een door het Gerecht wenselijk geacht tarief, en
b)
vertragingsrente over het uit onder a) voortvloeiende bedrag aan compenserende rente voor de periode van 1 februari 2017 tot en met de datum waarop de Commissie het onder a) gevraagde bedrag daadwerkelijk betaalt in geval van toewijzing van de onderhavige vordering, welke vertragingsrente wordt berekend tegen het door de Europese Centrale Bank gehanteerde tarief voor haar herfinancieringstransacties, vermeerderd met 3,5 punten, dan wel subsidiair tegen een door het Gerecht wenselijk geacht tarief;
—
subsidiair, krachtens artikel 263 VWEU het besluit van de Commissie van 26 januari 2017 nietig verklaren, volgens welk besluit alleen de hoofdsom van de ter uitvoering van het enveloppenbesluit ten onrechte betaalde geldboete wordt terugbetaald, exclusief rente;
—
de Commissie in elk geval verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep strekt primair tot schadevergoeding en is gericht op het verkrijgen van een financiële vergoeding ter waarde van de rente die de Commissie had moeten betalen bij het terugbetalen van de hoofdsom van de geldboete die ten onrechte is betaald ter uitvoering van besluit C (2014) 9295 final van de Commissie van 10 december 2014 in een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (AT.39780 — Enveloppen) (enveloppenbesluit), gelet op de nietigverklaring daarvan bij het arrest van het Gerecht van 13 december 2016 in zaak T-95/15, Printeos e.a./Commissie (Printeos-arrest). Subsidiair wordt verzocht om nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 26 januari 2017, waarbij verzoeksters verzoek tot betaling van de genoemde rente is afgewezen.
1.
Ter onderbouwing van het beroep tot schadevergoeding betoogt verzoekster dat het verzoek tot verkrijging van een financiële vergoeding is gebaseerd op artikel 266, eerste alinea, VWEU, aangezien de Commissie het Printeos-arrest niet ten volle heeft uitgevoerd doordat de desbetreffende rente niet is betaald, dan wel subsidiair op artikel 266, tweede alinea, VWEU, artikel 340, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, vanwege de schade die is geleden als gevolg van het enveloppenbesluit en de onvolledige uitvoering van het Printeos-arrest.
In dit verband wordt gesteld dat er voor het onrechtmatige handelen van de Commissie geen rechtsgrondslag bestaat, daar verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 357, blz. 1), waarop de Commissie zich in haar besluit van 26 januari 2017 beroept, reeds was ingetrokken en aangenomen moet worden dat gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB 2012, L 362, blz. 1) zich niet verdraagt met de artikelen 266 en 340 VWEU en de artikelen 41, lid 3, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2.
Ter onderbouwing van het subsidiair ingestelde beroep tot nietigverklaring betoogt verzoekster dat het besluit van de Commissie van 26 januari 2017 is gebaseerd op een rechtsgrondslag die was ingetrokken, niet van toepassing was en in elk geval moest worden aangemerkt als onrechtmatig, hieraan toevoegende dat zij in dit verband ook een exceptie van onwettigheid opwerpt.
Full & Egal Universal Law Academy