22.5.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 161/39
Beroep ingesteld op 5 april 2017 — Alfa Laval Flow Equipment (Kunshan)/Commissie
(Zaak T-204/17)
(2017/C 161/55)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekende partij: Alfa Laval Flow Equipment Co. Ltd (Kunshan, Volksrepubliek China) (vertegenwoordigers: A. Johansson en C. Dackö, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
uitvoeringsverordening (EU) 2017/141 van de Commissie van 26 januari 2017 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde roestvrijstalen hulpstukken voor buisleidingen, door stomplassen te bevestigen, al dan niet afgewerkt, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Taiwan (hierna: „uitvoeringsverordening”) gedeeltelijk nietig verklaren, namelijk voor zover deze verordening betrekking heeft op hulpstukken voor busleidingen waarbij de gemiddelde ruwheid (Ra) van de oppervlakteafwerking minder dan 0,8 μm bedraagt aan de binnenkant van de busleidingen, maar niet aan de buitenkant ervan;
—
subsidiair, de uitvoeringsverordening nietig verklaren voor zover zij verzoekster betreft;
—
eveneens subsidiair, de uitvoeringsverordening in haar geheel nietig verklaren;
—
de Commissie verwijzen in de kosten van het geding.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van de rechten van de verdediging
Verzoekster voert aan dat de lijst van onderzochte producten te haren nadele is gewijzigd tussen de herziening van de definitieve mededeling en de vaststelling van de uitvoeringsverordening. Zij stelt dat de Commissie naderhand heeft gepreciseerd dat een materiële wijziging werd beoogd. Verzoekster is niet in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over de wijziging voordat de verordening in werking trad. Volgens haar heeft de Commissie in geen enkel stadium van het onderzoek de betrokken partijen in kennis gesteld van het feit dat de eis inzake oppervlakteafwerking waaraan producten moeten voldoen om niet onder de antidumpingrechten te vallen — in afwijking van Europese productnormen voor sanitaire hulpstukken — betrekking zou kunnen hebben op de ruwheid van de producten aan zowel de binnen- als de buitenkant ervan. Verzoekster heeft er derhalve gerechtvaardigd op vertrouwd dat de uitsluiting van producten samenviel met het geëxpliciteerde doel sanitaire hulpstukken uit te sluiten, zodat haar een reële mogelijkheid is ontnomen om opmerkingen te maken over de omvang van die uitsluiting.
2.
Tweede middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht
Verzoekster betoogt dat de Commissie op geen enkel ogenblik heeft gemotiveerd waarom zij een onderscheid maakt tussen enerzijds sanitaire hulpstukken waarvan de inwendige oppervlakteafwerking een ruwheid van minder dan 0,8 μm en de uitwendige oppervlakteafwerking een ruwheid van meer dan 0,8 μm heeft, en anderzijds sanitaire hulpstukken waarvan zowel de inwendige als de uitwendige oppervlakteafwerking een ruwheid van minder dan 0,8 μm heeft. Volgens verzoekster heeft de invoering van dat onderscheid tot gevolg dat de door de Commissie aangedragen redenen voor de uitsluiting van producten onlogisch zijn en niet stroken met de in artikel 1 van de uitvoeringsverordening gegeven omschrijving van de producten waarop de antidumpingrechten van toepassing zijn.
3.
Derde middel: niet-nakoming van de verplichting om zorgvuldig en onpartijdig alle omstandigheden te onderzoeken die relevant zijn in het concrete geval
Verzoekster voert aan dat het tussen verschillende sanitaire hulpstukken gemaakte onderscheid niet door een zorgvuldig onderzoek lijkt te zijn voorafgegaan, maar enkel lijkt te zijn voortgekomen uit een ongemotiveerd verlangen van een betrokken partij in een zeer laat stadium van het onderzoek. Volgens verzoekster is de Commissie tekortgeschoten in de op haar rustende verplichting om zorgvuldig en onpartijdig de relevante omstandigheden te onderzoeken, doordat zij heeft nagelaten nader te onderzoeken welke consequenties dat onderscheid heeft en hoe het van invloed is op de verwezenlijking van het doel dat in de overwegingen van de uitvoeringsverordening wordt omschreven.
4.
Vierde middel: kennelijk onjuiste beoordeling
Verzoekster betoogt dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt doordat zij criteria heeft opgesteld om sanitaire hulpstukken uit te sluiten die niet concurreren met industriële hulpstukken die worden vervaardigd door de industrie van de Europese Unie, maar deze uitsluitingscriteria aldus heeft geformuleerd dat slechts een klein deel van de binnen de Europese Unie gebruikte sanitaire hulpstukken wordt uitgesloten. Het merendeel van de sanitaire hulpstukken wordt bijgevolg door de antidumpingrechten getroffen, ook al concurreren zij niet met de producten die worden vervaardigd door de industrie van de Europese Unie. Volgens verzoekster heeft de Commissie kennelijk onjuiste conclusies getrokken uit de ontvangen stukken en is zij zelfs afgegaan op onjuiste gegevens.
Full & Egal Universal Law Academy