19.6.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 195/35
Beroep ingesteld op 19 april 2017 — Zhejiang Jndia Pipeline Industry/Commissie
(Zaak T-228/17)
(2017/C 195/49)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Zhejiang Jndia Pipeline Industry Co. Ltd (Wenzhou, China) (vertegenwoordiger: S. Hirsbrunner, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
uitvoeringsverordening (EU) 2017/141 van de Commissie van 26 januari 2017 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde roestvrijstalen hulpstukken voor buisleidingen, door stomplassen te bevestigen, al dan niet afgewerkt, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Taiwan (PB 2017, L 22, blz. 14) nietig verklaren voor zover zij betrekking heeft op verzoekster;
—
de Commissie en iedereen die in de loop van de procedure wordt toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie, verwijzen in de proceskosten van verzoekster.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.
1.
Eerste middel: de Commissie heeft verschillende kennelijke beoordelingsfouten gemaakt door te oordelen dat roestvrijstalen hulpstukken voor buisleidingen, door stomplassen te bevestigen, (RHBSB) die aan de VS- of de EU- normen voldoen, uitwisselbaar zijn
—
De Commissie is tekortgeschoten in haar verplichting tot onpartijdige beoordeling van relevant bewijsmateriaal doordat verschillende feitelijke overwegingen betreffende de uitwisselbaarheid in de bestreden verordening onjuist, tegenstrijdig of misleidend zijn. In het bijzonder de stelling dat de enige importeur die medewerking heeft verleend, geen relevant bewijsmateriaal heeft overgelegd, is onjuist.
—
De Commissie is ten onrechte ervan uitgegaan dat de RHBSB zowel een certificering van overeenstemming met de Europese normen als een certificering van overeenstemming met de VS-normen hadden. Zij heeft zich daarvoor uitsluitend gebaseerd op ongegronde, door de klager op het allerlaatste ogenblik afgelegde verklaringen waarvan voor het eerst in de bestreden verordening zelf is gebleken.
2.
Tweede middel: de Commissie heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt, heeft geen passende redenering gevolgd met betrekking tot de aanpassing van de normale waarde en heeft daarvoor een tegenstrijdige motivering verstrekt
—
De Commissie heeft zich voor het bepalen van de passende omvang van de aanpassing ten onrechte gebaseerd op gegevens betreffende de kosten en het productieproces van de bedrijfstak in de EU. Zij heeft het op gegevens betreffende de Chinese markt gebaseerde voorstel voor aanpassing om ongerechtvaardigde redenen afgewezen.
—
Dienaangaande maakt de bestreden verordening inbreuk op artikel 20 van de basisverordening en op artikel 296 VWEU en is zij bovendien ontoereikend gemotiveerd.
3.
Derde middel: de vaststelling van de in aanmerking te nemen periode berust op een kennelijke beoordelingsfout
—
De Commissie is op willekeurige wijze tewerk gegaan door een alternatieve periode buiten beschouwing te laten ofschoon zij uit een eerder onderzoek over de relevante gegevens beschikte.
4.
Vierde middel: de procedure die tot de bestreden verordening heeft geleid, was niet in overeenstemming met algemene beginselen van het EU-recht, zoals het beginsel van behoorlijk bestuur, het transparantiebeginsel en het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging van verzoekster.
—
De Commissie heeft verzoekster niet tijdig na de mededeling van de voorlopige bevindingen in kennis gesteld van de „informatie waarover zij beschikte”. Toen de Commissie die informatie, samen met andere gegevens en informatie, voor het eerst heeft verstrekt bij de mededeling van de definitieve bevindingen, heeft zij verzoekster niet voldoende tijd gegeven om deze informatie op zinvolle wijze te beoordelen.
—
Zij heeft de rechten van verdediging van verzoekster geschonden door deze niet de gelegenheid te geven opmerkingen in te dienen over belangrijke bevindingen die waren gebaseerd op verklaringen die door de klager op het allerlaatste ogenblik waren afgelegd en niet waren geverifieerd, verklaringen waarvan voor het eerst in de bestreden verordening is gebleken.
5.
Vijfde middel: de bestreden verordening, die is vastgesteld op 26 januari 2017, stelt het aan verzoekster opgelegde antidumpingrecht ten onrechte vast overeenkomstig de basisverordening, die voorziet in een uitzonderlijke methode voor de berekening van de normale waarde van invoer uit de Volksrepubliek China, namelijk de referentielandmethode, ofschoon het recht van de EU om een dergelijke uitzonderlijke behandeling toe te passen op 11 december 2016 is vervallen.
—
De Europese Unie heeft zichzelf verbonden tot inachtneming van de specifieke bepalingen van het Protocol inzake de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) bij wege van het besluit van de Raad houdende goedkeuring van die toetreding. Als instelling van de EU is de Commissie verplicht bij de uitoefening van haar bevoegdheden de door de Unie aangegane internationale verplichtingen in acht te nemen.
—
De bestreden verordening is bovendien onverenigbaar met de verplichting van de EU om haar antidumpingvoorschriften overeenkomstig het internationale recht uit te leggen, vooral wanneer die voorschriften erop gericht zijn uitvoering te geven aan een door de Unie gesloten internationale overeenkomst.
Full & Egal Universal Law Academy