21.8.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 277/57
Beroep ingesteld op 3 juli 2017 — Capo d’Anzio/Commissie
(Zaak T-425/17)
(2017/C 277/82)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Capo d’Anzio SpA (Anzio, Italië) (vertegenwoordiger: S. Carloni, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
besluit C (2017) 2953 final van de Commissie van 28 april 2017 betreffende de terugbetaling van 193 120 EUR, vermeerderd met vertragingsrente, welk bedrag aanvankelijk aan verzoekster is overgemaakt als vooruitbetaling in het kader van subsidieovereenkomst LIFE10 ENV/IT/000369 — LCA4PORTS, nietig te verklaren krachtens artikel 263 VWEU.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster, de onderneming Capo d’Anzio, het hierna volgende aan.
1.
Verzoekster heeft op 14 oktober 2011 de subsidieovereenkomst LIFE10 — ENV/IT/000369 gesloten waarmee de Europese Commissie haar steun heeft verleend (ter hoogte van 45,94 % van het totaal, doch met een maximum van 485 300,00 EUR) met betrekking tot het onderzoek van de ecologische duurzaamheid van de ontwikkeling van de Porto di Anzio (haven van Anzio) waarin is voorzien in het kader van het door de openbare instanties goedgekeurde project voor de verwezenlijking, de renovatie en de uitbreiding daarvan.
2.
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden heeft de Commissie na de aanvankelijke volledige naleving van de contractuele en de wettelijke voorschriften aangevoerd dat bepaalde formele verplichtingen niet waren nagekomen en daarom de uitvoering van het project opgeschort, waarna zij met het bestreden besluit de eerder toegekende bedragen heeft teruggevorderd.
3.
In casu is sprake van schending van de regels van de artikelen 11 en volgende van de Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de specifieke procedure die moet worden gevolgd in geval van onderbreking van het project en de daaropvolgende ontbinding van de subsidieovereenkomst alsook terugvordering van de reeds betaalde prefinanciering.
4.
De Commissie erkent dat verzoekster in de onderhavige zaak stukken had overgelegd waaruit bleek dat haar economische en financiële problemen tijdelijk waren en waarin uitdrukkelijk werd aangegeven dat deze problemen voortvloeiden uit onrechtmatige handelingen en feiten die buiten haar wil hadden plaatsgevonden.
5.
Verzoekster heeft voortdurend en passend te kennen gegeven dat zij niet aansprakelijk was voor die moeilijkheden, waarbij zij laatstelijk bij brief van 2 november 2015 en daarna nogmaals bij brief van 7 december 2015 heeft verzocht om daarmee rekening te houden bij de vaststelling van de krachtens de overeenkomst te nemen beslissingen, en zij tevens heeft verzocht om een bijeenkomst te houden teneinde een aantal specifieke rechtvaardigingen te kunnen toelichten, waarbij zij expliciet de verbintenis is aangegaan om hoe dan ook de toegekende prefinanciering terug te betalen indien zij definitief niet in staat bleek om gevolg te geven aan de gevraagde verslaglegging betreffende het project.
6.
In plaats van rekening te houden met de verstrekte rechtvaardigingen en om extra preciseringen te verzoeken teneinde het door verzoekster ingeroepen recht van de verdediging te eerbiedigen, heeft de Commissie de voornoemde Gemeenschappelijke bepalingen in dier voege toegepast dat verzoeksters gedragingen werden gelijkgesteld met een schuldige niet-nakoming.
7.
Verzoekster had in staat moeten worden gesteld om de Commissie te ontmoeten teneinde het bewijs te kunnen leveren van het feit dat er geen sprake was van schuldige niet-nakoming en aldus haar recht te kunnen doen gelden om niet te worden benadeeld door een situatie waarvoor zij niet aansprakelijk was.
8.
De houding van de Commissie heeft derhalve schending opgeleverd van de rechten van verzoekster en van de algemene rechtsbeginselen volgens welke overeenkomsten enkel kunnen worden ontbonden wegens een schuldige niet-nakoming.
9.
De schending van wezenlijke vormvoorschriften en van materiële bepalingen leidt tot de onbillijkheid van het bestreden besluit waarmee de gedeeltelijk toegekende financiering is herroepen, ofschoon verzoekster de van de Commissie ontvangen bedragen in wezen naar behoren heeft gebruikt ter betaling van de met de uitvoering van het project belaste ondernemers, waarbij de Commissie voorrang heeft gegeven aan de niet-inachtneming van een louter formeel vereiste, namelijk dat verzoekster tijdig verslag had moeten uitbrengen over de reeds verrichte werkzaamheden.