11.9.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 300/32
Beroep ingesteld op 12 juli 2017 — Dehousse/Hof van Justitie van de Europese Unie
(Zaak T-433/17)
(2017/C 300/40)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Franklin Dehousse (Brussel, België) (vertegenwoordigers: L. Levi en S. Rodrigues, advocaten)
Verwerende partij: Hof van Justitie van de Europese Unie
Conclusies
—
het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;
bijgevolg,
—
verweerders besluit van 18 mei 2017 tot afwijzing van het confirmatief verzoek om toegang tot documenten dat verzoeker op 12 april 2017 indiende, en verweerders besluit van 22 mei 2017 tot gedeeltelijke afwijzing van het confirmatief verzoek om toegang tot documenten dat verzoeker op 16 maart 2017 indiende, nietig verklaren;
—
verweerders aansprakelijkheid in de zin van artikel 340 VWEU vaststellen;
—
verweerder gelasten de door verzoeker geleden morele schade te vergoeden, die ex aequo et bono wordt geraamd op tienduizend (10 000) EUR, en, subsidiair, op één symbolische euro;
—
verweerder verwijzen in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker drie middelen aan in verband met zijn verzoek tot nietigverklaring en één middel in verband met zijn verzoek om schadevergoeding.
1.
Eerste middel: schending van het besluit van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 oktober 2016 inzake de toegang van het publiek tot documenten die door het Hof van Justitie van de Europese Unie worden gehouden in de uitoefening van zijn administratieve taken (PB 2016, C 445, blz. 3), artikel 15, lid 3, VWEU en artikel 42 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met betrekking tot de toegang van het publiek tot documenten van de instellingen en de transparantieplicht. Verzoeker voert meer bepaald aan dat de bestreden besluiten nietig moeten worden verklaard voor zover daarbij de overlegging van bepaalde documenten is geweigerd en andere documenten onvolledig of met talrijke weglatingen zijn overgelegd.
2.
Tweede middel: schending van artikel 296 VWEU en artikel 41 van het Handvest, doordat de bestreden besluiten niet of ontoereikend zijn gemotiveerd.
3.
Derde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel.
Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie voert verzoeker aan dat de verwerende instelling onrechtmatige gedragingen heeft gesteld waardoor zij aansprakelijkheid is. Verzoeker heeft door deze gedragingen ernstige morele schade geleden, waarvan hij vergoeding vordert.