25.9.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 318/17
Beroep ingesteld op 2 augustus 2017 — Rogesa/Commissie
(Zaak T-475/17)
(2017/C 318/23)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Rogesa Roheisengesellschaft Saar mbH (Dillingen, Deutschland) (vertegenwoordigers: Rechtsanwälte S. Altenschmidt en A. Sitzer)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
het besluit van de Commissie van 20 juni 2017, subsidiair van 11 juli 2017, tot afwijzing van het confirmatieve verzoek van 29 mei 2017 (Az. GestDem nr. 2017/1788), nietig verklaren, en
—
de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.
1.
Eerste middel: de voorwaarden voor het recht op toegang tot de documenten zijn vervuld
—
Verzoekster betoogt dat de bestreden beslissing in strijd is met artikel 3, eerste zin, van verordening nr. 1367/2006 (1), in samenhang met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1049/2001 (2), omdat zij recht heeft op toegang tot de door haar opgevraagde documenten.
2.
Tweede middel: de in artikel 4 van verordening (EG) nr. 1049/2001 bedoelde uitsluitingsgronden zijn niet van toepassing
—
Verzoekster betoogt dat de gevraagde documenten geen bedrijfsgevoelige informatie in de zin van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening (EG) nr. 1049/2001 bevatten, en dat in ieder geval sprake is van een hoger openbaar belang dat openbaarmaking van de documenten gebiedt.
—
Verzoekster betoogt voorts dat ook de weigeringsgrond van artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening (EG) nr. 1049/2001, op grond waarvan de toegang tot een document kan worden geweigerd indien door openbaarmaking daarvan de bescherming van gerechtelijke procedures en juridisch advies zou worden ondermijnd, niet van toepassing is, aangezien de bij het Hof aanhangige zaak C-80/16 (ArcelorMittal Atlantique en Lorraine) met het arrest van 26 juli 2017 zo goed als afgehandeld is.
—
Verzoekster stelt verder dat de Commissie in ieder geval een gedeeltelijke toegang, eventueel met het wegstrepen van de geheim te houden gegevens, had moeten verlenen. De beslissing van de Commissie is daarmee ook in strijd met artikel 4, lid 6, van verordening (EG) nr. 1049/2001 en het evenredigheidsbeginsel van artikel 5, lid 4, VEU.
3.
Derde middel: procedurefouten van de Commissie
—
Ten slotte stelt verzoekster dat artikel 8 van verordening (EG) nr. 1049/2001 is geschonden. Hoewel de termijn twee maal is verlengd, de laatste keer voor onbepaalde tijd, is tot op het moment van het beroep geen beslissing genomen over het al op 29 mei 2017 ingediende confirmatieve verzoek van verzoekster. Artikel 8 van verordening (EG) nr. 1049/2001 voorziet enkel in de mogelijkheid van een eenmalige verlenging van de termijn met 15 werkdagen en niet voor onbepaalde tijd.
(1) Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13).
(2) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).