16.10.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 347/43
Beroep ingesteld op 9 augustus 2017 — Abdulkarim/Raad
(Zaak T-559/17)
(2017/C 347/57)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Mouhamad Wael Abdulkarim (Dubai, Verenigde Arabische Emiraten) (vertegenwoordigers: J.-P. Buyle en L. Cloquet, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
besluit (GBVB) 2017/917 van de Raad van 29 mei 2017 houdende wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, nietig verklaren, voor zover het verzoeker betreft;
—
uitvoeringsverordening (EU) 2017/907 van de Raad van 29 mei 2017 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, nietig verklaren, voor zover het verzoeker betreft;
—
de Raad verwijzen in de kosten, met inbegrip van verzoekers kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.
1.
Eerste middel: verweerder heeft de feiten kennelijk onjuist opgevat voor zover hij zich op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker het Syrische regime heeft gesteund. In dat verband worden tegen de overwegingen in de bestreden handelingen de hierna volgende argumenten aangevoerd:
—
Abdulkarim kan niet als een „belangrijk zakenman” worden beschouwd;
—
Hij heeft geen banden met het regime, oefent er geen invloed op uit en er bestaat geen reëel risico dat hij de in het licht van de situatie in Syrië vastgestelde beperkende maatregelen omzeilt;
—
Ook de omstandigheid dat verzoeker in het verleden betrokken was bij Alkarim For Trade and Industry L.L.C. of bij andere ondernemingen die actief zijn in de sector van olie, industriële olie, smeermiddelen en vetten in het Midden-Oosten kan niet tot gevolg hebben dat hij als een „belangrijk zakenman” wordt aangemerkt;
—
Hij verblijft niet in Syrië en is daar bijgevolg ook niet werkzaam.
2.
Tweede middel: schending van het algemene beginsel van evenredigheid, aangezien de gevolgen van de bij de bestreden handelingen vastgestelde maatregelen van dien aard zijn dat zij op zich beschouwd, onevenredig zijn.
3.
Derde middel: onevenredige schending van het recht op eigendom en het recht om een beroepsactiviteit uit te oefenen, aangezien de litigieuze maatregelen tot gevolg hebben dat verzoeker niet op vreedzame wijze van zijn eigendomsrecht en zijn economische vrijheid gebruik kan maken.
4.
Vierde middel: misbruik van bevoegdheid, aangezien de bestreden handelingen zijn vastgesteld om andere dan de aangegeven doelen te bereiken, te weten om verzoeker van de markt te weren teneinde andere marktdeelnemers te bevoordelen, zodat die handelingen misbruik van bevoegdheid opleveren.
5.
Vijfde middel: schending van de in artikel 296, tweede alinea, VWEU verankerde motiveringsplicht, aangezien de motivering van de bestreden handelingen in werkelijkheid louter formeel is en verweerder daar vermoedelijk niet over heeft nagedacht.