23.10.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 357/30
Beroep ingesteld op 6 september 2017 — ICL-IP Terneuzen en ICL Europe Coöperatief/Commissie
(Zaak T-610/17)
(2017/C 357/39)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: ICL-IP Terneuzen BV (Terneuzen, Nederland) en ICL Europe Coöperatief UA (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordigers: R. Cana en E. Mullier, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoeksters verzoeken het Gerecht:
—
het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
—
nietig te verklaren verordening (EU) 2017/999 van de Commissie van 13 juni 2017 tot wijziging van bijlage XIV bij verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PB 2017, L 150, blz. 7), voor zover nPB wordt opgenomen in bijlage XIV bij de REACH-verordening;
—
verweerster te verwijzen in de kosten;
—
alle overige gerechtvaardigde maatregelen te gelasten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters zes middelen aan.
1.
Volgens het eerste middel heeft de Commissie zich schuldig gemaakt aan een kennelijk onjuiste beoordeling door niet alle relevante feiten in de beschouwing te betrekken en heeft zij het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden.
—
De Commissie heeft zich schuldig gemaakt aan een kennelijk onjuiste beoordeling door na te laten, de door verzoeksters aan de Commissie verstrekte relevante informatie waaruit bleek dat de stof niet voldeed aan de criteria voor prioriteitstelling en opneming in bijlage XIV bij de REACH-verordening, nauwkeurig en onpartijdig in de beschouwing te betrekken. Indien de Commissie rekening had gehouden met die informatie, zou de score van de stof dezelfde zijn geweest als of lager dan de score van andere stoffen waaraan in dezelfde ronde voor prioriteitstelling geen prioriteit is gegeven en zou de stof niet bij de bestreden verordening zijn opgenomen in bijlage XIV bij de REACH-verordening.
2.
Volgens het tweede middel schendt de bestreden verordening artikel 55 van de REACH-verordening. Zij is in strijd met het doel van deze laatste, het concurrentievermogen te vergroten, en druist in tegen het recht om stoffen te verhandelen.
—
De bestreden verordening is in strijd met het doel van de REACH-verordening, het concurrentievermogen te vergroten, meer in het bijzonder met titel VII van die verordening, betreffende autorisaties, waarmee zij de mededingingspositie van verzoeksters schaadt en deze verhindert de stof in de handel te brengen door er prioriteit aan te geven ondanks de informatie waaruit bleek dat deze niet voldeed aan de criteria voor prioriteitstelling en opneming in bijlage XIV.
3.
Het derde middel houdt in dat de Europese Commissie het recht van verweer van verzoeksters heeft geschonden en niet heeft voldaan aan haar motiveringsplicht.
—
De Europese Commissie heeft het recht van verweer van verzoeksters geschonden en niet voldaan aan haar motiveringsplicht door niet uiteen te zetten waarom zij de stof heeft „gegroepeerd” met trichlooretheen, ondanks het feit dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen in zijn richtsnoeren voor prioriteitstelling uitdrukkelijk heeft erkend dat ingeval factoren als „groepering” in aanmerking worden genomen, die geen deel uitmaken van de formele criteria van artikel 58, lid 3, de redenen voor prioriteitstelling duidelijk moeten worden aangegeven en dienen te stroken met de rol en het doel van de aanbevelingsfase in de autorisatieprocedure.
4.
Volgens het vierde middel tast de bestreden verordening het gewettigd vertrouwen van verzoeksters aan.
—
De bestreden verordening tast het gewettigd vertrouwen van verzoeksters aan doordat zij niet voldoet aan de richtsnoeren voor het toekennen van prioriteiten. Inzonderheid tast de prioriteitstelling en opneming in bijlage XIV van nPB hun gewettigd vertrouwen aan dat het volumecriterium en de groeperingsoverwegingen zouden worden toegepast zoals zij uiteen zijn gezet in de richtsnoeren voor de toekenning van prioriteiten en de richtsnoeren voor de algemene benadering.
5.
Met het vijfde middel voeren verzoeksters aan dat de bestreden verordening het evenredigheidsbeginsel schendt.
—
De Europese Commissie had het passend moeten achten, te wachten met de opneming van nPB in bijlage XIV bij de bestreden richtlijn. Dat zou minder belastend zijn geweest, aangezien verzoeksters niet nu al de gevolgen van opneming in bijlage XIV zouden hebben ondervonden, maar pas nadat nPB er op goede gronden in zou zijn opgenomen op grond van een daadwerkelijke betrekkelijk hoge prioriteit.
6.
Het zesde middel houdt in dat de bestreden verordening het beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie schendt.
—
Volgens verzoeksters schendt de bestreden verordening het beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie schendt door de stof — door deze op te nemen in bijlage XIV bij de REACH-verordening — anders te behandelen dan overige stoffen, waaronder lood(II)-antimonaat. Beide stoffen bevonden zich in een vergelijkbare situatie: zij werden beide beschouwd als deel uitmakend van dezelfde ronde voor prioriteitstelling, zij hadden beide een totale prioriteitsscore gekregen (of moeten krijgen) van 17, en in beide gevallen omvatte de prioriteitsbeoordeling groeperingsoverwegingen. Niettemin zijn zij door het ECHA en door de Europese Commissie verschillend behandeld doordat de stof is aanbevolen en vervolgens in bijlage XIV is opgenomen, terwijl lood(II)-antimonaat niet is aanbevolen en dus niet in bijlage XIV is opgenomen.