30.10.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 369/37
Beroep ingesteld op 11 september 2017 — Google en Alphabet/Commissie
(Zaak T-612/17)
(2017/C 369/51)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Google Inc. (Mountain View, Californië, Verenigde Staten) en Alphabet Inc. (Mountain View) (vertegenwoordigers: T. Graf, R. Snelders en C. Thomas, advocaten, K. Fountoukakos-Kyriakakos, Solicitor, R. O’Donoghue en D. Piccinin, Barristers)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:
—
het besluit van de Commissie van 27 juni 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 EER-Overeenkomst (AT.39741 — Google Search (Shopping)) nietig te verklaren;
—
subsidiair, de aan verzoekende partijen opgelegde geldboete in te trekken of te verlagen in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht, en
—
in elk geval de Commissie te veroordelen in de kosten en uitgaven van de verzoekende partijen in verband met deze procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen zes middelen aan.
1.
Eerste middel: het bestreden besluit stelt ten onrechte vast dat Google een prijsvergelijkingsdienst van Google heeft bevoordeeld door productresultaten gegroepeerd weer te geven (Product Universals).
—
De verzoekende partijen stellen dat het bestreden besluit de feiten onjuist weergeeft. Volgens hen heeft Google gegroepeerde productresultaten ingevoerd om de kwaliteit te verhogen, niet om verkeer te leiden naar een Google prijsvergelijkingsdienst.
—
De verzoekende partijen voeren verder aan dat in het bestreden besluit ten onrechte is vastgesteld dat bij het verschil in behandeling tussen productresultaten en generieke resultaten sprake was van bevoordeling, terwijl er geen sprake was van discriminatie.
—
De verzoekende partijen betogen ten slotte dat het bestreden besluit inbreuk maakt op de juridische criteria voor de beoordeling van Googles objectieve rechtvaardigingen voor de weergave van Product Universals.
2.
Tweede middel: het bestreden besluit stelt ten onrechte vast dat Google een prijsvergelijkingsdienst van Google bevoordeelt door reclame voor producten gegroepeerd weer te geven (Shopping Units).
—
De verzoekende partijen voeren aan dat in het bestreden besluit ten onrechte is vastgesteld dat bij het verschil in behandeling tussen gegroepeerde productreclame en vrije generieke resultaten sprake is van bevoordeling, terwijl er geen sprake is van discriminatie.
—
De verzoekende partijen voeren voorts aan dat het bestreden besluit ten onrechte vaststelt dat productreclame in Shopping Units een Google prijsvergelijkingsdienst bevoordeelt.
—
De verzoekende partijen betogen ten slotte dat het bestreden besluit inbreuk maakt op de juridische criteria voor de beoordeling van Googles objectieve rechtvaardigingen voor de weergave van Shopping Units.
3.
Derde middel: het bestreden besluit stelt ten onrechte vast dat het vermeende misbruik Google zoekverkeer heeft omgeleid.
—
De verzoekende partijen stellen dat het bestreden besluit niet aantoont dat het vermeende misbruik het Google zoekverkeer naar aggregators deed afnemen.
—
De verzoekende partijen stellen voorts dat het bestreden besluit niet aantoont dat het vermeende misbruik het verkeer naar een prijsvergelijkingsdienst van Google deed toenemen.
4.
Vierde middel: het bestreden besluit stelt ten onrechte vast dat het vermeende misbruik waarschijnlijk mededingingsbelemmerende effecten heeft.
—
De verzoekende partijen stellen dat het bestreden besluit blijk geeft van een onjuiste opvatting omdat daarin wordt gespeculeerd over potentiële mededingingsbelemmerende effecten zonder de werkelijke marktontwikkelingen te onderzoeken.
—
De verzoekende partijen betogen voorts dat het bestreden besluit niet naar behoren rekening houdt met de concurrentiedruk die uitgaat van platformen van handelaars.
—
De verzoekende partijen stellen ten slotte dat zelfs indien de analyse van de concurrentiesituatie zou kunnen worden beperkt tot aggregators, het bestreden besluit niet aantoont dat er sprake is van mededingingsbelemmerende effecten.
5.
Vijfde middel: in het bestreden besluit worden kwaliteitsverbeteringen die concurrentie op basis van de merites vormen, ten onrechte behandeld als misbruik.
—
De verzoekende partijen betogen dat het besluit Googles productverbeteringen op het vlak van algemene zoekopdrachten ten onrechte aanmerkt als onrechtmatig gebruik van een hefboom.
—
De verzoekende partijen stellen voorts dat het bestreden besluit verlangt dat Google aggregators toegang verleent tot haar productverbeteringen, zonder dat is voldaan aan de vereiste juridische voorwaarden.
6.
Zesde middel: het bestreden besluit legt ten onrechte een geldboete op.
—
De verzoekende partijen stellen dat een geldboete niet gerechtvaardigd was, aangezien de Commissie een nieuwe theorie heeft toegepast, de zaak heeft aangemerkt als een zaak die middels toezeggingen kon worden geregeld, en voordien compenserende maatregelen heeft afgewezen.
—
De verzoekende partijen stellen voorts dat het bestreden besluit de geldboete onjuist berekent.