5.2.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 42/29
Beroep ingesteld op 14 november 2017 — Kerkosand / Commissie
(Zaak T-745/17)
(2018/C 042/43)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Kerkosand spol. s.r.o. (Šajdíkové Humence, Slowaakse Republiek) (vertegenwoordigers: Rechtsanwälte A. Rosenfeld en C. Holtmann)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
besluit C(2017)5050 final van de Europese Commissie van 20 juli 2017 in steunprocedure SA.38121 (2016/FC) — Slowaakse Republiek „Investment aid to the Slovak glass sand producer NAJPI a.s.” nietig verklaren;
—
subsidiair, de aan de gemachtigde van verzoekster gezonden informatiebrief van de Europese Commissie van 5 september 2017 in de procedure SA.38121 (2014/CP) „Alleged State aid to Slovak glass sand producer NAJPI a.s.” nietig verklaren; en
—
de Europese Commissie verwijzen in de proceskosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Eerste middel: schending van een wezenlijk vormvoorschrift, te weten artikel 15, lid 1, eerste zin, juncto artikel 4 van verordening (EU) 2015/1589 (1)
Volgens verzoekster is verweerster van mening dat de steun voldoet aan de voorwaarden van verordening (EU) 651/2014 (2). Dit zou verweerster hebben belet om een preliminaire onderzoeksprocedure uit te voeren, alsmede om een besluit in de zin van artikel 4, leden 2, 3 of 4 van verordening (EU) 2015/1589 vast te stellen. Deze opvatting geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, daar verweerster bevoegd is om op verordening (EU) 651/2014 gebaseerde steun aan een voorlopig onderzoek te onderwerpen. De onderzoeksprocedure, die meer dan drieënhalf jaar heeft geduurd, heeft de drempel tussen een prima facie-onderzoek en een inleidende onderzoeksprocedure overschreden. Verweerster was derhalve ingevolge artikel 15, lid 1, eerste zin, van verordening (EU) 2015/1589 verplicht om een besluit in de zin van artikel 4, leden 2, 3 of 4, van laatstgenoemde verordening te nemen. Verweerster heeft die verplichting echter geschonden door de klacht ongegrond te verklaren, zonder te oordelen dat de betrokken steun geen twijfel deed rijzen over de verenigbaarheid ervan met de interne markt.
2.
Tweede middel: schending van het VWEU en van de bij de uitvoering daarvan toepasselijke bepalingen, te weten artikel 107, lid 3, onder a), VWEU, artikel 109 VWEU juncto artikel 58, lid 1, van verordening (EU) 651/2014 en artikel 108, lid 2, VWEU juncto artikel 4, lid 4, van verordening (EU) 2015/1589
—
Verweerster is van mening dat haar discretionaire onderzoeksbevoegdheid met betrekking tot op verordening (EU) 651/2014 gebaseerde steun is beperkt tot het onderzoek van de voorwaarden voor vrijstelling van die verordening. Deze opvatting geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, daar volgens de rechtspraak van de rechters van de Unie het voldoen aan de voorwaarden van verordening (EU) 651/2014, er enkel toe leidt dat een vermoeden van verenigbaarheid voorrang heeft op een individueel onderzoek per geval. Deze voorrang is in gevallen als het onderhavige, waarin aan de steun op het eerste gezicht, wat de gevolgen ervan voor de mededinging betreft, een bijzonder belang moet worden toegekend, niet van toepassing. In dergelijke gevallen is verweerster, onder eerbiediging van het primaire recht en de algemene beginselen van het Unierecht, bevoegd tot een individuele beoordeling buiten het kader van verordening (EU) 651/2014 om. Door deze bevoegdheid niet uit te oefenen heeft verweerster artikel 107, lid 3, onder a), VWEU geschonden.
—
Voorts heeft verweerster artikel 109 VWEU juncto artikel 58, lid 1, van verordening (EU) 651/2014 geschonden, daar zij die verordening met terugwerkende kracht heeft toegepast op het onderhavige geval, hoewel aan de voorwaarden daarvoor niet was voldaan. De steun is ad hoc steun voor een grote onderneming. Het stimulerend effect van dergelijke steun is overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder a), van verordening (EU) 651/2014 aan zeer strenge voorwaarden onderworpen. Het noodzakelijke bewijs dat de Slowaakse autoriteiten zich, alvorens de steun goed te keuren, er aan de hand van documenten van de steunontvanger van hebben verzekerd dat aan deze voorwaarden was voldaan, is niet geleverd.
—
Tot slot heeft verweerster artikel 108, lid 2, VWEU juncto artikel 4, lid 4, van verordening (EU) 2015/1589 geschonden, daar zij niet de formele onderzoeksprocedure heeft ingeleid. Tijdens het meer dan drieënenhalf jaar durende onderzoek heeft verweerster onvoldoende en onvolledig onderzocht of de steunontvanger de KMO-status had. Bovendien heeft verweerster in een onderhoud uitdrukkelijk melding gemaakt van moeilijkheden met betrekking tot de beoordeling of de betrokken steun was toegekend op basis van een steunregeling, dan wel of hier sprake was van ad hoc steun. Verweerster kon die vraag enkel openlaten indien zij de KMO-status van de steunontvanger afdoende had onderzocht en terecht had vastgesteld. Dit laatste was evenwel niet het geval. Bovendien heeft verweerster pas in het bestreden besluit erkend dat er van verenigbaarheid overeenkomstig verordening (EG) 800/2008 (3) geen sprake is, nadat zij gedurende meerdere jaren het tegenovergestelde had beweerd.
(1) Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9).
(2) Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB 2014, L 187, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (PB 2008, L 214, blz. 3).