22.1.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 22/51
Beroep ingesteld op 10 november 2017 — Izba Gospodarcza Producentów i Operatorów Urządzeń Rozrywkowych / Commissie
(Zaak T-750/17)
(2018/C 022/68)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Izba Gospodarcza Producentów i Operatorów Urządzeń Rozrywkowych (Warschau, Polen) (vertegenwoordiger: P. Hoffman, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 29 augustus 2017 houdende weigering van toegang tot de opmerkingen van de Europese Commissie en het uitvoerig gemotiveerde standpunt van de Republiek Malta in het kader van de kennisgevingsprocedure 2016/398/PL betreffende een voorstel tot wijziging van de Poolse kansspelenwet;
—
verwijzing van de Commissie in haar eigen kosten en in die van de verzoekende partij.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster acht middelen aan.
1.
Eerste middel: onjuiste opvatting van de feiten en schending van artikel 296 VWEU
—
Verzoekster voert aan dat het besluit is gebaseerd op verschillende feitelijk onjuiste verklaringen, waaronder de bewering dat de aangemelde maatregel een antwoord vormt op de aanmaningsbrief van de Commissie en dient om de verschillende maatregelen uiteen te zetten die Polen heeft genomen om een inbreuk — die het voorwerp van die aanmaningsbrief is — te verhelpen, te weten bepaalde voorwaarden voor het verkrijgen van vergunningen om in Polen gokdiensten aan te bieden, ook al zijn die voorwaarden in werkelijkheid meer dan twee jaar geleden door Polen opgeheven en staat de aangemelde maatregel volledig los van de aanmaningsbrief van de Commissie.
2.
Tweede middel: schending van overwegingen 3, 7 en 9, en artikel 5, lid 4, van richtlijn 2015/1535 (1), en van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 (2)
—
Verzoekster betoogt, in het licht van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-331/15 P, Frankrijk / Schlyter (3), dat de Commissie, door zich te baseren op een algemene aanname en door niet aan te tonen dat openbaarmaking van de gevraagde documenten tot concrete en daadwerkelijke ondermijning van de inbreukprocedure zou leiden, het aan richtlijn 2015/1535 inherente transparantiebeginsel heeft geschonden.
3.
Derde middel: schending van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 en van artikel 296 VWEU
—
Volgens verzoekster kan de Commissie, wegens de duur van de inbreukprocedure en haar vermeende verzuim om in deze procedure binnen een redelijk tijdsbestek daadwerkelijk stappen te ondernemen, haar weigering niet baseren op de noodzaak het doel van die procedure te beschermen.
4.
Vierde middel: schending van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 en van artikel 296 VWEU, alsmede onjuiste opvatting van de feiten
—
Verzoekster voert aan dat de gevraagde documenten niet onder een of ander algemeen vermoeden vallen. De stelling van de Commissie dat de kennisgevingsprocedure en de inbreukprocedure „onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden”, is feitelijk onjuist en te vaag. Hoe dan ook kan de Commissie niet aantonen dat voor de documenten een algemeen vermoeden geldt aangezien dit uitsluitend afhangt van het antwoord op de vraag of zij deel uitmaken van het inbreukdossier. Het passende criterium om uit te maken of een document deel uitmaakt van het inbreukdossier bestaat in de vraag of de Commissie in het kader van een voorgenomen of lopende inbreukprocedure in het bezit is gekomen van het document, met andere woorden of de Commissie in het kader van een dergelijke procedure of met het oog op het inleiden ervan het document heeft opgesteld, ontvangen, aangevraagd, enz. Volgens verzoekster is in casu niet aan dat criterium voldaan.
5.
Vijfde middel: schending van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 en van artikel 296 VWEU
—
De loutere omstandigheid dat de Commissie voornemens is rekening te houden met het uitvoerig gemotiveerde standpunt van Malta en dit te gebruiken in haar dialoog met Polen in het kader van de lopende inbreukprocedure kan een weigering tot openbaarmaking ervan niet rechtvaardigen.
6.
Zesde middel: schending van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001
—
Verzoekster betoogt dat, gelet op de duur van de inbreukprocedure en de inhoud, de aard en de context van de gevraagde documenten, de openbaarmaking ervan in geen enkel opzicht kan leiden tot ondermijning van de bescherming van een dergelijke procedure, hetgeen bijgevolg een weerlegging van het algemene vermoeden van niet-openbaarmaking inhoudt.
7.
Zevende middel: schending van artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1049/2001 en van artikel 296 VWEU
—
Volgens verzoekster had de Commissie de gevraagde documenten in ieder geval gedeeltelijk moeten openbaar maken, dat wil zeggen na verwijzingen naar punten betreffende online kansspeldiensten, die het voorwerp van de inbreukprocedure vormen, te hebben geschrapt.
8.
Achtste middel: schending van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 en van artikel 296 VWEU
—
Volgens verzoekster bestaat er een hoger openbaar belang om kennis te nemen van de reactie van de Commissie op een aangemelde maatregel die fundamentele vrijheden en grondrechten in de EU schendt. Verzoekster stelt dat de Commissie niet heeft uitgelegd waarom zij dit belang minder belangrijk acht dan het belang om openbaarmaking te weigeren.
(1) Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (Voor de EER relevante tekst) (PB 2015, L 241, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).
(3) Arrest van 7 september 2017, Frankrijk/Schlyter (C-331/15 P, EU: C:2017:639).