12.2.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 52/36
Beroep ingesteld op 11 december 2017 — BASF / ECHA
(Zaak T-805/17)
(2018/C 052/48)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: BASF SE (Ludwigshafen am Rhein, Duitsland) (vertegenwoordigers: R. Cana, E. Mullier en H. Widemann, lawyers, en D. Abrahams, Barrister)
Verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen
Conclusies
—
het verzoek ontvankelijk en gegrond verklaren;
—
besluit DSH-30-3-D-0122-2017 van het Europees Agentschap voor chemische stoffen van 2 oktober 2017, waarbij toegang is verleend tot de gezamenlijke indiening van de stof dinatrium 4,4′-bis[(4-anilino-6-morfolino-1,3,5-triazin-2-yl)amino]stilbeen-2,2′-disulfonaat (EG-nr. 240-245-2), nietig verklaren;
—
verweerder verwijzen in de kosten van deze procedure;
—
elke andere rechtens geboden maatregel treffen.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.
1.
Het eerste middel is eraan ontleend dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (hierna: „agentschap”) de feiten dermate heeft geschonden dat dit de geldigheid van het bestreden besluit aantast, door relevante feiten van de grondslag van dat besluit te hebben uitgesloten.
—
Verzoekster voert aan dat het agentschap de feiten onjuist heeft vastgesteld door geheel voorbij te gaan aan de inspanningen die de partijen vóór 2017 hebben geleverd. Dit is in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur en tast de geldigheid van het bestreden besluit dermate aan dat dit nietig moet worden verklaard.
2.
Het tweede middel is eraan ontleend dat het agentschap kennelijke beoordelingsfouten heeft begaan door het verzuim om alle relevante feiten en omstandigheden te beoordelen, door tot de conclusie te komen dat de indiener van het bezwaar meer inspanningen had geleverd dan verzoekster en door het verzuim om artikel 25 van de REACH-verordening (1) in aanmerking te nemen.
—
Verzoekster voert aan dat het agentschap een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan door het verzuim om alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen voor zover het de situatie die het bestreden besluit zou moeten regelen betreft, door tot de conclusie te komen dat de indiener van het bezwaar meer inspanningen had geleverd dan verzoekster en door het verzuim om de zorgen van verzoekster ten aanzien van de herhaling van testen met gewervelde dieren door de indiener van het bezwaar in aanmerking te nemen, hetgeen in strijd is met artikel 25 van de REACH-verordening.
3.
Het derde middel is eraan ontleend dat het agentschap het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door verzoekster in een onhoudbare positie te brengen voor zover het de rechtszekerheid ten aanzien van de mogelijkheid van de indiener van het bezwaar om zich op de gegevens van verzoekster te baseren en de kwaliteit en overeenstemming met de regels van de gegevens van de indiener van het bezwaar betreft.
—
Volgens verzoekster heeft het agentschap met de vaststelling van het bestreden besluit het rechtszekerheidsbeginsel geschonden, aangezien het de toegang tot de gezamenlijke indiening van verzoekster niet heeft beperkt, ondanks dat de indiener van het bezwaar een registratie door middel van een volledige opt-out wil verkrijgen en het agentschap niet is ingegaan op alle kwesties die met het dossier betreffende de volledige opt-out verband houden (kwaliteit en mogelijke herhaling van testen met gewervelde). Verzoekster verkeert derhalve in rechtsonzekerheid ten aanzien van de vraag hoe zij haar rechten kan beschermen, aangezien nog steeds niet inzichtelijk is welke strekking en omvang de aan de indiener van het bezwaar verleende rechten hebben.
4.
Het vierde middel is eraan ontleend dat het agentschap zijn motiveringsplicht niet is nagekomen omdat het niet heeft uitgelegd waarom het geen van de correspondentie van vóór 2017 relevant vond.
—
Het agentschap heeft zijn bestreden besluit vastgesteld op basis van slechts een fractie van de onderhandelingen die tussen de partijen hebben plaatsgevonden en zijn toetsing op arbitraire wijze beperkt tot de enkele brieven die vanaf januari 2017 tussen de partijen zijn uitgewisseld. Verzoekster had alle inhoudelijke correspondentie tussen de indiener van het bezwaar en verzoekster overgelegd, en daarbij benadrukt waarom die correspondentie relevant was. Het agentschap heeft ondanks de toelichtingen die verzoekster ten aanzien van de relevantie van de correspondentie had gegeven, niet gemotiveerd waarom het de communicatie tussen verzoekster en SSS van vóór januari 2017 niet in aanmerking heeft genomen en daar zelfs volledig aan voorbij is gegaan.
(1) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PB 2006, L 396, blz. 1).