12.2.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 52/40
Beroep ingesteld op 14 december 2017 — Lietuvos geležinkeliai / Commissie
(Zaak T-814/17)
(2018/C 052/53)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Lietuvos geležinkeliai AB (Vilnius, Litouwen) (vertegenwoordigers: W. Deselaers, K. Apel en P. Kirst, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de artikelen 1, 2, 3 en 4 van besluit C(2017) 6544 final van de Commissie van 2 oktober 2017 betreffende de procedure van artikel 102 VWEU in zaak AT.39813 — Baltic Rail; en/of
—
verlaging van de geldboeten die aan verzoekster zijn opgelegd bij artikel 2 van besluit C(2017) 6544 final van de Commissie van 2 oktober 2017; en
—
verwijzing van de Commissie in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van artikel 102 VWEU, kennelijke onjuiste toepassing van het recht door bij de beoordeling van het gestelde misbruik een onjuist juridisch criterium aan te leggen. Volgens verzoekster kan er enkel sprake zijn van misbruik indien de toegang tot de spoorlijn voor concurrenten essentieel of onmisbaar is om mee te dingen op de downstream-markt, wat niet het geval is.
2.
Tweede middel: schending van artikel 102 VWEU, kennelijk onjuiste toepassing van het recht en kennelijk onjuiste beoordeling. Verzoekster voert aan dat zelfs op grond van het (onjuiste) juridische criterium dat de Commissie heeft toegepast, de verwijdering van de spoorlijn tussen Mažeikiai in het noordwesten van Litouwen en de Letse grens (de „spoorlijn”) als niet-essentiële voorziening geen misbruik van een machtspositie vormde in de juridische en feitelijke omstandigheden van de onderhavige zaak.
3.
Derde middel: schending van artikel 296 VWEU en artikel 2 van verordening nr. 1/2003 voor zover er, volgens verzoekster, onvoldoende bewijs is aangedragen en de motivering ontbreekt.
4.
Vierde middel: schending van artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003, kennelijk onjuiste toepassing van het recht en kennelijk onjuiste beoordeling bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete.
5.
Vijfde middel: schending van artikel 7 van verordening nr. 1/2003, kennelijk onjuiste toepassing van het recht en kennelijk onjuiste beoordeling doordat in feite een onevenredige corrigerende maatregel (de heropbouw van de spoorlijn) wordt bevolen.