Voorlopige editie
BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
22 juni 2018 (*)
„Kort geding – Gewasbeschermingsmiddelen – Werkzame stof diflubenzuron – Voorwaarden voor de goedkeuring van het op de markt brengen – Verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging – Geen spoedeisendheid – Belangenafweging”
In zaak T‑476/17 R,
Arysta LifeScience Netherlands BV, gevestigd te Amsterdam (Nederland), vertegenwoordigd door C. Mereu en M. Grunchard, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Lewis, I. Naglis en G. Koleva als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek op grond van de artikelen 278 en 279 VWEU tot opschorting van de tenuitvoerlegging van uitvoeringsverordening (EU) 2017/855 van de Commissie van 18 mei 2017 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof diflubenzuron (PB 2017, L 128, blz. 10),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking (1)
[omissis]
In rechte
[omissis]
Spoedeisendheid
23 Ter beantwoording van de vraag of de gevorderde voorlopige maatregelen spoedeisend zijn, zij eraan herinnerd dat de procedure in kort geding ertoe strekt de volledige doeltreffendheid van de toekomstige eindbeslissing te waarborgen, teneinde een leemte in de door de Unierechter gewaarborgde rechtsbescherming te voorkomen. Daartoe moet de spoedeisendheid doorgaans worden getoetst aan de vraag of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Het staat aan die partij om te bewijzen dat zij ernstige en onherstelbare schade zou lijden indien zij de uitkomst van de procedure in de hoofdzaak zou moeten afwachten (zie beschikking van 14 januari 2016, AGC Glass Europe e.a./Commissie, C‑517/15 P‑R, EU:C:2016:21, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 Bovendien is er volgens vaste rechtspraak enkel sprake van spoedeisendheid indien de ernstige en onherstelbare schade waar de om voorlopige maatregelen verzoekende partij voor vreest, dermate dreigend is dat het ontstaan daarvan met een voldoende mate van waarschijnlijkheid is te voorzien. Die partij moet in elk geval het bewijs leveren van de feiten waarop zij de verwachting van dergelijke schade meent te kunnen baseren, met dien verstande dat zuiver hypothetische schade – die afhangt van onzekere en toekomstige gebeurtenissen – de toekenning van voorlopige maatregelen niet kan rechtvaardigen (zie beschikking van 23 maart 2017, Gollnisch/Parlement, T‑624/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:243, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Voorts moeten verzoeken in kort geding volgens artikel 156, lid 4, tweede zin, van het Reglement voor de procesvoering „al het beschikbare bewijs en de bewijsaanbiedingen ter rechtvaardiging van de toekenning van de voorlopige maatregelen [bevatten]”.
26 Aldus moet een verzoek in kort geding op zich volstaan om de verwerende partij in staat te stellen om haar opmerkingen voor te bereiden, en de kortgedingrechter om op het verzoek te beslissen, in voorkomend geval zonder nadere informatie. De essentiële feitelijke en juridische elementen waarop het is gebaseerd, moeten immers uit de tekst zelf van het verzoek blijken (zie beschikking van 6 september 2016, Inclusion Alliance for Europe/Commissie, C‑378/16 P‑R, niet gepubliceerd, EU:C:2016:668, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Het is eveneens vaste rechtspraak dat de kortgedingrechter, wil hij kunnen beoordelen of aan alle in de punten 23, 24 en 26 hierboven genoemde voorwaarden is voldaan, moet beschikken over met gedetailleerde en gecertificeerde documenten onderbouwde concrete en nauwkeurige aanwijzingen die tot het bewijs strekken van de situatie van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt en op basis waarvan kan worden beoordeeld welke naar alle waarschijnlijkheid de gevolgen zouden zijn indien de gevraagde maatregelen niet worden toegekend. Het staat dus aan die partij – met name wanneer zij stelt dat er sprake is van financiële schade – om, met stukken onderbouwd, de inlichtingen te verschaffen op basis waarvan een getrouw en algemeen beeld van haar financiële situatie kan worden geschetst (zie beschikking van 29 februari 2016, ICA Laboratories e.a./Commissie, T‑732/15 R, niet gepubliceerd, EU:T:2016:129, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Ten slotte kan het verzoek in kort geding weliswaar op specifieke punten worden aangevuld met verwijzingen naar bepaalde als bijlage bijgevoegde stukken, maar kunnen deze stukken het ontbreken van essentiële elementen in dat verzoek niet ondervangen. Het is niet de taak van de kortgedingrechter om in plaats van de betrokken partij te achterhalen welke elementen van de bijlagen bij het verzoek in kort geding, van het verzoekschrift in de hoofdzaak of van de bijlagen daarbij, het verzoek in kort geding kunnen staven. Wanneer de kortgedingrechter een dergelijke verplichting zou worden opgelegd, zou artikel 156, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering, dat bepaalt dat het verzoek om voorlopige maatregelen bij afzonderlijke akte moet worden gedaan, bovendien elk nut verliezen (zie in die zin beschikking van 20 juni 2014, Wilders/Parlement e.a., T‑410/14 R, niet gepubliceerd, EU:T:2014:564, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Aan de hand van deze criteria moet worden onderzocht of verzoekster erin slaagt de spoedeisendheid aan te tonen.
30 Verzoekster voert in wezen ernstige en onherstelbare schade aan doordat haar omzet en winst dreigen te dalen, doordat zij marktaandeel riskeert te verliezen, wegens de dreigende impact op een van haar productiesites en wegens het gevaar voor reputatieschade.
Ernst van de schade
31 Wat in de eerste plaats de beweerde schade wegens haar dreigende omzet‑ en winstdaling betreft, meent verzoekster dat zij door de bestreden verordening aanzienlijke omzet‑ en winstverliezen zal lijden. In dit verband moet er dus op worden gewezen dat de beweerde schade zuiver financieel van aard is.
32 Waar het om de ernst van financiële schade gaat, is het echter vaste rechtspraak dat de gevraagde voorlopige maatregel enkel gerechtvaardigd is indien blijkt dat de partij die erom verzoekt anders vóór de eindbeslissing in de hoofdprocedure in een situatie zou geraken die haar voortbestaan kan bedreigen (zie beschikking van 30 april 2010, Xeda International en Pace International/Commissie, T‑71/10 R, niet gepubliceerd, EU:T:2010:173, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Ten eerste moet de ernst van dergelijke schade volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld met inachtneming van met name de omvang en de omzet van de onderneming alsook de kenmerken van de groep waartoe zij behoort [zie beschikking van 15 november 2011, Xeda International/Commissie, T‑269/11 R, niet gepubliceerd, EU:T:2011:665, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook beschikking van 15 april 1998, Camar/Commissie en Raad, C‑43/98 P(R), EU:C:1998:166, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
34 Bovendien zij eraan herinnerd dat volgens eveneens vaste rechtspraak is geoordeeld dat, waar het enerzijds om een omzetverlies van minder dan 10 % ging in ondernemingen die actief waren op sterk gereguleerde markten, de financiële moeilijkheden waarmee zij dreigden te worden geconfronteerd niet van dien aard leken te zijn dat daardoor hun voortbestaan op het spel kwam te staan [beschikking van 15 november 2011, Xeda International/Commissie, T‑269/11 R, niet gepubliceerd, EU:T:2011:665, punt 21; zie ook in die zin beschikking van 11 april 2001, Commissie/Bruno Farmaceutici e.a., C‑474/00 P(R), EU:C:2001:219, punt 106], en dat, waar het anderzijds om een verlies van bijna twee derde van de omzet van die ondernemingen ging, weliswaar werd erkend dat de door hen ondervonden financiële moeilijkheden van dien aard konden zijn dat daardoor hun voortbestaan op het spel kwam te staan, maar niettemin werd benadrukt dat in een sterk gereguleerde sector waarin vaak aanzienlijk moet worden geïnvesteerd en waar de bevoegde instanties, om redenen die de betrokken ondernemingen niet altijd kunnen voorzien, soms snel moeten ingrijpen wanneer de volksgezondheid wordt bedreigd, het aan die ondernemingen staat om zich te wapenen tegen de gevolgen van dat ingrijpen door middel van een adequaat beleid, en zij anders zelf de daardoor veroorzaakte schade dienen te dragen [zie beschikking van 16 juni 2016, ICA Laboratories e.a./Commissie, C‑170/16 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2016:462, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
[omissis]
37 De omzet en de winst uit de verkoop van de betrokken stof voor het gebruik dat door de bestreden verordening wordt verboden, vertegenwoordigen dus een klein deel van de bruto-omzet of ‑winst van verzoekster of de groep waartoe zij behoort [zie, in die zin en naar analogie, beschikking van 11 april 2001, Commissie/Bruno Farmaceutici e.a., C‑474/00 P(R), EU:C:2001:219, punt 105].
38 Bijgevolg kan het loutere verlies van haar omzet of van haar winst uit die verkoop niet volstaan om de beweerde schade aan te merken als ernstige schade in de zin van de in punt 36 hierboven aangehaalde rechtspraak.
39 Ten tweede werd, in de beschikking van 28 april 2009, United Phosphorus/Commissie (T‑95/09 R, niet gepubliceerd, EU:T:2009:124, punt 69), zoals verzoekster heeft benadrukt, evenwel aanvaard dat de kortgedingrechter bij de beoordeling van de ernst van de schade niet zomaar automatisch kan afgaan op de pertinente omzetcijfers alleen, maar hij ook rekening dient te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval en hij deze bij het nemen van zijn beslissing in verband dient te brengen met de schade wat de omzetcijfers betreft.
40 Zo werd in die zaak bij de beoordeling van de ernst van de schade rekening gehouden met het feit dat de wereldeconomie al maandenlang werd getroffen door een zware economische en financiële crisis die ook de waarde van de groep waartoe verzoekster behoorde, had aangetast. De kortgedingrechter oordeelde dat, gelet op die bijzondere omstandigheden, verzoekster het bewijs had geleverd dat zij ernstige schade zou lijden indien de gevorderde voorlopige maatregelen niet werden toegekend.
41 Vastgesteld moet worden dat verzoekster zich niet op een dergelijke uitzonderlijke situatie beroept.
42 Hoewel verzoekster niet duidelijk aangeeft welke omstandigheden in de onderhavige zaak pertinent zijn om de ernst van haar schade te beoordelen, lijkt zij in haar uiteenzetting over dit aspect van de schade niettemin een aantal elementen naar voren te schuiven die als specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak kunnen worden beschouwd.
43 Derhalve moet haar betoog betreffende de uitwerkingen die enerzijds de toepassing van de Braziliaanse wettelijke regeling nr. 7.802/89 en anderzijds de vaststelling van een nieuw maximumresidugehalte op haar met diflubenzuron verband houdende activiteiten zullen hebben, nader worden onderzocht.
[omissis]
45 In dit verband moet er om te beginnen op worden gewezen dat bij de beoordeling van de ernst van de beweerde schade doorgaans geen rekening kan worden gehouden met het feit dat een verordening waarbij het gebruik van een stof wordt verboden of beperkt, de verkoop daarvan in niet-lidstaten van de Unie doet dalen omdat bepaalde derde landen de Unieregelgeving volgen. Die dalende verkoop is immers geen rechtstreeks gevolg van de bestreden verordening maar van een beslissing die de instanties van die derde landen nemen in de uitoefening van hun soevereine bevoegdheid (zie in die zin beschikking van 28 april 2009, United Phosphorus/Commissie, T‑95/09 R, niet gepubliceerd, EU:T:2009:124, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Vervolgens zij geconstateerd dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de gevraagde voorlopige maatregelen – gesteld dat deze worden toegekend – zouden verhinderen dat de Braziliaanse instanties de verkoop van diflubenzuron voor gebruik op eetbare gewassen verbieden op hun grondgebied. Zij heeft dus niet het bewijs geleverd dat de beweerde schade zou kunnen worden vermeden door de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening op te schorten (zie in die zin beschikking van 28 april 2009, United Phosphorus/Commissie, T‑95/09 R, niet gepubliceerd, EU:T:2009:124, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Tot slot blijkt het louter hypothetisch dat die vrees werkelijkheid wordt, aangezien verzoekster over een studie van 28 februari 2017 beschikt, die volgens de meest recente aanbevelingen is uitgevoerd en die bevestigt dat PCA geen genotoxisch potentieel bezit („In‑vivo-mutatietest in locus cII op transgene ratten F344 Big Blue® en micronucleus-analyse van het perifeer bloed”). Bijgevolg kan er redelijkerwijs getwijfeld worden aan de manier waarop de Braziliaanse instanties de genotoxiciteit van diflubenzuron uiteindelijk zullen beoordelen, aangezien het, gelet op die studie, goed denkbaar is dat zij menen dat de meest recente wetenschappelijke resultaten niet voor een verbod pleiten. De beweerde schade is met betrekking tot dit aspect per definitie onzeker van aard in de zin van de in punt 24 hierboven aangehaalde rechtspraak.
48 Derhalve vormt de toepassing van de Braziliaanse wet 7.802/89 geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan de schadelijke gevolgen die verzoekster dientengevolge voor haar diflubenzuron‑activiteiten verwacht, als ernstig kunnen worden beschouwd.
[omissis]
52 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat er in de onderhavige zaak geen enkele bijzondere omstandigheid is waaruit, bezien in het licht van de pertinente omzetcijfers, de kortgedingrechter kan afleiden dat de beweerde schade ernstig is wegens de dreigende omzet‑ en winstdaling.
[omissis]
61 Wat in de derde plaats de ernst van de beweerde schade wegens de dreigende impact op een van haar productiesites betreft, preciseert verzoekster dat zij de betrokken stof uitsluitend op een productiesite in Ankerweg (Nederland) vervaardigt, en dat deze site grotendeels is bestemd voor de productie van die stof, voor gebruik ervan binnen en buiten de Unie. Als diflubenzuron het label „voor eetbare gewassen” verliest in de Unie, betekent dit volgens verzoekster een verlies van 618 859 EUR productiekosten-absorptie, wat overeenkomt met 89,7 % van de totale kosten-absorptie, en een volumeverlies van 36 735 kg, te weten 95 % van het volume in de Unie. Het verlies van het volume diflubenzuron voor eetbare gewassen zou bijgevolg betekenen dat voornoemd bedrag van 618 859 EUR zou moeten worden geabsorbeerd door de resterende producten, wat de kosten van deze andere producten zou verhogen en hun concurrentievermogen op de Uniemarkt en de andere wereldmarkten zou verlagen.
62 Verder voert verzoekster in haar betoog over het onherstelbare karakter van de schade die volgens haar uit de dreigende impact op een van haar productiesites voortvloeit, een aantal elementen aan die eigenlijk onder de beoordeling van de ernst van de schade vallen. Zij benadrukt namelijk dat er op de huidige productiesite ongeveer 25 werknemers belast zijn met de vervaardiging van diflubenzuron en de diflubenzuronproducten, en dat het voortbestaan van de site wordt bedreigd aangezien de producten die bestemd zijn om in de Unie voor eetbare gewassen te worden gebruikt 618 859 EUR (of 16,7 %) absorberen van de totale kostprijs van 3 699 373 EUR om diflubenzuron te produceren op de Ankerwegsite, ook al vertegenwoordigt hun volume 8,4 % van het totale volume. Bovendien herinnert zij er onder meer aan dat de herziening van het maximumresidugehalte voor eetbare producten aanzienlijke gevolgen zou hebben voor de producten die op de belangrijkste wereldmarkten worden verkocht en dat, aangezien de totale diflubenzuronproductie ongeveer 30 % van het volume vertegenwoordigt en ongeveer 30 % van de kosten van de Ankerwegsite absorbeert, een vermindering of verlies van die wereldwijd verkochte producten aanzienlijke gevolgen zou hebben voor het voortbestaan van die site.
63 Uit het voorgaande blijkt dus dat de beweerde schade wegens de verwachte gevolgen van de bestreden verordening voor de Ankerwegsite, financieel van aard is.
64 In dit verband zij eraan herinnerd dat, waar het om de ernst van dergelijke schade gaat, de gevraagde voorlopige maatregel overeenkomstig de in punt 32 hierboven aangehaalde rechtspraak enkel gerechtvaardigd is indien blijkt dat de partij die erom verzoekt anders vóór de eindbeslissing in de hoofdprocedure in een situatie zou geraken die haar voortbestaan kan bedreigen.
65 Ten eerste vreest verzoekster echter niet voor haar eigen voortbestaan, maar voor dat van een productiesite. In weerwil van hetgeen de in de punten 24 tot en met 27 hierboven aangehaalde rechtspraak verlangt, verstrekt zij dienaangaande geen enkel gegeven waaruit kan worden afgeleid dat haar voortbestaan op enigerlei wijze wordt bedreigd door de beweerde risico’s voor de houdbaarheid van de site.
66 Ten tweede wordt de betrokken stof op de Ankerwegsite niet alleen voor gebruik binnen de Unie maar ook voor gebruik buiten de Unie geproduceerd. Voor zover verzoekster de eventuele effecten van een nieuw maximumresidugehalte voor eetbare producten op haar wereldwijde verkoop benadrukt, hoeft voor de afdoening van dit argument slechts naar de in punt 50 hierboven uiteengezette grond te worden verwezen aangezien het irrelevant is.
67 Ten derde verstrekt verzoekster, in strijd met de in de punten 24 tot en met 27 hierboven aangehaalde rechtspraak, de kortgedingrechter niet de essentiële informatie om de ernst van de beweerde impact te kunnen onderzoeken, zoals informatie over de mogelijkheid het betrokken personeel over te plaatsen of een nieuwe bestemming te geven aan de fabricageprocessen van haar productielijn binnen die site. Evenzo wijst de Commissie er terecht op dat verzoekster niet heeft aangetoond dat die productiesite niet kan worden gebruikt om een van de vele andere gewasbeschermingsmiddelen van verzoeksters groep te produceren.
68 Bijgevolg volstaat de impact op een van haar productiesites op zich niet om de beweerde schade als ernstig te beschouwen in de zin van de in punt 64 hierboven aangehaalde rechtspraak.
[omissis]
71 Wat in de vierde plaats de ernst van de beweerde schade wegens haar dreigende reputatieschade betreft, betoogt verzoekster dat de bestreden verordening zowel haar reputatie als de reputatie van haar diflubenzuronproducten, die van haar hoofdmerk Dimilin en die van de formuleringstypes van deze producten volledig zal aantasten.
72 Ten eerste, voor zover verzoekster vreest dat de bestreden verordening enerzijds haar volledige reputatie, de reputatie van haar diflubenzuronproducten, die van haar hoofdmerk Dimilin en die van de formuleringstypes van deze producten ondermijnt door diflubenzuron in een slecht daglicht te stellen en anderzijds meer in het algemeen haar ervaring op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en haar bekwaamheid om veilige, kwalitatief hoogstaande producten te leveren, in twijfel trekt en een negatieve weerslag heeft op de reputatie van andere middelen – en dan vooral gewasbeschermingsmiddelen – die zij produceert, moet erop worden gewezen dat het uit de handel nemen van een gewasbeschermingsmiddel en, a fortiori, het beperken van de gebruiksmogelijkheden ervan, niet noodzakelijk de reputatie van de volledige onderneming in kwestie aantast. In dit verband is het algemeen bekend dat vele ondernemingen die op de betrokken markt actief zijn, hun producten reeds uit de handel hebben zien nemen zonder dat zij of hun producten in een slecht daglicht zijn komen te staan. De regelgevende instanties en de marktdeelnemers van de betrokken sector zijn vertrouwd met het regelgevingskader en zien een beslissing tot niet-toelating van een gewasbeschermingsmiddel veeleer als een normaal onderdeel van de regelgevingsprocedure. Een dergelijke beslissing kan immers als het loutere gevolg van wetenschappelijke vooruitgang en verbeterde onderzoeksmethodes worden gezien (zie in die zin beschikking van 15 november 2011, Xeda International/Commissie, T‑269/11 R, niet gepubliceerd, EU:T:2011:665, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Ten tweede moet erop worden gewezen dat indien verzoeksters reputatieschade daadwerkelijk het gevolg zou zijn van de bestreden verordening, die schade reeds zou zijn ontstaan op het moment dat de verordening werd vastgesteld en zou voortduren zolang deze niet zou worden nietig verklaard bij de beslissing op het hoofdberoep (zie in die zin beschikking van 15 november 2011, Xeda International/Commissie, T‑269/11 R, niet gepubliceerd, EU:T:2011:665, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74 Ten derde beroept verzoekster zich op de bijzondere gevoeligheid van de gezondheidssector. Aangezien de bestreden verordening is vastgesteld na een jarenlange, complexe administratieve procedure waaraan wetenschappers en professionals uit de betrokken sector hebben deelgenomen, kan een opschorting van de tenuitvoerlegging van die verordening – die de kortgedingrechter louter tijdelijk en in het kader van een summiere procedure beveelt – echter nauwelijks de eventuele twijfels wegnemen met betrekking tot de vraag of het juist is dat diflubenzuron veilig is voor eetbare gewassen (zie in die zin beschikking van 15 november 2011, Xeda International/Commissie, T‑269/11 R, niet gepubliceerd, EU:T:2011:665, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband moet erop worden gewezen dat verzoekster in strijd met de in de punten 24 tot en met 27 hierboven aangehaalde rechtspraak niet aangeeft waarom die vaststellingen niet relevant zouden zijn in de onderhavige zaak, en in het bijzonder niet preciseert hoe een opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening de bezorgdheid zou wegnemen die reeds voortvloeide uit de publicatie van de beoordeling door de lidstaat-rapporteur en de EFSA van diflubenzuron, en met name uit de conclusies over de genotoxiciteit van PCA, welke documenten al vele jaren beschikbaar zijn.
75 Hetzelfde geldt voor verzoeksters argument dat de bestreden verordening het consumentenvertrouwen in de diflubenzuronproducten hoogstwaarschijnlijk zal doen zinken en de consumenten ernstig zal doen twijfelen aan de veiligheid ervan. Uit het dossier blijkt immers niet dat een dergelijke vertrouwensbreuk kan worden vermeden door de voorlopige opschorting van die verordening te gelasten. Dienaangaande stelt verzoekster enkel dat indien wordt toegestaan dat die verordening wordt gehandhaafd, het stigma dat de daarin opgelegde beperking aan de betrokken stof heeft gegeven, almaar dreigt toe te nemen. Zoals in punt 73 hierboven is benadrukt, werd echter reeds gewezen op het gevaar van diflubenzuron op de markt voor eetbare gewassen en is deze informatie meegedeeld aan het publiek vóórdat de bestreden verordening is vastgesteld.
76 In de vijfde plaats, ten slotte, moet worden beklemtoond dat, zoals in punt 34 hierboven is uiteengezet, in een sterk gereguleerde markt als de onderhavige, waar de bevoegde instanties – om redenen die niet altijd kunnen worden voorzien – soms snel moeten ingrijpen wanneer de volksgezondheid wordt bedreigd, het aan de betrokken ondernemingen staat om zich tegen de gevolgen van dat ingrijpen te wapenen door middel van een adequaat beleid, en zij anders zelf de daardoor veroorzaakte schade dienen te dragen [zie beschikking van 16 juni 2016, ICA Laboratories e.a./Commissie, C‑170/16 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2016:462, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
77 In casu beschikte verzoekster ten vroegste op 7 september 2012, bij de overlegging van de conclusies van de EFSA waarin een nieuwe bezorgdheid met betrekking tot de mogelijke blootstelling aan PCA als residu werd geuit (zie punt 5 hierboven), of althans op 18 juli 2013, de datum waarop de Commissie verzoekster heeft laten weten dat zij had beslist de goedkeuring van de betrokken stof opnieuw te bekijken overeenkomstig artikel 21 van verordening nr. 1107/2009 (zie punt 7 hierboven), over informatie op basis waarvan zij zorgvuldigheidshalve, overeenkomstig de in punt 76 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, de gepaste maatregelen kon nemen om zich te wapenen tegen de eventuele risico’s van de beperking van het gebruik van diflubenzuron. Er zij bovendien op gewezen dat het onderhavige verzoek in kort geding hierover geen enkele aanwijzing bevat. Al deze overwegingen zijn trouwens pertinent, zelfs al zou worden erkend dat verzoekster, zoals zij in haar verzoek betoogt, pas vanaf juli 2015 redenen kon zien om te reageren op de bezorgdheid over de genotoxiciteit van de metaboliet.
78 Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat verzoekster de ernst van de beweerde schade niet heeft aangetoond.
Onherstelbaar karakter van de schade
79 Bovendien blijkt evenmin dat de in casu gestelde schade als onherstelbaar kan worden aangemerkt.
80 Ten eerste is het vaste rechtspraak dat financiële schade, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, niet als onherstelbaar of nog maar als moeilijk herstelbaar kan worden beschouwd, aangezien de benadeelde persoon in de regel met een financiële vergoeding kan worden teruggebracht in de situatie waarin hij zich vóór het ontstaan van de schade bevond. Dergelijke schade zou met name kunnen worden hersteld in het kader van een op grond van de artikelen 268 en 340 VWEU ingesteld beroep tot schadevergoeding [zie beschikkingen van 28 november 2013, EMA/InterMune UK e.a., C‑390/13 P(R), EU:C:2013:795, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 april 2009, United Phosphorus/Commissie, T‑95/09 R, niet gepubliceerd, EU:T:2009:124, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
81 Bij dergelijke schade is de gevraagde voorlopige maatregel enkel gerechtvaardigd indien de verzoekende partij anders vóór de eindbeslissing in de hoofdprocedure in een situatie zou geraken die haar voortbestaan kan bedreigen (beschikking van 3 december 2002, Neue Erba Lautex/Commissie, T‑181/02 R, EU:T:2002:294, punt 84). Aangezien de dreigende verdwijning van de markt effectief een onherstelbare en ernstige schade is, lijkt het in een dergelijk geval gerechtvaardigd de gevorderde voorlopige maatregel toe te kennen (zie beschikking van 28 april 2009, United Phosphorus/Commissie, T‑95/09 R, niet gepubliceerd, EU:T:2009:124, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82 In casu blijkt uit de door de kortgedingrechter in de punten 31 tot en met 52 hierboven verrichte analyse van de schade die beweerdelijk uit de dreigende omzet‑ en winstdaling voortvloeit, dat verzoekster zich niet in een dergelijke situatie bevindt.
83 Evenzo is met betrekking tot het betoog over het voortbestaan van de Ankerwegsite reeds geoordeeld dat in het onderhavige verzoek in kort geding essentiële informatie ontbreekt, bijvoorbeeld informatie over de mogelijkheid om het betrokken personeel over te plaatsen of de fabricageprocessen van verzoeksters productielijn binnen die site te herbestemmen. Dergelijke informatie is echter noodzakelijk om de kortgedingrechter in staat te stellen, te onderzoeken of de beweerde schade onherstelbaar is. Hoe dan ook is voor de beoordeling van het onherstelbaar karakter van de schade, overeenkomstig de in punt 81 hierboven aangehaalde rechtspraak, enkel verzoeksters voortbestaan relevant. Zoals in punt 65 hierboven is aangegeven, vreest verzoekster echter niet voor haar eigen voortbestaan maar voor dat van een productiesite.
84 Ten tweede is het weliswaar juist, zoals in punt 58 hierboven in herinnering is gebracht, dat ook rekening is gehouden met het feit dat verzoeksters marktaandelen zonder de gevraagde voorlopige maatregel onherstelbaar zouden worden gewijzigd, maar moet worden gepreciseerd dat dit geval enkel kan worden gelijkgeschakeld met een dreigende verdwijning van de markt en de gevorderde voorlopige maatregel kan rechtvaardigen indien de onherstelbare wijziging van de marktaandelen eveneens een ernstig karakter heeft. Het volstaat dus niet dat een onderneming een marktaandeel onherstelbaar dreigt te verliezen, maar dit aandeel moet ook voldoende groot zijn, gelet op met name de omvang van de onderneming, daarbij rekening houdend met de kenmerken van de groep waartoe zij via haar aandeelhouders behoort. Een verzoekende partij die het verlies van een dergelijk marktaandeel inroept, moet bovendien aantonen dat het om structurele of juridische redenen onmogelijk is om een aanzienlijk deel van dat marktaandeel terug te winnen (zie beschikking van 28 april 2009, United Phosphorus/Commissie, T‑95/09 R, niet gepubliceerd, EU:T:2009:124, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85 In de onderhavige zaak is geoordeeld dat het marktaandeel dat verzoekster vreest te verliezen, niet groot is (zie punt 38 hierboven). Hoe dan ook heeft zij niet rechtens genoegzaam aangetoond dat er structurele of juridische redenen zijn waarom zij geen aanzienlijk deel van dat marktaandeel kan terugwinnen.
86 Dienaangaande stelt verzoekster allereerst dat indien het hoofdberoep zou worden toegewezen, een reclamecampagne redelijkerwijze niet zou volstaan om haar huidig marktaandeel terug te winnen en zij de „negatieve publiciteit” die de bestreden verordening heeft gecreëerd, zou moeten „overwinnen”. Zij is naar eigen zeggen niet in staat een grootschalige reclamecampagne (of een gelijkwaardig initiatief) te lanceren om alle negatieve perceptie weg te werken, aangezien noch zij noch de groep waartoe zij behoort voldoende middelen heeft om een dergelijk initiatief te financieren.
87 Overeenkomst de in de punten 24 tot en met 27 hierboven aangehaalde rechtspraak staat het echter aan de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt om de kortgedingrechter de noodzakelijke informatie te verschaffen om met name het onherstelbare karakter van de beweerde schade te kunnen beoordelen. Aldus kan met eenvoudige beweringen alleen, niet worden voldaan aan deze in de rechtspraak ontwikkelde criteria. In casu beschikt de kortgedingrechter op het eerste gezicht echter over geen enkel document dat verzoeksters stelling dat de betrokken marktaandelen onmogelijk kunnen worden teruggewonnen, bevestigt. Verzoekster stelt immers louter dat het wegens een eventueel verlies van vertrouwen in haar producten moeilijk zal zijn om marktaandelen terug te veroveren, maar zij toont niet aan dat er structurele of juridische belemmeringen zijn om het vertrouwen van haar klanten en van de consument terug te winnen en aldus een aanzienlijk aandeel van die marktaandelen terug te krijgen door met name gepaste reclameboodschappen tot hen te richten [zie in die zin beschikking van 11 april 2001, Commissie/Gerot Pharmazeutika, C‑479/00 P(R), EU:C:2001:224, punt 92]. Verzoekster stelt dus enkel simpelweg dat noch zij noch de groep waartoe zij behoort, voldoende middelen heeft om een dergelijk initiatief te financieren.
88 Voorts verwijst verzoekster, waar zij tracht aan te tonen dat haar klanten noodzakelijkerwijs negatief zullen reageren, naar de vermeende gevolgen van de verzending door de vennootschap Audax, na de publicatie van de bestreden verordening, van een e‑mail waardoor de betrokken stof op een zwarte lijst is geplaatst voor de supermarkten die door deze vennootschap worden ondersteund. Verzoekster gaat daarbij echter voorbij aan de impact die een soortgelijke e‑mail zou hebben – indien haar beroep in de hoofdprocedure wordt toegewezen – om diezelfde klanten te laten weten dat de bestreden verordening is nietig verklaard. Hoewel het verzenden van de betrokken e‑mail op zich de door verzoekster aangevoerde negatieve effecten kan hebben gehad, lijkt het erop dat deze effecten kunnen worden weggewerkt met eenzelfde e‑mail waarmee bekend wordt gemaakt dat verzoeksters beroep gegrond is.
89 Vervolgens meent verzoekster dat zelfs indien zij een nieuwe alternatieve stof zou kunnen uitvinden, zij met ernstige juridische en administratieve obstakels zou worden geconfronteerd, gelet op de geldende voorschriften, zoals het vereiste om een volledig wetenschappelijk dossier over te leggen waaruit blijkt dat de alternatieve stof veilig is, het onderzoek van dit dossier en de administratieve goedkeuringsprocedure, waarbij die procedure in totaal ongeveer tien jaar duurt. Bovendien kost het volgens haar gemiddeld tussen 1,5 en 2 miljoen EUR om een product te doen inschrijven, afhankelijk van hoeveel verschillende gewassen men op het productetiket wenst te zetten en van het stadium van de procedure voor de verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof(fen) van het product.
90 In dit verband zij opgemerkt dat, gelet op de gemiddelde duur van de procedures voor het Gerecht, de beslissing ten gronde in de onderhavige zaak waarschijnlijk binnen twee jaar zal worden gewezen (zie in die zin beschikking van 21 juli 2017, Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo/Commissie, T‑130/17 R, EU:T:2017:541, punt 47). Verzoekster zal dan ook geruime tijd vóór het einde van de termijn die noodzakelijk is voor de goedkeuring van een eventuele alternatieve stof uitsluitsel krijgen over de wettigheid van de bestreden verordening. In deze context moet erop worden gewezen dat verzoekster niet heeft verzocht om toepassing van de versnelde procedure als bedoeld in de artikelen 151 en volgende van het Reglement voor de procesvoering. Zij kan trouwens overeenkomstig artikel 3 van de bestreden verordening tot 8 september 2018 in aanmerking komen voor een „respijtperiode” waarin de lidstaten de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die diflubenzuron bevatten, onverlet kunnen laten. Zoals zij in haar verzoekschrift heeft onderstreept, is er bovendien een aan strikte termijnen gebonden verlengingsprocedure aan de gang, waarin vanaf 2018 zou kunnen worden besloten dat de betrokken metaboliet niet genotoxisch is. Volgens de Commissie zou deze procedure kort vóór 30 juni 2019 worden beëindigd. Bijgevolg lijkt het feit dat verzoekster geen alternatieve stof in haar assortiment heeft, geen relevant gegeven te zijn wat het onherstelbare karakter van de beweerde schade betreft.
91 Tot slot beweert verzoekster eenvoudigweg dat haar reputatieschade onoverkomelijk is, enerzijds omdat haar moedervennootschap Platform Specialty Products in afwachting van een eindbeslissing in deze zaak niets kan doen om haar reputatie te herstellen, en anderzijds omdat die reputatieschade niet louter financieel en evenmin tijdelijk door haar moedervennootschap kan worden hersteld. Verzoekster laat niet alleen na, zoals in punt 74 hierboven is aangegeven, te preciseren hoe de gevraagde opschorting van tenuitvoerlegging een gepaste oplossing zou vormen voor die beweerde schade, maar bovendien kan de kortgedingrechter overeenkomstig de in de punten 24 tot en met 27 hierboven aangehaalde rechtspraak niet worden overtuigd aan de hand van dergelijke beweringen als zodanig, zonder dat deze worden gestaafd door andere gegevens.
92 Ten derde zij niettemin opgemerkt dat financiële schade met name als onherstelbaar kan worden beschouwd indien deze schade, zelfs wanneer zij zich voordoet, niet kan worden becijferd [zie beschikking van 28 november 2013, EMA/InterMune UK e.a., C‑390/13 P(R), EU:C:2013:795, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
93 De onzekerheid of geldelijke schade al dan niet zal worden vergoed in het kader van een eventueel beroep tot schadevergoeding kan op zich stellig niet worden beschouwd als een omstandigheid waaruit blijkt dat deze schade onherstelbaar is in de zin van de rechtspraak van het Hof. In de fase van het kort geding is het immers per definitie onzeker of achteraf vergoeding van geldelijke schade zal kunnen worden verkregen in het kader van een eventueel beroep tot schadevergoeding dat kan worden ingesteld nadat de bestreden handeling nietig is verklaard. De procedure in kort geding heeft echter niet tot doel, een dergelijk beroep tot schadevergoeding te vervangen om deze onzekerheid weg te nemen. Het enige doel ervan is, de volle werking te garanderen van de toekomstige definitieve beslissing in de procedure ten gronde waarop het kort geding betrekking heeft, te weten, in casu, een beroep tot nietigverklaring [zie beschikking van 28 november 2013, EMA/InterMune UK e.a., C‑390/13 P(R), EU:C:2013:795, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
94 De situatie is daarentegen anders wanneer reeds bij de beoordeling door de kortgedingrechter duidelijk blijkt dat de aangevoerde schade, gelet op de aard ervan en de wijze waarop deze zich naar verwachting zal voordoen, niet op passende wijze zal kunnen worden vastgesteld en becijferd indien zij optreedt, en dat zij dus in de praktijk niet via een beroep tot schadevergoeding zal kunnen worden hersteld [zie beschikking van 28 november 2013, EMA/InterMune UK e.a., C‑390/13 P(R), EU:C:2013:795, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
95 Hoewel verzoekster in casu meent dat de beweerde schade mogelijkerwijs niet kan worden vergoed, blijkt uit haar geschriften niet dat die schade, gelet op de aard ervan en de wijze waarop zij zich naar verwachting zal voordoen, niet op passende wijze zal kunnen worden vastgesteld en becijferd indien zij optreedt, en in de praktijk dus niet via een beroep tot schadevergoeding zal kunnen worden hersteld. Wel integendeel: verzoekster legt een aantal boekhoudkundige gegevens over waarmee die schade op het eerste gezicht niet alleen passend kan worden vastgesteld maar ook passend kan worden berekend.
[omissis]
Afweging van de belangen
101 Verder moet worden beklemtoond dat de belangenafweging niet in het voordeel van een opschorting van de bestreden verordening uitvalt.
102 Volgens de rechtspraak moeten in een kortgedingprocedure de aan elk van de mogelijke oplossingen verbonden risico’s tegen elkaar worden afgewogen. Concreet betekent dit dat wordt onderzocht of het belang dat de om voorlopige maatregelen verzoekende partij heeft bij de opschorting van tenuitvoerlegging van de bestreden handeling, opweegt tegen dat van een onmiddellijke toepassing van die handeling. Daarbij gaat het erom te bepalen of de eventuele nietigverklaring van die handeling door de bodemrechter het mogelijk zou maken om de situatie die zou worden veroorzaakt door de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan, terug te draaien en, omgekeerd, in hoeverre de opschorting een obstakel zou kunnen zijn voor de verwezenlijking van de met de bestreden handeling nagestreefde doelstellingen indien het hoofdberoep zou worden verworpen [beschikking van 1 maart 2017, EMA/MSD Animal Health Innovation en Intervet international, C‑512/16 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2017:149, punt 127].
103 In casu is verzoekster van mening dat de belangenafweging in haar voordeel uitvalt, ten eerste omdat de betrokken stof geen bekende gezondheidsrisico’s inhoudt en ten tweede omdat elke andere aanpak dan die waarbij de bestreden verordening wordt opgeschort totdat er in de procedure tot verlenging van de betrokken stof een definitieve beslissing is gegeven, onevenredig zou zijn en haar onnodig zou bestraffen, aangezien het behoud van die verordening volgens haar immers ertoe zou leiden dat de gevolgen van de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt als deze verordening nietig wordt verklaard door de rechter in de procedure ten gronde.
104 Wat in de eerste plaats het argument betreft dat er geen gevaar is voor de volksgezondheid, benadrukt verzoekster dat de betrokken stof en de daarop gebaseerde producten 40 jaar lang in de handel zijn geweest en dat zich daarbij tot op heden nooit enig incident heeft voorgedaan dat verband hield met de volksgezondheid. Zij preciseert verder dat diflubenzuron buiten de Unie wel is goedgekeurd. Ten slotte meent zij dat de vragen van de Commissie meer speculatief dan reëel zijn, en dat er bijgevolg niet méér gewicht aan gezondheidsoverwegingen kan worden toegekend dan aan de schade die zij door de bestreden verordening lijdt.
105 Uit de gegevens van het dossier blijkt dat er risico’s voor de menselijke gezondheid zijn vastgesteld. In dit verband kan verzoeksters argument dat de stof in de Unie meer dan 40 jaar lang in alle veiligheid is gebruikt zonder dat er ooit schadelijke effecten op de menselijke gezondheid zijn gerapporteerd, niet overtuigen. In de sector waarop de onderhavige zaak betrekking heeft, zijn wetenschappelijke ontwikkelingen immers niet zeldzaam. Zij bieden de gelegenheid om stoffen opnieuw te evalueren in het licht van nieuwe wetenschappelijke kennis en ontdekkingen. Dat is de reden waarom er verlengingsprocedures bestaan en waarom toelatingen voor het op de markt brengen worden beperkt in de tijd. De kortgedingrechter moet bij de belangenafweging dan ook afgaan op de risico’s die thans bekend zijn.
106 In dit verband herinnert de Commissie eraan dat diflubenzuron een kankerverwekkende stof van categorie 1B is, en dat de genotoxische eigenschappen ervan zijn aangetoond na een uitgebreide beoordeling door de lidstaat-rapporteur, de EFSA en de deskundigen van de lidstaten.
107 Verzoeksters standpunt dat er geen risico voor de volksgezondheid bestaat, is hoofdzakelijk gebaseerd op de argumenten die zij aanvoert om aan te tonen dat sprake is van fumus boni juris, te weten, ten eerste, dat de beslissing om de bestreden verordening vast te stellen op een kennelijke beoordelingsfout berust aangezien de Commissie niet op zorgvuldige en onpartijdige wijze informatie in aanmerking heeft genomen waaruit blijkt dat er qua genotoxiciteit van de betrokken stof geen reden tot bezorgdheid is en, ten tweede, dat haar het recht van verweer is ontzegd doordat zij niet in de gelegenheid is gesteld om opmerkingen in te dienen over bepaalde documenten waarin wordt geconcludeerd dat diflubenzuron gezondheidsrisico’s inhoudt.
108 Dit zijn echter aspecten die onder het toezicht op de rechtmatigheid van de procedure vallen. Zonder andere elementen, en behoudens wanneer in voorkomend geval een kennelijke beoordelingsfout wordt erkend, kan de kortgedingrechter op basis daarvan bij de belangenafweging niet tot de slotsom komen dat de conclusies van de voormelde documenten voorrang moeten hebben op de eerdere bevindingen, die in beginsel het resultaat zijn van een nauwkeurig en uitgebreid onderzoek. Het staat immers niet aan hem om een technische beoordeling te verrichten van wetenschappelijke gegevens, waartoe hij niet de bevoegdheid heeft. In de omstandigheden van het onderhavige geval moet dan ook, gelet op de andere belangen die op het spel staan, rekening worden gehouden met de volksgezondheidsrisico’s zoals die in de bestreden verordening zijn aangegeven.
109 In dit verband vermeldt verzoekster geen ander belang dan het vermijden van de schade die de bestreden verordening voor haar meebrengt. Het is echter vaste rechtspraak dat eisen in verband met de bescherming van de gezondheid in beginsel zonder twijfel zwaarder moeten wegen dan economische overwegingen [zie beschikking van 11 april 2001, Commissie/Bruno Farmaceutici e.a., C‑474/00 P(R), EU:C:2001:219, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 19 april 2012, Artegodan/Commissie, C‑221/10 P, EU:C:2012:216, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
110 In casu zij erop gewezen dat, bij gebreke van andere in aanmerking te nemen belangen, de beweerde schade – waarvan trouwens is aangetoond dat deze noch voldoende ernstig noch onherstelbaar is – niet volstaat om de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te doen uitvallen. De met betrekking tot diflubenzuron geïdentificeerde volksgezondheidsrisico’s moeten immers als vaststaand worden beschouwd (zie punt 105 hierboven).
111 Hoe dan ook zou de spoedeisendheid, gesteld al dat verzoekster deze had kunnen aantonen gelet op de kenmerken van de door haar geleden schade, moeten worden beoordeeld in het licht van het in vaste rechtspraak geformuleerde beginsel volgens hetwelk de voorrang van dwingende vereisten van bescherming van de volksgezondheid beperkingen kan rechtvaardigen die – zelfs aanzienlijke – negatieve gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers hebben (zie in die zin arrest van 1 juni 2010, Blanco Pérez en Chao Gómez, C‑570/07 en C‑571/07, EU:C:2010:300, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In deze context is zelfs benadrukt hoe belangrijk het is om het voorzorgsbeginsel te erkennen, volgens hetwelk, indien er twijfels blijven over het bestaan van risico’s voor de menselijke gezondheid of over de omvang van die risico’s, de instellingen van de Unie voorzorgsmaatregelen kunnen nemen zonder te moeten wachten totdat die risico’s of de ernst ervan worden aangetoond [zie in die zin beschikking van 19 december 2013, Commissie/Duitsland, C‑426/13 P(R), EU:C:2013:848, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
112 Bijgevolg moeten verzoeksters argumenten over de schadeloosheid van de betrokken stof waarmee zij tracht aan te tonen dat de volksgezondheidsoverwegingen niet zwaarder kunnen wegen dan die betreffende haar schade, worden afgewezen.
113 Wat in de tweede plaats het argument betreft dat is ontleend aan de onevenredigheid van elke andere aanpak dan die waarbij de bestreden verordening wordt opgeschort totdat er een definitieve beslissing is in de procedure tot verlenging van de betrokken stof, herinnert verzoekster eraan dat de betrokken stof momenteel overeenkomstig verordening nr. 1107/2009 (zie punt 8 hierboven) in de Unie wordt geëvalueerd in het kader van de verlenging van de goedkeuring, waarvoor een in de verordening vastgestelde termijn geldt die in december 2018 verstrijkt. Zij benadrukt dat de Helleense Republiek in dit kader momenteel als rapporteur-lidstaat de gegevens over de genotoxiciteit van PCA en het consumentenrisico beoordeelt, en wijst erop dat het resultaat daarvan bekend zal zijn in oktober 2017. Zij voegt hieraan toe dat de studie van 28 februari 2017 de bezorgdheid omtrent PCA heeft weggenomen (zie punt 47 hierboven).
[omissis]
116 Om te beginnen moet worden beklemtoond dat het in de onderhavige zaak niet zo is dat de diflubenzuronproducten onmiddellijk uit de handel moeten worden genomen. Enerzijds beperkt de bestreden verordening het gebruik van diflubenzuron louter doordat deze stof enkel wordt uitgesloten van de markt voor eetbare gewassen en het gebruik ervan in insecticiden dus niet volledig wordt verboden. Aldus kan verzoekster gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten, blijven produceren en verhandelen voor het gebruik op niet-eetbare gewassen. Anderzijds voorziet de bestreden verordening in een respijtperiode die eindigt op 8 september 2018.
117 In dit verband moet erop worden gewezen dat de toekenning van een respijtperiode niet uitsluit dat er risico’s voor de volksgezondheid bestaan. Hoewel de lidstaten niet verplicht zijn om vóór het einde van deze periode te handelen, kunnen zij immers meteen al de noodzakelijke maatregelen nemen. Met een dergelijke periode kan dus reeds een zekere bescherming tegen de vastgestelde risico’s worden geboden, hetgeen daarentegen met een opschorting van tenuitvoerlegging onmogelijk zou zijn. De relevantie van een dergelijke respijtperiode voor de door de kortgedingrechter verrichte afweging van de betrokken belangen blijkt op het tijdstip waarop deze laatste de omvang van de geïdentificeerde risico’s nagaat in vergelijking met de impact van de andere belangen waarvan om bescherming wordt verzocht. In casu blijkt echter uit de analyse van verzoeksters belangen, te weten de schade die zij door de toepassing van de bestreden verordening vreest te lijden, dat deze minder groot lijken te zijn dan de belangen van de volksgezondheid (zie punten 109 tot en met 112 hierboven), in het bijzonder aangezien die respijtperiode de gevreesde gevolgen van de bestreden verordening op verzoeksters situatie tot een minimum beperkt.
118 Voorts stelt de lopende verlengingsprocedure, zoals de Commissie in haar opmerkingen benadrukt, verzoekster in staat om haar belangen te beschermen, aangezien zij in die procedure kan aanvoeren dat de betrokken stof geen gevaar voor de volksgezondheid oplevert. Volgens verzoekster kunnen de gevolgen van deze lopende procedure echter reeds in de loop van 2018 worden waargenomen.
119 Ten slotte, ook al beroept verzoekster zich op een wettelijke termijn volgens welke de toelating voor diflubenzuron – die van vóór de vaststelling van de bestreden verordening dateert – pas in december 2018 verstrijkt, lijkt het ongepast om de werking van de bestreden verordening op te schorten, al is het maar tot die datum. Er zijn immers door de kortgedingrechter in aanmerking te nemen volksgezondheidsrisico’s geïdentificeerd (zie punten 105 tot en met 108 hierboven), die belangrijker worden geacht dan de belangen die verzoekster aanvoert (zie punten 109 tot en met 112 hierboven). Een dergelijke voorlopige maatregel in de tijd beperken tot aan het einde van de verlengingsprocedure, zoals verzoekster vordert, stuit a fortiori op dezelfde bezwaren aangezien die procedure volgens de Commissie zou kunnen voortduren tot 30 juni 2019.
120 Enerzijds kan verzoekster in haar huidige situatie haar diflubenzuronproducten dus deels blijven verhandelen (zie punt 116 hierboven) en lijkt er weldra een beslissing te komen over de verlenging van de toelating die zij daarvóór had verkregen (zie punt 118 hierboven). Anderzijds garandeert het behoud van de gevolgen van de bestreden verordening dat de volksgezondheid nu al in zekere mate kan worden beschermd tegen de nieuw vastgestelde risico’s (zie punt 119 hierboven).
121 Bijgevolg moet verzoeksters betoog over de onevenredigheid van elke andere aanpak dan die waarbij de bestreden verordening wordt opgeschort totdat er een definitieve beslissing is over de verlenging van de betrokken stof, worden afgewezen.
122 Gelet op het voorgaande moet worden besloten dat de belangenafweging er overeenkomstig de in punt 102 hierboven aangehaalde rechtspraak niet toe noopt de gevraagde voorlopige maatregelen toe te kennen.
123 Zonder dat hoeft te worden onderzocht of de voorwaarde inzake het bestaan van fumus boni juris in casu is vervuld, dient te worden besloten dat het verzoek in kort geding moet worden afgewezen. Verzoekster heeft immers niet kunnen aantonen, ten eerste, dat de voorwaarde van spoedeisendheid is vervuld, daar de beweerde schade geen ernstig en onherstelbaar karakter heeft en, ten tweede, dat de belangenafweging in haar voordeel uitvalt.
124 Overeenkomstig artikel 158, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering moet de beslissing omtrent de kosten worden aangehouden.
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 22 juni 2018.
De griffierDe president
E. CoulonM. Jaeger
* Procestaal: Engels.
1 Enkel de punten van deze beschikking waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Full & Egal Universal Law Academy