BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
19 november 2018 ( *1 )
„Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding – Economische en monetaire unie – Bankenunie – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) – Gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) – Vaststelling van de vooraf te betalen bijdrage voor 2016 – Onjuiste aanduiding van de verwerende partij – Beroepstermijn – Tardiviteit – Hypothetische handelingen – Verzoek tot schadevergoeding – Nauwe band met het verzoek tot nietigverklaring – Exceptie van onwettigheid – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑494/17,
Iccrea Banca SpA Istituto Centrale del Credito Cooperativo, gevestigd te Rome (Italië), vertegenwoordigd door P. Messina, F. Isgrò en A. Dentoni Litta, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Di Bucci, A. Steiblytė en K.‑Ph. Wojcik als gemachtigden,
en
Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), vertegenwoordigd door G. Rumi, S. Raes, M. Merola en T. Van Dyck, advocaten,
verweerders,
betreffende, primair, ten eerste een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van de bestuursvergadering van de GAR van 15 april 2016 betreffende de vooraf aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te betalen bijdragen voor 2016 (SRB/ES/SRF/2016/06) en van alle andere besluiten van de GAR op basis waarvan de Banca d’Italia (Italiaanse centrale bank) de nationale besluiten nr. 1249264/15 van 24 november 2015, nr. 1262091/15 van 26 november 2015, nr. 1547337/16 van 29 december 2016, nr. 333162/17 van 14 maart 2017 en nr. 334520/17 van 14 maart 2017 zou hebben vastgesteld, voor zover deze betrekking hebben op verzoekster, en ten tweede een verzoek krachtens artikel 268 VWEU tot schadevergoeding, en subsidiair, een verzoek krachtens artikel 277 VWEU.
geeft
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: A. M. Collins, president, R. Barents en J. Passer (rapporteur), rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Voorgeschiedenis van het geding
1
Bij besluit van 15 april 2016 betreffende de vooraf aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te betalen bijdragen voor 2016 (SRB/ES/SRF/2016/06) (hierna: „besluit van 15 april 2016”) heeft de bestuursvergadering van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) haar goedkeuring gehecht aan de bijdragen die voor het jaar 2016 vooraf moeten worden betaald aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (hierna: „GAF”), dat is opgericht bij verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1).
2
De GAR heeft van dat besluit kennisgegeven aan de nationale afwikkelingsautoriteiten (hierna: „NAA’s”) die belast zijn met de inning van de individuele bijdragen bij de betrokken banken die gevestigd zijn op het grondgebied van de respectieve lidstaat.
3
Bij brief van 3 mei 2016, die op dezelfde dag is ontvangen, heeft de Banca d’Italia (hierna: „Italiaanse NAA”) verzoekster, Iccrea Banca SpA Istituto Centrale del Credito Cooperativo, ervan op de hoogte gesteld dat de GAR haar vooraf aan het GAF te betalen bijdrage voor 2016 had vastgesteld, waarbij de Italiaanse NAA haar tevens het bedrag meedeelde.
Procedure en conclusies van partijen
4
Bij op 28 juli 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
5
Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen:
–
primair, ten eerste het besluit van 15 april 2016 alsook alle andere besluiten van de GAR op basis waarvan de Italiaanse NAA de nationale besluiten nr. 1249264/15 van 24 november 2015, nr. 1262091/15 van 26 november 2015, nr. 1547337/16 van 29 december 2016, nr. 333162/17 van 14 maart 2017 en nr. 334520/17 van 14 maart 2017 zou hebben vastgesteld, voor zover deze betrekking hebben op verzoekster, overeenkomstig artikel 263 VWEU nietig te verklaren, en ten tweede de GAR overeenkomstig artikel 268 VWEU te veroordelen om verzoekster de schade te vergoeden die hij haar in 2015 en 2016 heeft toegebracht bij de uitvoering van zijn taken in verband met de vaststelling van de door haar verschuldigde bijdragen, welke schade bestaat in het feit dat verzoekster hogere bedragen diende te betalen;
–
subsidiair, artikel 5, lid 1, onder a) en f), van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44), overeenkomstig artikel 277 VWEU ongeldig te verklaren, of in voorkomend geval die verordening in haar geheel ongeldig te verklaren;
–
de GAR te verwijzen in de kosten.
6
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 oktober 2017 overeenkomstig artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft de Europese Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. De Commissie verzoekt het Gerecht:
–
het beroep bij beschikking te verwerpen omdat het zonder voorwerp of kennelijk niet-ontvankelijk is;
–
subsidiair, het beroep te verwerpen omdat het zonder voorwerp of niet-ontvankelijk is;
–
verzoekster te verwijzen in de kosten.
7
Bij ter griffie van het Gerecht op 8 november 2017 neergelegde akte heeft de GAR zijn verweerschrift ingediend. De GAR verzoekt het Gerecht:
–
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
–
subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
–
verzoekster te verwijzen in de kosten.
8
Bij ter griffie van het Gerecht op 11 januari 2018 neergelegde akten heeft verzoekster haar opmerkingen over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend samen met haar repliek.
9
Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen:
–
de door de Commissie en de GAR opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
–
het beroep volgens het petitum van haar verzoekschrift toe te wijzen.
10
Bij beschikking van 5 februari 2018 heeft het Gerecht de GAR in het kader van maatregelen van instructie gelast om met name een volledig afschrift van zowel de vertrouwelijke als de niet-vertrouwelijke versie van het originele besluit van 15 april 2016, inclusief de bijlage daarbij, over te leggen.
11
Op 21 februari 2018 heeft de GAR gevolg gegeven aan de beschikking van het Gerecht van 5 februari 2018.
12
Bij brief van 12 maart 2018 heeft het Gerecht in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang vragen gesteld aan de GAR.
13
Op 27 maart 2018 heeft de GAR gedeeltelijk op die vragen geantwoord, waarbij hij aanvoerde dat voor het resterende gedeelte een maatregel van instructie was vereist omdat dit gedeelte vertrouwelijke gegevens bevatte.
14
Bij beschikking van 2 mei 2018 heeft het Gerecht een maatregel van instructie vastgesteld.
15
Bij brief van 18 mei 2018, die op 8 en 29 juni 2018 is geregulariseerd, heeft de GAR gevolg gegeven aan de beschikking van het Gerecht van 2 mei 2018.
16
Bij beslissing van 16 juli 2018 heeft het Gerecht de vertrouwelijke versies van de door de GAR overgelegde documenten uit het dossier verwijderd, met uitzondering van de txt-bestanden die zich bevinden op de door de GAR op 18 mei 2018 overgelegde USB-sticks en die geen vertrouwelijke gegevens bevatten. Deze bestanden zijn in papieren vorm aan het dossier toegevoegd.
In rechte
Door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid
17
Krachtens artikel 130, leden 1 en 7, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien de verwerende partij daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid of de onbevoegdheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Aangezien de Commissie een verzoek op grond van artikel 130, lid 1, van het bovengenoemde Reglement had ingediend, heeft het Gerecht, dat zich door de stukken in het procesdossier voldoende voorgelicht achtte, in casu besloten om op dat verzoek uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.
18
De Commissie voert aan dat het beroep te haren aanzien kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het besluit van 15 april 2016 een besluit van de GAR is. Aan deze vaststelling kan volgens haar niet worden afgedaan door de exceptie van onwettigheid die verzoekster heeft opgeworpen.
19
Volgens vaste rechtspraak moet een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU zijn gericht tegen de instelling, het orgaan of de instantie van de Europese Unie waardoor de betreffende handeling is vastgesteld (zie in die zin arresten van 11 september 2003, Oostenrijk/Raad, C‑445/00, EU:C:2003:445, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 september 2016, La Ferla/Commissie en ECHA, T‑392/13, EU:T:2016:478, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20
In casu is het besluit van 15 april 2016 geen besluit van de Commissie, maar een besluit van de GAR. Hieraan dient te worden toegevoegd dat volgens de bewoordingen van het verzoekschrift hetzelfde geldt voor alle eventuele „andere besluiten van de [GAR]” op basis waarvan de Italiaanse NAA de vijf in het verzoekschrift vermelde nationale besluiten zou hebben vastgesteld.
21
Daarbij komt dat het overeenkomstig artikel 277 VWEU inroepen van de niet-toepasselijkheid van een handeling van algemene strekking, waarvan in het onderhavige geval sprake is, geen autonoom vorderingsrecht vormt en een mogelijkheid is die slechts incidenteel kan worden benut. Dat verzoekster een exceptie van onwettigheid opwerpt tegen de door de Commissie vastgestelde gedelegeerde verordening 2015/63 kan dan ook niet tot gevolg hebben dat die instelling voor het Gerecht wordt gedaagd. Iedere andere opvatting zou erop neerkomen dat het feit dat de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 277 VWEU de niet-toepasselijkheid van een handeling van algemene strekking in te roepen geen autonoom vorderingsrecht vormt, ter discussie wordt gesteld (zie arrest van 15 september 2016, La Ferla/Commissie en ECHA, T‑392/13, EU:T:2016:478, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het onderhavige beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is voor zover het is gericht tegen de Commissie.
Door de GAR opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep
23
Krachtens artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer het kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van een beroep dan wel wanneer dit beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond is, te allen tijde, op voorstel van de rechter-rapporteur, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten. In casu acht het Gerecht zich door de stukken in het procesdossier voldoende voorgelicht en beslist het uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.
Niet-ontvankelijkheid van het beroep in verband met de termijnen, voor zover het is gericht tegen het besluit van 15 april 2016
24
Verzoekster betoogt dat zij het beroep tijdig heeft ingesteld. Volgens haar droeg zij vóór 29 mei 2017 niet daadwerkelijk kennis van het besluit van 15 april 2016. Bijgevolg is het onderhavige verzoek tot nietigverklaring tijdig ingediend. Daarnaast wijst verzoekster erop dat het beroep dat zij heeft ingesteld bij de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië), tevens betrekking had op de andere Italiaanse besluiten voor 2015 en 2017, waarvoor de overeenkomstige besluiten van de GAR echter niet zijn overgelegd.
25
De GAR voert aan dat het beroep kennelijk tardief is, omdat verzoekster uiterlijk in mei 2016 op de hoogte is geraakt van het besluit van 15 april 2016, maar het beroep tot nietigverklaring niettemin pas meer dan een jaar later heeft ingesteld.
26
Volgens de GAR wordt verzoekster hoe dan ook niet rechtstreeks en individueel geraakt door het besluit van 15 april 2016. Enkel de door de Italiaanse NAA op basis van het besluit van de GAR vastgestelde handeling roept ten aanzien van verzoekster een rechtsgevolg in het leven. Verzoekster dient zich te wenden tot de nationale rechter, die het Hof een prejudiciële vraag kan stellen.
27
In de eerste plaats volgt uit de in casu toepasselijke regeling, met name uit artikel 54, lid 1, onder b), en artikel 70, lid 2, van verordening nr. 806/2014, dat de GAR zowel in concreto de individuele bijdragen heeft berekend als het besluit van 15 april 2016 houdende goedkeuring van die bijdragen heeft vastgesteld. Aan deze constatering wordt niet afgedaan door het feit dat de GAR en de NAA’s samenwerken.
28
In de tweede plaats zij opgemerkt dat de organen waartoe de GAR het door hem vastgestelde besluit richt waarbij de vooraf te betalen bijdragen worden bepaald, de NAA’s en niet de banken zijn, ongeacht de terminologische afwijkingen die bestaan tussen de taalversies van artikel 5 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/81 van de Raad van 19 december 2014 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de toepassing van verordening nr. 806/2014 (PB 2015, L 15, blz. 1). De NAA’s zijn feitelijk en overeenkomstig de toepasselijke regeling de enige entiteiten waaraan het besluit in kwestie door de auteur ervan moet worden verzonden, zodat zij uiteindelijk de adressaten van dat besluit in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU zijn.
29
De vaststelling dat de NAA’s van het besluit van de GAR de adressaten in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU zijn, vindt trouwens steun in het feit dat zij in het bij verordening nr. 806/2014 ingevoerde stelsel – overeenkomstig artikel 67, lid 4, van deze verordening – belast zijn met de inning van de individuele bijdragen bij de banken.
30
Zonder dat hoeft te worden onderzocht of de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU zijn vervuld, dient te worden vastgesteld dat het onderhavige beroep om de hiernavolgende redenen kennelijk niet-ontvankelijk is in verband met de termijnen.
31
Volgens artikel 263, zesde alinea, VWEU moeten verzoeken tot nietigverklaring worden ingediend binnen twee maanden te rekenen, naargelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.
32
In casu is het besluit van 15 april 2016 niet bekendgemaakt, noch is ervan kennisgegeven aan verzoekster, die geen adressaat van dat besluit is.
33
Volgens vaste rechtspraak gaat bij gebreke van bekendmaking of kennisgeving de beroepstermijn pas in op het tijdstip waarop de betrokkene nauwkeurig op de hoogte is van de inhoud en de motivering van de handeling in kwestie, mits hij binnen een redelijke termijn de volledige tekst opvraagt. Onder dit voorbehoud kan de beroepstermijn pas ingaan op de dag waarop de betrokken derde nauwkeurig kennis draagt van de inhoud en de motivering van de betreffende handeling, zodat hij zijn beroepsrecht op dienstige wijze kan uitoefenen (zie in die zin beschikking van 5 maart 1993, Ferriere Acciaierie Sarde/Commissie, C‑102/92, EU:C:1993:86, punt 18; arresten van 19 februari 1998, Commissie/Raad, C‑309/95, EU:C:1998:66, punt 18, en 14 mei 1998, Windpark Groothusen/Commissie, C‑48/96 P, EU:C:1998:223, punt 25).
34
Bijgevolg is de in artikel 263, zesde alinea, VWEU vastgestelde termijn van twee maanden – die bij gebreke van bekendmaking of kennisgeving van de handeling waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat, loopt vanaf de dag waarop de verzoekende partij ervan op de hoogte is geraakt – verschillend van de redelijke termijn waarover de verzoekende partij beschikt om de volledige tekst van de betreffende handeling op te vragen teneinde te weten wat er precies in staat (beschikking van 10 november 2011, Agapiou Joséphidès/Commissie en Eacea, C‑626/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:726, punt 128).
35
In casu zij opgemerkt dat verzoekster – zoals alle instellingen die aan het GAF vooraf een bijdrage moesten betalen voor 2016 – de documenten en vragenlijsten heeft ontvangen die nodig waren voor het verstrekken van de gegevens op basis waarvan de GAR de individuele bijdragen zou kunnen berekenen. Door middel van die documenten en vragenlijsten is verzoekster meegedeeld dat de bijdrage aan het GAF werd berekend door de GAR. Verzoekster heeft noodzakelijkerwijs kennisgenomen van die documenten om erop te reageren.
36
Vervolgens is verzoekster door de brief van de Italiaanse NAA van 3 mei 2016, die zij dezelfde dag heeft ontvangen, op de hoogte geraakt van het bestaan van het besluit van 15 april 2016.
37
In die brief heeft de Italiaanse NAA verzoekster ervan in kennis gesteld dat de GAR haar vooraf aan het GAF te betalen bijdrage voor 2016 had berekend, waarbij de Italiaanse NAA haar tevens het verschuldigde bedrag meedeelde.
38
Verzoekster wist dus dat het besluit van 15 april 2016 bestond, zodat zij het moest opvragen binnen de termijn die wordt bedoeld in de in de punten 33 en 34 hierboven aangehaalde rechtspraak, daar zij geen verzoek om voorlopige maatregelen heeft ingediend in afwachting van de mededeling van het besluit in kwestie.
39
De „redelijke termijn” om een besluit op te vragen na kennisneming van het bestaan ervan is geen vooraf vastgestelde termijn die automatisch in mindering komt van de termijn voor instelling van het beroep tot nietigverklaring, maar een termijn die afhangt van de omstandigheden van het geval (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB, C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punten 32‑34).
40
Wat het begrip „redelijke termijn” betreft, zij om te beginnen opgemerkt dat het Hof in andere zaken heeft geoordeeld dat de redelijke termijn wordt overschreden door een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene kennis draagt van het bestaan van een besluit, zodat hij dit besluit kan opvragen (beschikking van 5 maart 1993, Ferriere Acciaierie Sarde/Commissie, C‑102/92, EU:C:1993:86, punt 19; zie in die zin ook beschikking van 10 november 2011, Agapiou Joséphidès/Commissie en Eacea, C‑626/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:726, punten 131 en 132).
41
Daarnaast zij opgemerkt dat het Gerecht in nog andere zaken heeft geoordeeld dat het opvragen van de volledige tekst van een besluit meer dan vier maanden nadat de verzoeker van het bestaan van die handeling op de hoogte is geraakt, moet worden geacht elke redelijke termijn te overschrijden (zie in die zin beschikkingen van 15 juli 1998, LPN en GEOTA/Commissie, T‑155/95, EU:T:1998:167, punt 44, en 18 mei 2010, Abertis Infraestructuras/Commissie, T‑200/09, niet gepubliceerd, EU:T:2010:200, punt 63).
42
Gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak hoeft niet te worden afgeweken van het oordeel van het Hof en het Gerecht.
43
Nadat verzoekster kennis had genomen van het bestaan van het bestreden besluit, heeft zij dit besluit niet opgevraagd, laat staan binnen een redelijke termijn opgevraagd.
44
Verzoekster stelt immers dat zij pas naar aanleiding van een beroep dat zij bijna een jaar later, in april 2017, op nationaal niveau tegen de Italiaanse NAA heeft gericht, en op basis van de in het kader van dat beroep ingediende antwoorden van die NAA, „in staat [was] kennis te nemen van het bestaan van de besluiten van de GAR” en van de noodzaak om bij de Unierechter beroep tot nietigverklaring in te stellen.
45
Vastgesteld dient echter te worden dat verzoekster, gelet op de in de punten 35 tot en met 37 hierboven beschreven omstandigheden, vanaf 3 mei 2016 niet onkundig kon zijn van het bestaan van het besluit van 15 april 2016.
46
Bovendien heeft verzoekster niet aangevoerd of aangetoond dat er sprake is van toeval of overmacht, in welk geval van de betreffende termijn kan worden afgeweken krachtens artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op grond van artikel 53 van dit Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht.
47
Hieruit volgt dat het onderhavige, op 28 juli 2017 ingestelde beroep tot nietigverklaring van het besluit van 15 april 2016 kennelijk tardief is en kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Niet-ontvankelijkheid van het beroep voor zover het is gericht tegen alle andere besluiten van de GAR op basis waarvan de Italiaanse NAA de nationale besluiten nr. 1249264/15 van 24 november 2015, nr. 1262091/15 van 26 november 2015, nr. 1547337/16 van 29 december 2016, nr. 333162/17 van 14 maart 2017 en nr. 334520/17 van 14 maart 2017 zou hebben vastgesteld
48
Verzoekster verzoekt om nietigverklaring van alle andere besluiten van de GAR op basis waarvan de Italiaanse NAA de nationale besluiten nr. 1249264/15 van 24 november 2015, nr. 1262091/15 van 26 november 2015, nr. 1547337/16 van 29 december 2016, nr. 333162/17 van 14 maart 2017 en nr. 334520/17 van 14 maart 2017 zou hebben vastgesteld.
49
De GAR merkt op dat die besluiten van de Italiaanse NAA niet gebaseerd waren op zijn besluiten. Het gaat volgens de GAR telkens om besluiten die verband houden met bijdragen aan het Italiaanse nationale afwikkelingsfonds die door de Italiaanse NAA worden berekend en ingevorderd buiten het gebied waarop hijzelf bevoegd is. Bovendien dateren sommige van die besluiten van de Italiaanse NAA zelfs van vóór het tijdstip waarop de bevoegdheid tot het berekenen van de vooraf aan het GAF te betalen bijdragen is toegekend aan de GAR.
50
Verzoekster antwoordt hierop dat zij op deze manier een volledige rechtsbescherming wil verkrijgen tegen „eventuele onbekende besluiten van de GAR” die ten grondslag zouden hebben gelegen aan de in punt 48 hierboven genoemde besluiten van de Italiaanse NAA.
51
In herinnering dient te worden gebracht dat ingevolge artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil moet bevatten, en dat deze aanduiding zo duidelijk en nauwkeurig moet zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, in voorkomend geval zonder nadere informatie (arresten van 23 mei 2014, European Dynamics Luxembourg/ECB, T‑553/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:275, punt 53, en 5 oktober 2017, Ben Ali/Raad, T‑149/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:693, punt 33). Derhalve kan een verzoekende partij, die de bovengenoemde bepaling in acht dient te nemen, het Gerecht niet opdragen om in haar plaats het voorwerp van het beroep te bepalen, en het Gerecht is daartoe niet gehouden (zie in die zin en naar analogie beschikking van 24 maart 1993, Benzler/Commissie, T‑72/92, EU:T:1993:27, punten 18 en 19; arresten van 30 november 2009, Ridolfi/Commissie, F‑3/09, EU:F:2009:162, punt 81, en 5 maart 2015, Gyarmathy/FRA, F‑97/13, EU:F:2015:7, punt 29).
52
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het onderhavige beroep, voor zover het betrekking heeft op de nietigverklaring van eventuele en onbekende – dat wil zeggen hypothetische – besluiten van de GAR die ten grondslag zouden liggen aan de vijf in punt 48 hierboven vermelde Italiaanse besluiten, kennelijk niet-ontvankelijk is op grond van artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering. Het verzoek van verzoekster dat ertoe strekt dat het Gerecht de GAR zou gelasten haar toestemming te verlenen om de jegens haar vastgestelde besluiten met betrekking tot de begrotingsjaren 2015 tot en met 2017 te onderzoeken en een kopie ervan te nemen, hoeft niet te worden toegewezen (zie in die zin beschikking van 19 oktober 2012, Ellinika Nafpigeia en Hoern/Commissie, T‑466/11, niet gepubliceerd, EU:T:2012:558, punt 28).
Niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot schadevergoeding
53
Verzoekster vordert dat de GAR op grond van artikel 268 VWEU wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die hij haar in 2015 en 2016 zou hebben toegebracht bij de uitvoering van zijn taken in verband met de vaststelling van de door haar verschuldigde bijdragen, welke schade bestaat in het feit dat verzoekster hogere bedragen diende te betalen.
54
In haar repliek betoogt verzoekster dat het verzoek tot schadevergoeding losstaat van haar verzoeken tot nietigverklaring. Zij voert aan dat zij bij toewijzing van deze verzoeken tot nietigverklaring de reeds betaalde bedragen zou terugkrijgen, en dat in hetzelfde geval overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a) en f), van gedelegeerde verordening 2015/63 de passiva binnen de groep van de bijdragegrondslag zouden worden uitgesloten voor de vaststelling van bijdragen in de toekomst, terwijl haar bij toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding de geleden en de nog te lijden schade zou worden vergoed die voortvloeit uit het feit dat zij niet over de betaalde bedragen heeft kunnen beschikken. Doordat zij niet de beschikking over die te veel betaalde bedragen heeft gehad, heeft verzoekster naar eigen zeggen geen investeringen kunnen doen, waardoor zij tegen betaling een beroep heeft moeten doen op consultants.
55
De GAR betoogt dat het verzoek tot schadevergoeding niet losstaat van de verzoeken tot nietigverklaring en neerkomt op een poging om de niet-ontvankelijkheid van deze verzoeken tot nietigverklaring te omzeilen.
56
Volgens vaste rechtspraak kan een partij weliswaar een aansprakelijkheidsvordering instellen zonder dat enige tekst haar dwingt om nietigverklaring te vorderen van de onrechtmatige handeling die haar schade berokkent, maar kan zij langs deze weg niet ontkomen aan de niet-ontvankelijkheid van een op dezelfde onrechtmatigheid gebaseerde vordering met dezelfde geldelijke strekking (zie arrest van 12 mei 2016, Holistic Innovation Institute/Commissie, T‑468/14, EU:T:2016:296, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Een beroep tot schadevergoeding moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer het in werkelijkheid strekt tot intrekking van een definitief geworden individueel besluit en, indien het zou worden toegewezen, tot gevolg zou hebben dat de rechtsgevolgen van dit besluit worden tenietgedaan. Dat is het geval wanneer de verzoekende partij door middel van een schadevordering hetzelfde resultaat beoogt als zij zou hebben bereikt bij toewijzing van een beroep tot nietigverklaring, dat zij niet tijdig heeft ingesteld (arrest van 12 mei 2016, Holistic Innovation Institute/Commissie, T‑468/14, EU:T:2016:296, punt 47).
58
Daarnaast kan een beroep tot schadevergoeding de rechtsgevolgen van een definitief geworden besluit ook tenietdoen wanneer de verzoekende partij een ruimer voordeel nastreeft, dat echter mede het voordeel omvat dat zij had kunnen trekken uit een arrest houdende nietigverklaring. In deze hypothese moet niettemin worden vastgesteld of er een nauwe band bestaat tussen het beroep tot schadevergoeding en het beroep tot nietigverklaring om het eerstgenoemde beroep niet-ontvankelijk te verklaren (beschikking van 13 januari 2014, Investigación y Desarrollo en Soluciones y Servicios IT/Commissie, T‑134/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:31, punt 62, en arrest van 12 mei 2016, Holistic Innovation Institute/Commissie, T‑468/14, EU:T:2016:296, punt 48).
59
In casu zij om te beginnen herinnerd aan de in punt 52 hierboven gedane vaststellingen met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep, op grond van artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering, voor zover dit beroep strekt tot nietigverklaring van eventuele onbekende besluiten van de GAR die ten grondslag zouden liggen aan bepaalde Italiaanse besluiten. Gelet op deze vaststellingen kan verzoeksters verzoek tot schadevergoeding hoe dan ook enkel ontvankelijk worden geacht voor zover het ziet op het besluit van 15 april 2016.
60
Wat het besluit van 15 april 2016 betreft, zij opgemerkt dat het verzoek tot schadevergoeding in wezen bestaat uit ten eerste een verzoek dat ertoe strekt dat de GAR verzoekster de schade vergoedt die zij heeft geleden doordat zij ten gevolge van dat besluit hogere bedragen heeft moeten betalen, en ten tweede een verzoek dat ertoe strekt dat de GAR verzoekster schadeloosstelt voor de gevolgen van het feit dat de betaalde bedragen haar zijn ontnomen, te weten dat zij bepaalde investeringen niet heeft kunnen doen en een beroep heeft moeten doen op externe consultants.
61
In de eerste plaats komt het verzoek dat ertoe strekt dat de GAR verzoekster de schade vergoedt die zij heeft geleden doordat zij ten gevolge van het besluit van 15 april 2016 hogere bedragen heeft moeten betalen, uiteindelijk neer op een verzoek tot terugbetaling van de bedragen die ten onrechte zouden zijn betaald ter uitvoering van dat besluit. Dit verzoek heeft derhalve tot doel het definitieve karakter van het genoemde besluit te omzeilen en heeft – in financieel opzicht – hetzelfde oogmerk als een nietigverklaring, die inmiddels niet meer mogelijk is doordat de termijnen zijn verstreken. Een dergelijk verzoek is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk wegens zijn nauwe band met het verzoek tot nietigverklaring, dat zelf kennelijk niet-ontvankelijk is.
62
Wat betreft in de tweede plaats het verzoek dat ziet op de gevolgen van het feit dat niet meer kon worden beschikt over de ter uitvoering van het besluit van 15 april 2016 betaalde bedragen – welke gevolgen volgens verzoekster behelzen dat zij bepaalde investeringen niet heeft kunnen doen en een beroep heeft moeten doen op externe consultants – zij opgemerkt dat verzoekster met dit verzoek in wezen wenst te worden hersteld in de financiële situatie waarin zij zich zou hebben bevonden indien dat besluit niet was vastgesteld. Dat verzoek heeft dus een nauwe band, in de zin van de in punt 58 hierboven aangehaalde rechtspraak, met het verzoek tot nietigverklaring van het besluit van 15 april 2016. Een dergelijk verzoek is dus eveneens niet-ontvankelijk.
63
Gelet op het voorgaande moet het verzoek tot schadevergoeding kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de twee bestanddelen van dit verzoek leiden tot omzeiling van de gevolgen van het feit dat het besluit van 15 april 2016 onherroepelijk is geworden doordat binnen de in artikel 263 VWEU vastgestelde termijnen geen beroep tot nietigverklaring is ingesteld.
Niet-ontvankelijkheid van het verzoek om artikel 5, lid 1, onder a) en f), van gedelegeerde verordening 2015/63 of deze verordening in haar geheel ongeldig te verklaren
64
Subsidiair ten opzichte van haar verzoek tot nietigverklaring verzoekt verzoekster het Gerecht, voor het geval dat de primaire vorderingen niet zouden worden toegewezen, om niettemin artikel 5, lid 1, onder a) en f), van gedelegeerde verordening 2015/63 of, in voorkomend geval, deze verordening in haar geheel ongeldig te verklaren.
65
Zoals hierboven in punt 21 reeds is opgemerkt, vormt de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 277 VWEU de onwettigheid van een handeling van algemene strekking in te roepen geen autonoom vorderingsrecht en kan zij niet worden benut wanneer een primair beroepsrecht ontbreekt (zie arrest van 6 juni 2013, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, T‑279/11, EU:T:2013:299, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66
Hieruit volgt dat verzoeksters verzoek dat ertoe strekt dat – bij gebreke van nietigverklaring van het besluit van 15 april 2016 – gedelegeerde verordening 2015/63 geheel of gedeeltelijk onwettig wordt verklaard, kennelijk niet-ontvankelijk is omdat er geen autonoom vorderingsrecht bestaat waarmee de onwettigheid van een handeling van algemene strekking kan worden ingeroepen.
67
Bovendien zij opgemerkt dat het ontbreken van een autonoom vorderingsrecht tevens impliceert dat de niet-ontvankelijkheid van de hoofdvordering de niet-ontvankelijkheid van de ter ondersteuning van deze vordering opgeworpen exceptie van onwettigheid met zich meebrengt, omdat verzoeksters verzoek om gedelegeerde verordening 2015/63 geheel of gedeeltelijk onwettig te verklaren impliciet maar noodzakelijkerwijs vooral ertoe strekt dat deze onwettigheid wordt vastgesteld in het kader van een verzoek tot nietigverklaring van het besluit van 15 april 2016.
68
Geconstateerd is dat het beroep tot nietigverklaring kennelijk niet-ontvankelijk is voor zover het is gericht tegen het besluit van 15 april 2016, dat in casu als enige besluit in het geding is (zie punt 47 hierboven). Hieruit volgt dat verzoeksters verzoek dat ertoe strekt dat gedelegeerde verordening 2015/63 geheel of gedeeltelijk onwettig wordt verklaard, hoe dan ook kennelijk niet-ontvankelijk is.
Algemene slotsom
69
Gelet op een en ander moet het onderhavige beroep, in zijn verschillende aspecten en bestanddelen, overeenkomstig artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het is gericht tegen de Commissie, en moet het overeenkomstig artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het is gericht tegen de GAR.
Kosten
70
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de GAR en van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Achtste kamer),
beschikt:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Iccrea Banca SpA Istituto Centrale del Credito Cooperativo wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in de kosten van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) en van de Europese Commissie.
Luxemburg, 19 november 2018.
De griffier
E. Coulon
De president
A. M. Collins
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy