BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
11 december 2018 ( *1 )
„Uniemerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor Uniebeeldmerk Cheapflights – Terugverwijzing van de merkaanvraag naar de onderzoeker voor onderzoek van de absolute weigeringsgronden – Betwisting door de houder van het oudere merk – Motivering van de bestreden beslissing inzake de geldigheid van het oudere merk – Betwisting door de houder van het oudere merk – Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid – Incidentele vordering krachtens artikel 8, lid 3, van verordening (EG) nr. 216/96 – Intrekking van het beroep voor de kamer van beroep – Gedeeltelijke afdoening zonder beslissing”
In zaak T‑565/17,
CheapFlights International Ltd, gevestigd te Speenoge (Ierland), vertegenwoordigd door A. von Mühlendahl en H. Hartwig, advocaten,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door A. Folliard-Monguiral als gemachtigde,
verweerder,
andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO:
Momondo Group Ltd, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
betreffende een beroep tegen de beslissing van de grote kamer van beroep van het EUIPO van 1 juni 2017 (R 1893/2011-G), inzake een oppositieprocedure tussen CheapFlights International en Momondo Group,
geeft
HET GERECHT (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. Prek (rapporteur), president, F. Schalin en M. J. Costeira, rechters,
griffier: E. Coulon,
gezien het op 18 augustus 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
gezien de op 6 november 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,
gezien de schriftelijke vragen van het Gerecht aan partijen en de op 29 juni en 4 juli 2018 ter griffie van het Gerecht ingediende antwoorden op die vragen,
de navolgende
Beschikking
Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 30 oktober 2003 heeft de rechtsvoorganger van Momondo Group Ltd, de andere partij in de procedure bij de kamer van beroep, bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een Uniemerkaanvraag ingediend krachtens verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen door verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd, die op haar beurt is vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)].
2
De inschrijvingsaanvraag betreft het volgende beeldmerk:
3
De waren en diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd, behoren tot de klassen 9, 16, 35, 38, 39 en 41 tot en met 44 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd, en zijn voor elk van deze klassen omschreven als volgt:
–
klasse 9: „Hardware en software; computerprogramma’s en software; software voor het doorzoeken van databases op basis van natuurlijke talen; gebruikersgidsen en instructiehandboeken in elektronische vorm verschaft”;
–
klasse 16: „Plastic materialen voor verpakking, voor zover niet begrepen in andere warenklassen; catalogi, brochures en folders; tijdschriften en periodieken; instructie- en gebruikershandboeken”;
–
klasse 35: „Verzameling, opslag, analyse en opvraging van gegevens en informatie; het onderhouden, indexeren en elektronisch verspreiden van informatiemateriaal; maken van registers van informatie, websites en andere informatiebronnen; het creëren van indexen van informatie, sites en andere op een wereldwijd computernetwerk beschikbare hulpbronnen”;
–
klasse 38: „Verschaffing en/of exploitatie van zoekmachines; diensten die gebruikers toegang verschaffen tot een wereldwijd computernetwerk om informatie te zoeken met betrekking tot een breed scala aan onderwerpen; het leveren van een onlineverbinding naar informatie op het gebied van amusement, gezondheid, familie, persoonlijke financiering, winkelen en reizen”;
–
klasse 39: „Dienstverlening op het gebied van reizen, reisbureaus, boekingen en diensten op het gebied van plaatsbewijzen; autoverhuur, reizen, reservering van vakantiereizen, informatie voor reizigers en vakantiegangers, opstelling van rapporten met betrekking tot reisinformatie voor reizigers, routeplanning, verstrekking van databases (reisinformatie) voor reizigers, levering en/of exploitatie van boekmachines voor vluchten en reizen, consultancy en adviesverlenende diensten met betrekking tot al het voornoemde”;
–
klasse 41: „Vakantieamusement, verstrekking van nieuws voor reizigers; organisatie van competities”;
–
klasse 42: „Het bespreken van standaarden en praktijken om zeker overeen te komen met medische gegevensvoorstelling; klantspecifiek ontwerp van vraag-antwoordfunctie van sites op het world wide web, onderhoud, controle en analyse van prestaties van sites op het world wide web; ontwikkeling van software, programmering van computerprogramma’s voor elektronische gegevensverwerkende installaties; onderzoek en ontwerp met betrekking tot hardware en software; weerberichtendiensten, grafisch ontwerp, ontwerp van websites, verstrekking van databases (informatie over het weer) voor reizigers”;
–
klasse 43: „Hotels en tijdelijke huisvesting, organisatie van vakantiehuisvesting, verstrekking van databases (informatie over huisvesting) voor reizigers, levering en/of exploitatie van hotelboekmachines”;
–
klasse 44: „Medische advisering voor reizigers”.
4
De merkaanvraag is op 6 december 2004 in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 49/2004 gepubliceerd.
5
Op 2 maart 2005 heeft verzoekster, CheapFlights International Ltd, oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor de in punt 3 hierboven genoemde waren en diensten.
6
De oppositie was, onder meer, gebaseerd op een ouder nationaal beeldmerk dat was ingeschreven onder het Ierse nummer 227053, ter aanduiding van diensten behorende tot de klassen 35, 36, 38, 39 en 41 tot en met 44, dat hierna wordt weergegeven:
7
Als grond voor de oppositie werd het gevaar voor verwarring tussen de conflicterende tekens aangevoerd.
8
Op 22 juni 2007 heeft de oppositieafdeling de oppositie afgewezen voor de waren en diensten in de klassen 9, 16, 35 en voor bepaalde diensten van klasse 42, namelijk „[h]et bespreken van standaarden en praktijken om zeker overeen te komen met medische gegevensvoorstelling; [de] ontwikkeling van software, programmering van computerprogramma’s voor elektronische gegevensverwerkende installaties; [het] onderzoek en ontwerp met betrekking tot hardware en software; [het] grafisch ontwerp”.
9
Voor de andere waren van klasse 42 heeft zij daarentegen de oppositie toegewezen, meer bepaald voor „[het] klantspecifiek ontwerp van vraag-antwoordfunctie van sites op het world wide web, [het] onderhoud, [de] controle en [de] analyse van prestaties van sites op het world wide web; [de] weerberichtendiensten; [het] ontwerp van websites; [de] verstrekking van databases (informatie over het weer) voor reizigers”, alsmede voor de diensten van de klassen 38, 39, 41, 43 en 44.
10
Op 21 augustus 2007 heeft de andere partij in de procedure bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling voor zover deze de oppositie van verzoekster had toegewezen.
11
Bij beslissing van 31 augustus 2009 heeft de vierde kamer van beroep van het EUIPO het beroep door de andere partij in de procedure bij het EUIPO gegrond verklaard op grond van het ontbreken van verwarringsgevaar tussen de conflicterende merken.
12
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 november 2009, heeft verzoekster beroep ingesteld tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 31 augustus 2009, ingeschreven onder nummer T‑460/09.
13
Bij arrest van 5 mei 2011, CheapFlights International/BHIM – Cheapflights (Cheapflights) (T‑460/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:198), heeft het Gerecht het middel ontleend aan het verwarringsgevaar gegrond verklaard en de beslissing van de vierde kamer van beroep vernietigd.
14
Bij beslissing van 20 september 2011 van het presidium van de kamers van beroep werd de zaak, ingeschreven onder R 1893/2011-G, verwezen naar de grote kamer van beroep voor een nieuwe beslissing.
15
Bij voorlopige beslissing van 4 juli 2012 (hierna: „voorlopige beslissing”) heeft de grote kamer van beroep de merkaanvraag terugverwezen naar de onderzoeker voor een onderzoek van de absolute weigeringsgronden.
16
Bij twee beslissingen van 30 november 2016 en 14 februari 2017 heeft de onderzoeker de inschrijving van het gevraagde merk geweigerd voor de diensten van de klassen 38, 39, 41, 43 en 44 en voor de diensten van klasse 42, meer bepaald „[het] klantspecifiek ontwerp van vraag-antwoordfunctie van sites op het world wide web, [het] onderhoud, [de] controle en [de] analyse van prestaties van sites op het world wide web; [de] weerberichtendiensten; [het] ontwerp van websites; [de] verstrekking van databases (informatie over het weer) voor reizigers”, waarvoor de oppositieafdeling de oppositie gegrond had verklaard. Hij heeft tevens de inschrijving van het gevraagde merk geweigerd voor „software; computerprogramma’s en software; software voor het doorzoeken van databases op basis van natuurlijke talen” van klasse 9, en voor de „plastic materialen voor verpakking, voor zover niet begrepen in andere warenklassen; catalogi, brochures en folders; tijdschriften en periodieken” van klasse 16, waarvoor de oppositieafdeling de oppositie had verworpen.
17
Bij beslissing van 1 juni 2017 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de grote kamer van beroep, ten eerste, uit het heronderzoek van de absolute weigeringsgronden afgeleid dat de merkaanvraag werd verworpen voor alle diensten waarvoor de oppositieafdeling de oppositie gegrond had geacht en dat bijgevolg de oppositie- en de beroepsprocedure zonder voorwerp waren geworden en dienden te worden afgesloten.
18
Ten tweede heeft zij verklaard dat de merkaanvraag voor inschrijving in aanmerking kwam voor „[de] [h]ardware; [de] gebruikersgidsen en instructiehandboeken in elektronische vorm verschaft” van klasse 9, de „instructie- en gebruikershandboeken” van klasse 16, „[de] [v]erzameling, [de] opslag, [de] analyse en [de] opvraging van gegevens en informatie; het onderhouden, [het] indexeren en [het] elektronisch verspreiden van informatiemateriaal; [het] maken van registers van informatie, websites en andere informatiebronnen; het creëren van indexen van informatie, sites en andere op een wereldwijd computernetwerk beschikbare hulpbronnen” van klasse 35, evenals „ [h]et bespreken van standaarden en praktijken om zeker overeen te komen met medische gegevensvoorstelling, [de] ontwikkeling van software, programmering van computerprogramma’s voor elektronische gegevensverwerkende installaties; [het] onderzoek en [het] ontwerp met betrekking tot hardware en software; [het] grafisch ontwerp”, van klasse 42.
Conclusies van partijen
19
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
–
de bestreden beslissing te vernietigen;
–
het EUIPO in de kosten te verwijzen, evenals de houdster van het aangevraagde merk mocht zij in deze procedure interveniëren.
20
Het EUIPO verzoekt het Gerecht:
–
het beroep te verwerpen;
–
verzoekster in de kosten te verwijzen.
21
Op 16 januari 2018, na de inleiding van het onderhavige beroep, heeft het EUIPO het Gerecht op de hoogte gebracht van het feit dat de andere partij in de procedure, op 21 december 2017, haar op 21 augustus 2007 ingeleide beroep voor de kamer van beroep, dat in punt 10 hierboven is vermeld, had ingetrokken. Het EUIPO leidde uit deze intrekking af dat het derde middel van verzoekster zonder voorwerp was geworden.
22
Op 13 februari 2018 heeft verzoekster haar opmerkingen over de brief van het EUIPO van 16 januari 2018 ingediend. Ze weerlegt daarin dat haar derde middel zonder voorwerp is geworden.
In rechte
23
Verzoekster voert ter ondersteuning van haar beroep vier middelen aan. De eerste drie middelen zijn ontleend aan schending van, respectievelijk, artikel 65, lid 6, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 72, lid 6, van verordening 2017/1001), artikel 75, tweede zin, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 94, lid 1, tweede zin, van verordening 2017/1001) en artikel 8, lid 3, van verordening (EG) nr. 216/96 van de Commissie van 5 februari 1996 houdende het Reglement voor de procesvoering bij de kamers van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (PB 1996, L 28, blz. 11). Met haar vierde middel betoogt verzoekster in wezen dat bepaalde motieven van de bestreden beslissing de geldigheid van haar oudere nationale merk ter discussie stellen of negeren.
24
Er dient te worden vastgesteld dat verzoekster met haar eerste en haar tweede middel de rechtmatigheid van de bestreden beslissing betwist voor zover de grote kamer van beroep de beroepsprocedure heeft afgesloten voor de hierboven in punt 16 vermelde diensten van de klassen 16, 38, 39 en 41 tot en met 43, waarvoor de onderzoeker de inschrijving van het gevraagde merk heeft geweigerd. Met haar derde middel betwist zij de rechtmatigheid van de bestreden beslissing voor zover de grote kamer van beroep de beroepsprocedure heeft afgesloten voor de in punt 18 hierboven genoemde waren en diensten van de klassen 9, 16, 35 en 42, waarvoor de oppositieafdeling de oppositie had afgewezen, en waarvoor zij stelt een incidenteel beroep te hebben ingesteld in haar opmerkingen voor de grote kamer van beroep, volgend op het beroep van de andere partij in de procedure. Met haar vierde middel betwist verzoekster in wezen de rechtmatigheid van de bestreden beslissing voor zover deze een standpunt inneemt over de geldigheid van het oudere nationale merk waarvan zij houdster is.
25
Op grond van artikel 129 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, kan het Gerecht in elke stand van het geding ambtshalve, de hoofdpartijen gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen over de middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn.
26
In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht en beslist het uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.
Beroep voor zover gericht tegen de afsluiting van de beroepsprocedure betreffende de diensten van de klassen 9, 16, 38, 39 en 41 tot en met 43 waarvoor de onderzoeker de inschrijving van het gevraagde merk heeft geweigerd
27
Zoals blijkt uit punt 15 hierboven, heeft de grote kamer van beroep bij voorlopige beslissing de merkaanvraag terugverwezen naar de onderzoeker voor zijn onderzoek van de absolute weigeringsgronden.
28
In punt 13 van de voorlopige beslissing heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de verwerping van de oppositie van verzoekster voor de waren en de diensten van de klassen 9, 16 en 35 en voor bepaalde diensten van klasse 42, meer bepaald „[h]et bespreken van standaarden en praktijken om zeker overeen te komen met medische gegevensvoorstelling; [de] ontwikkeling van software, programmering van computerprogramma’s voor elektronische gegevensverwerkende installaties; [het] onderzoek en ontwerp met betrekking tot hardware en software; [het] grafisch ontwerp”, definitief was geworden. In hetzelfde punt heeft de kamer van beroep benadrukt dat zij de oppositieprocedure opschortte wat de diensten betrof waarvoor de oppositie van verzoekster was aanvaard, en dat zij daarvoor de merkaanvraag terugverwees naar de onderzoeker.
29
In het kader van haar eerste middel verwijt verzoekster de kamer van beroep dat zij, in strijd met haar verplichtingen krachtens artikel 72, lid 6, van verordening 2017/1001, geen maatregelen heeft genomen ter uitvoering van het arrest van 5 mei 2011, Cheapflights (T‑460/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:198). In wezen betoogt zij dat dit arrest de kamer van beroep verplichtte om een beoordeling te maken van het verwarringsgevaar tussen de conflicterende merken, in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001, door te onderzoeken hoe beschrijvend de term „cheapflights” is in relatie tot de betrokken diensten. Bijgevolg zou de kamer van beroep door haar beslissing om de merkaanvraag terug te verwijzen naar de onderzoeker het verwarringsgevaar van de conflicterende merken niet hebben onderzocht, hetgeen in strijd is met artikel 72, lid 6, van verordening 2017/1001. De kamer van beroep zou, eveneens ten onrechte, in haar voorlopige beslissing het arrest van 5 mei 2011, Cheapflights (T‑460/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:198), aldus hebben uitgelegd dat er twijfel bestond of het aangevraagde merk kon worden ingeschreven.
30
In het kader van haar tweede middel verwijt verzoekster de kamer van beroep de procedure te hebben beëindigd zonder haar in te lichten over haar voornemen om de zaak af te sluiten zonder een onderzoek ten gronde van haar oppositie. Zij meent dat, gelet op de radicale wijziging in de benadering van de kamer van beroep, zij eerst had moeten worden geraadpleegd. Door dit na te laten, zou de kamer van beroep artikel 94, lid 1, tweede zin, van verordening 2017/1001 hebben geschonden.
31
Naar aanleiding van vragen die in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang werden gesteld over haar procesbelang om op te komen tegen de bestreden beslissing voor zover deze de beroepsprocedure had beëindigd zonder onderzoek van de relatieve weigeringsgrond van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001, heeft verzoekster een dergelijk belang verantwoord door te verwijzen naar de door de grote kamer van beroep gepleegde schendingen van artikel 72, lid 6, van verordening 2017/1001 en van artikel 94, lid 1, tweede zin van dezelfde verordening.
32
Opgemerkt zij dat, ofschoon de tekst van artikel 40 van verordening nr. 207/2009 betreffende de opmerkingen van derden, zoals die gold ten tijde van de voorlopige beslissing (thans artikel 45 van verordening 2017/1001), niet uitdrukkelijk voorzag in de mogelijkheid voor het EUIPO om ambtshalve op elk moment vóór de inschrijving van het merk, het onderzoek van de absolute weigeringsgronden over te nemen, welke mogelijkheid pas in artikel 40, lid 3, van verordening nr. 207/2009 werd opgenomen na de wijziging bij artikel 38 van verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 tot wijziging van verordening nr. 207/2009, en van verordening nr. 2868/95 van de Commissie tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 2869/95 van de Commissie inzake de aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te betalen taksen (PB 2015, L 341, blz. 21), bestond een dergelijke mogelijkheid voor het EUIPO zelfs zonder uitdrukkelijke bepaling in die zin [zie arrest van 18 oktober 2007, Ekabe International/BHIM – Ebro Puleva (OMEGA 3), T‑28/05, EU:T:2007:312, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
33
Bovendien volgt uit de opzet van de artikelen 37 en 40 tot en met 42 van verordening nr. 207/2009 (thans artikelen 42 en 45 tot en met 47 van verordening 2017/1001) dat het onderzoek naar de verenigbaarheid van een merkaanvraag met de absolute weigeringsgronden enkel plaatsvindt in het kader van een ex-parteprocedure tussen de aanvrager van het merk en de organen van het EUIPO. In het kader van een proces tussen partijen wordt namelijk slechts in het kader van een nietigheidsprocedure gericht tegen een ingeschreven merk, op grond van artikel 56, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 63, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001], nagegaan of het merk werd ingeschreven in strijd met een absolute weigeringsgrond.
34
Daaruit volgt noodzakelijkerwijze dat wanneer het EUIPO in het kader van een oppositieprocedure tussen partijen het onderzoek van de absolute weigeringsgronden overneemt, een autonome, en aan de oppositieprocedure parallelle, ex-parteprocedure begint.
35
Derhalve is de merkaanvraag ten gevolge van de voorlopige beslissing het voorwerp van twee onderscheiden procedures: ten eerste een procedure tussen partijen die ziet op de verenigbaarheid van de aanvraag met artikel 8, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001, en aanhangig is voor de grote kamer van beroep wegens het beroep dat door de andere partij in de procedure tegen de beslissing van de oppositieafdeling is ingesteld, en die is opgeschort door de voorlopige beslissing; ten tweede, een ex-parteprocedure die ziet op de verenigbaarheid van de aanvraag met artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening 2017/1001, en die bij de onderzoeker aanhangig is.
36
In het kader van de procedure ex parte naar aanleiding van de twee beslissingen van de onderzoeker van 30 november 2016 en 14 februari 2017 (zie punt 16 hierboven), werd de inschrijving van de merkaanvraag geweigerd wegens strijd met artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening 2017/1001 voor de diensten waarvoor de oppositieafdeling de oppositie van verzoekster gegrond had geacht, alsmede voor bepaalde waren en diensten waarvoor de oppositieafdeling de oppositie had afgewezen. Uit het dossier bij het EUIPO blijkt dat deze beslissingen van de onderzoeker niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een beroep voor de kamer van beroep.
37
In het kader van de procedure tussen partijen heeft de grote kamer van beroep de bestreden beslissing genomen. In deze beslissing heeft zij, onder meer, gevolgen voor de oppositie- en de beroepsprocedure verbonden aan de weigering van de onderzoeker om de merkaanvraag in te schrijven voor bepaalde waren en diensten.
38
Ten eerste, wat betreft de diensten waarvoor de oppositie van verzoekster tegen de merkaanvraag op grond van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 door de oppositieafdeling is toegewezen, neemt zij akte van de weigering van de onderzoeker om de merkaanvraag in te schrijven op grond van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van dezelfde verordening, en oordeelt zij dat de oppositie- en de beroepsprocedure ten aanzien van die diensten zonder voorwerp zijn geworden.
39
Ten tweede, wat betreft de waren en diensten waarvoor de oppositieafdeling de oppositie van verzoekster had afgewezen, heeft zij in punt 13 van haar voorlopige beslissing benadrukt dat de verwerping van de oppositie daarvoor definitief was geworden. In de bestreden beslissing neemt zij eveneens akte van de weigering van de onderzoeker om de merkaanvraag in te schrijven voor bepaalde waren en diensten van de klassen 9 en 16. Immers, de lijst van de waren en diensten waarvoor de grote kamer van beroep in punt 14 van de bestreden beslissing benadrukt dat „het betwiste merk wordt toegelaten voor inschrijving”, is samengesteld uit de waren en diensten van de klassen 9, 16, 35 en 42 waarvoor de oppositie van verzoekster werd afgewezen, zonder de waren en diensten van de klassen 9 en 16, waarvoor de inschrijving van de merkaanvraag door de onderzoeker werd geweigerd.
40
In die omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat de ontvankelijkheid van het beroep moet worden onderzocht voor zover het gericht is tegen de afsluiting van de beroepsprocedure bij de bestreden beslissing betreffende de diensten van de klassen 9, 16, 38, 39 en 41 tot en met 43, waarvoor de onderzoeker de inschrijving van het gevraagde merk heeft geweigerd.
41
Volgens vaste rechtspraak is een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk indien de verzoeker belang heeft bij nietigverklaring van de betrokken handeling. Dit belang moet reëel en actueel zijn en worden beoordeeld op de dag waarop het beroep is ingesteld [zie arrest van 20 oktober 2016, Lufthansa AirPlus Servicekarten/EUIPO – Mareea Comtur , T‑14/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:622, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42
Het procesbelang vormt de essentiële en eerste voorwaarde voor elk beroep in rechte. Het procesbelang van een verzoeker moet, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid bestaan in het stadium van de instelling van het beroep (zie arrest van 20 oktober 2016, , T‑14/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:622, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een dergelijk belang dient, op straffe van afdoening zonder beslissing, te blijven bestaan tot aan de uitspraak van de rechterlijke beslissing (zie arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
Het procesbelang veronderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (zie arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punten 42‑44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44
Er dient te worden vastgesteld dat de vernietiging van de bestreden beslissing, op grond van het eerste of het tweede middel, geen voordeel kan opleveren voor verzoekster.
45
In de eerste plaats zou een dergelijke vernietiging geen enkel gevolg hebben voor de rechtmatigheid van de ambtshalve weigering van de inschrijving van de merkaanvraag voor bepaalde waren en diensten wegens strijdigheid met artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening 2017/1001.
46
Om de in de punten 33 tot en met 37 hierboven uiteengezette redenen heeft de grote kamer van beroep door de terugverwijzing naar de onderzoeker geen incidentele procedure betreffende de geldigheid van de merkaanvraag in gang gezet, waarvan het resultaat eventueel zou kunnen worden betwist in het kader van een beroep tegen de beslissing van de grote kamer van beroep, maar wel een onderscheiden en parallelle ex-parteprocedure bij de onderzoeker. Derhalve blijven de beslissingen van de onderzoeker, ook indien de bestreden beslissing eventueel wordt vernietigd, gevolgen hebben.
47
In de tweede plaats en in ieder geval, dient te worden opgemerkt dat de terugwijzing naar de onderzoeker door de kamer van beroep enkel tot gevolg heeft gehad dat de inschrijving van de merkaanvraag niet is geweigerd voor deze waren en diensten wegens het bestaan van verwarringsgevaar op grond van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001, zoals verzoekster had verzocht in haar oppositie, maar wel omdat er sprake was van een absolute weigeringsgrond op grond van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van dezelfde verordening. Aangezien er geen enkel verschil bestaat tussen de gevolgen van een weigering van de inschrijving van een merk naargelang die plaatsvindt op grond van artikel 7 of artikel 8 van verordening 2017/1001, moet worden geconcludeerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing aan verzoekster geen enkel voordeel verschaft.
48
Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het gericht is tegen de afsluiting van de beroepsprocedure voor de waren en de diensten van de klassen 9, 16, 38, 39 en 41 tot en met 43, waarvoor de onderzoeker de inschrijving van het gevraagde merk heeft geweigerd.
Beroep voor zover gericht tegen de afsluiting van de beroepsprocedure betreffende de waren en diensten van de klassen 9, 16, 35 en 42 waarvoor de oppositieafdeling de oppositie heeft verworpen
49
Met haar derde middel ontleend aan schending van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 216/96, verwijt verzoekster de grote kamer van beroep dat zij de incidentele vordering in haar memories in de oorspronkelijke procedure voor de kamer van beroep, niet heeft onderzocht.
50
Zij betoogt dat de betwisting van de beslissing van de oppositieafdeling – voor zover die haar oppositie had verworpen voor de waren en diensten van de klassen 9, 16 en 35 alsmede voor bepaalde diensten van klasse 42, namelijk „[h]et bespreken van standaarden en praktijken om zeker overeen te komen met medische gegevensvoorstelling; [de] ontwikkeling van software, programmering van computerprogramma’s voor elektronische gegevensverwerkende installaties; [het] onderzoek en ontwerp met betrekking tot hardware en software; [het] grafisch ontwerp”– in overeenstemming was met de eisen van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 216/96, en dat de incidentele vordering derhalve voor de kamer van beroep was ingesteld, en de grote kamer van beroep er uitspraak over had moeten doen.
51
Het EUIPO voert aan dat verzoekster geen incidentele vordering in de zin van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 216/96 heeft ingediend. In ieder geval is het middel niet-ontvankelijk aangezien de kamer van beroep in haar voorlopige beslissing tot de slotsom kwam dat de afwijzing van de oppositie van verzoekster voor deze waren en diensten definitief was geworden. Ten slotte heeft het EUIPO in zijn brief van 16 januari 2018 (zie punt 21 hierboven) aangevoerd dat dit middel thans zonder voorwerp is geworden door de intrekking van het beroepschrift door de andere partij in de procedure van het beroep van 21 augustus 2007 tegen de beslissing van de oppositieafdeling.
52
Toen verzoekster in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang werd ondervraagd over het voortduren van haar belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing, voor zover daarbij de beroepsprocedure was afgesloten zonder een onderzoek van de incidentele vordering die zij had ingediend, heeft zij gesteld dat zij haar procesbelang behield. Zij betoogt dat de andere partij in de procedure voor de grote kamer van beroep niet meer in een positie was om af te zien van haar beroep van 21 augustus 2007.
53
Ingevolge artikel 8, lid 3, van verordening nr. 216/96:
„[kan, bij] processen tussen partijen [...] de verweerder in zijn conclusie van antwoord eisen dat de aangevochten uitspraak wordt nietig verklaard of herzien op grond van een niet in het beroep aan de orde gestelde kwestie. Deze eis wordt ongegrond als de [de partij die voor de kamer van beroep het beroep heeft ingesteld] zich terugtrekt.”
54
In de eerste plaats moet het argument van het EUIPO dat dit aspect van de betwisting van de bestreden beslissing niet-ontvankelijk zou zijn wegens tardiviteit, al meteen worden verworpen. Het berust op de veronderstelling dat de kamer van beroep met haar voorlopige beslissing een einde zou hebben gemaakt aan de bij haar aanhangige procedure voor de waren en de diensten waarvoor de oppositieafdeling de oppositie door verzoekster heeft verworpen. Aangezien het verzoekster vrijstond om vanaf die datum de voorlopige beslissing aan te vechten, zou de in het kader van dit beroep bestreden beslissing voor deze waren en diensten een bevestigend karakter hebben gehad.
55
Enkel de handeling waarmee zijn auteur een standpunt ondubbelzinnig en definitief heeft bepaald in een vorm waaruit duidelijk het rechtskarakter ervan blijkt, vormt een voor beroep tot nietigverklaring vatbaar besluit, mits dat besluit geen bevestiging vormt van een eerdere handeling (zie in die zin arrest van 26 mei 1982, Duitsland en Bundesanstalt für Arbeit/Commissie, 44/81, EU:C:1982:197, punt 12).
56
Er dient te worden vastgesteld dat de voorlopige beslissing niet het door het EUIPO aangevoerde definitieve karakter heeft.
57
Ofschoon punt 13 van de voorlopige beslissing stelt dat de verwerping van de oppositie voor de waren en de diensten van de klassen 9, 16, 35 en 42 waarop het aangevraagde merk betrekking heeft definitief geworden is, wordt dit standpunt van de kamer van beroep in het geheel niet overgenomen in het dispositief van de genoemde beslissing, dat enkel vermeldt dat de zaak wordt terugverwezen naar de onderzoeker en dat de procedure wordt opgeschort tot de definitieve beslissing aangaande de mogelijke inschrijving van het teken.
58
Op welke overwegingen een beslissing van een kamer van beroep ook moge berusten, alleen het dispositief ervan kan rechtsgevolgen hebben en derhalve bezwarend zijn. De beoordelingen die in de motieven van een beslissing van een kamer van beroep vervat zijn, kunnen daarentegen niet als zodanig het voorwerp vormen van een beroep in de zin van artikel 72 van verordening 2017/1001. Slechts voor zover zij als motivering van een bezwarende handeling noodzakelijk zijn ter ondersteuning van het dispositief van die handeling, kan de Unierechter de rechtmatigheid ervan toetsen (zie naar analogie arrest van 11 juni 2015, Laboratoires CTRS/Commissie, T‑452/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:373, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59
Hieruit volgt noodzakelijkerwijze dat de voorlopige beslissing niet als gevolg heeft gehad dat de bij haar aanhangige procedure voor de waren en diensten, waarvoor de oppositieafdeling verzoeksters oppositie heeft verworpen, en waarnaar zij verwijst in punt 13 van haar motieven, werd beëindigd.
60
In de tweede plaats moeten de gevolgen worden onderzocht van de intrekking van het beroep van 21 augustus 2007 tegen de beslissing van de oppositieafdeling door de andere partij in de procedure voor het EUIPO bij de kamer van beroep.
61
Zoals het Gerecht reeds eerder heeft benadrukt, blijkt duidelijk uit de bewoordingen van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 216/96 dat enkel in processen tussen partijen een eis tot nietigverklaring of herziening van de aangevochten beslissing kan worden ingediend op grond van een niet in het beroep aan de orde gestelde kwestie. Deze eis moet worden geformuleerd in de conclusie van antwoord die in deze processen wordt ingediend. Daarom was in deze bepaling neergelegd dat deze eis zonder voorwerp wordt als de eiser zich terugtrekt voor de kamer van beroep. Om een beslissing van de oppositieafdeling aan te vechten is het autonome beroep zoals neergelegd in artikel 60 van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 68 van verordening 2017/1001) dus de enige beroepsweg waarin grieven met zekerheid naar voren kunnen worden gebracht [arrest van 4 februari 2016, Meica/BHIM – Salumificio Fratelli Beretta (STICK MiniMINI Beretta), T‑247/14, EU:T:2016:64, punt 24].
62
Ten eerste was het, anders dan verzoekster betoogt in haar antwoord op een door het Gerecht gestelde vraag, voor de andere partij in de procedure nog mogelijk om haar beroep van 21 augustus 2007 in te trekken voor de kamer van beroep, ook al had de grote kamer van beroep de beroepsprocedure al afgesloten met de bestreden beslissing.
63
Immers, op grond van artikel 71, lid 3, van verordening 2017/1001, „[treedt de] beslissing van de kamer van beroep [...] pas in werking na afloop van de termijn [voor het instellen van beroep bij het Gerecht]of, indien binnen deze termijn bij het Gerecht beroep is ingesteld, na verwerping van dit beroep of afwijzing van de hogere voorziening tegen de beslissing van het Gerecht bij het Hof van Justitie”.
64
Derhalve is, door de indiening van het beroep van verzoekster bij het Gerecht, punt 1 van het dispositief van de bestreden beslissing – dat de oppositie en de beroepsprocedure afsluit – niet in werking getreden. Het was dus nog steeds mogelijk voor de andere partij in de procedure om haar beroepschrift van 21 augustus 2007 in te trekken voor de kamer van beroep.
65
In dit verband kan worden opgemerkt dat het Gerecht juist door het schorsende karakter van het beroep voor hem, in dit stadium nog rekening kan houden met de intrekking van een merkaanvraag of een oppositie [beschikking van 3 juli 2003, Lichtwer Pharma/BHIM – Biofarma (Sedonium), T‑10/01, EU:T:2003:182, punten 16‑18], of de vernietiging van het merk dat de grondslag vormde voor de oppositie [beschikking van 14 februari 2017, Helbrecht/EUIPO – Lenci Calzature (SportEyes), T‑333/14, EU:T:2017:108, punt 26].
66
Ten tweede en daaruit voortvloeiend, heeft de intrekking door de andere partij in de procedure van haar beroepschrift van 21 augustus 2007, overeenkomstig de in punt 61 hierboven aangehaalde rechtspraak, als gevolg dat de kamer van beroep in ieder geval geen uitspraak meer hoeft te doen over de incidentele vordering die verzoekster meent te hebben ingediend in haar memories.
67
Mocht het beroep van verzoekster gegrond verklaard worden, en de bestreden beslissing worden vernietigd omdat de grote kamer van beroep de incidentele vordering van verzoekster had moeten onderzoeken, dan zou de zaak dus worden terugverwezen naar de grote kamer van beroep, die echter slechts zou kunnen vaststellen dat, ten eerste, de andere partij in de procedure haar beroep heeft ingetrokken en, ten tweede, op grond van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 216/96 de betreffende vordering zonder voorwerp is geworden.
68
Door deze intrekking kan dit aspect van het beroep dat verzoekster bij het Gerecht heeft ingediend haar bijgevolg, wat de uitkomst betreft, geen voordeel meer verschaffen, en beschikt zij dus niet meer over een procesbelang. Ingevolge de hierboven in de punten 42 en 43 aangehaalde rechtspraak, is het procesbelang echter de essentiële en eerste voorwaarde voor elk beroep in rechte en moet het blijven voortbestaan tot de uitspraak van de rechterlijke beslissing, op straffe van afdoening zonder beslissing.
69
Er hoeft derhalve geen uitspraak te worden gedaan over het beroep voor zover het gericht is tegen de afsluiting van de beroepsprocedure voor de waren en diensten van de klassen 9, 16, 35 en 42 waarvoor de oppositieafdeling de oppositie van verzoekster heeft verworpen.
Beroep voor zover gericht tegen bepaalde beoordelingen in de bestreden beslissing
70
Met haar vierde middel verwijt verzoekster de grote kamer van beroep, ten eerste, in punt 7 van de bestreden beslissing het standpunt van het Gerecht in zijn arrest van 5 mei 2011, Cheapflights (T‑460/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:198) te hebben samengevat als „bevestiging van het beschrijvend karakter van het woord ‚cheapflights’ en van de afbeelding van een vliegtuig voor diensten in verband met de organisatie van reizen” en, ten tweede, in punt 16 van de bestreden beslissing bij de verdeling van de kosten te hebben benadrukt dat „de gedeeltelijke afwijzing van de merkaanvraag [was] gebaseerd op de beschrijvende betekenis van het woord ‚cheapflights’ voor de afgewezen waren en diensten, en dus op een motivering die op dezelfde wijze van toepassing zou zijn bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het oudere merk dat precies hetzelfde woord bevat”. Nog steeds volgens punt 16 van de bestreden beslissing, „bepaalt de grote kamer van beroep [dan ook] om redenen van billijkheid, dat elke partij haar eigen kosten zal dragen”. Ze herinnert eraan dat het Ierse merk waarvan zij houdster is, was geregistreerd zonder dat zij het verwerven van onderscheidend vermogen door gebruik had hoeven aantonen.
71
Volgens het EUIPO is dit middel niet-ontvankelijk wegens strijd met artikel 177, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering omdat het op geen enkele rechtsgrondslag, noch specifieke rechtspraak is gebaseerd. Voorts merkt het op dat de genoemde stellingen slechts zijn geformuleerd met betrekking tot de kostenverdeling, die niet door verzoekster wordt betwist. Ten slotte wordt benadrukt dat deze stellingen alleen het woordelement „cheapflights” betreffen en niet de merken waarvan verzoekster houdster is.
72
Naar aanleiding van vragen in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang over de ontvankelijkheid van haar beroep voor zover het gericht is tegen de aanwezigheid van bepaalde beoordelingen van het beschrijvend karakter van het woord „cheapflights” in de bestreden beslissing, heeft verzoekster in wezen betoogd dat haar betwisting van dit aspect van de bestreden beslissing ontvankelijk is, omdat een correcte beoordeling van het onderscheidend vermogen van het oudere merk de kamer van beroep tot een andere beslissing had kunnen brengen.
73
Krachtens artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut en artikel 177, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, moet elk verzoekschrift, onder meer, een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze uiteenzetting moet zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verweerder zijn verdediging kan voorbereiden, en het Gerecht op het beroep uitspraak kan doen. Hetzelfde geldt voor elke conclusie, die vergezeld moet gaan van middelen en argumenten die zowel de verweerder als de rechter in staat moeten stellen, de gegrondheid ervan te beoordelen. Zo moeten de voornaamste gegevens, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, ten minste op summiere wijze, coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. Vergelijkbare eisen gelden wanneer een grief of een argument wordt aangevoerd tot staving van een middel [zie arrest van 13 maart 2013, Biodes/BHIM – (Manasul Internacional (FARMASUL), T‑553/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:126, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
74
In wezen verwijt verzoekster de kamer van beroep zich op incidentele wijze te hebben uitgesproken over de geldigheid van het oudere merk waarvan verzoekster houdster is, ofschoon zij hiervoor niet bevoegd was. Dit middel is derhalve begrijpelijk en kan niet reeds op grond van artikel 177, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering worden afgewezen.
75
Niettemin moet het beroep voor zover het gericht is tegen de aanwezigheid van bepaalde beoordelingen over het beschrijvend karakter van het woord „cheapflights” in de bestreden beslissing niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de betrokken passages in de bestreden beslissing niet bezwarend zijn voor verzoekster.
76
Zoals in punt 58 hierboven reeds is benadrukt kan, op welke overwegingen een beslissing van een kamer van beroep ook moge berusten, alleen het dispositief ervan rechtsgevolgen hebben en derhalve bezwarend zijn. De beoordelingen die in de motivering van een beslissing van een kamer van beroep vervat zijn, kunnen daarentegen niet als zodanig het voorwerp vormen van een beroep in de zin van artikel 72 van verordening 2017/1001. Slechts voor zover zij als motivering van een bezwarende handeling noodzakelijk zijn ter ondersteuning van het dispositief van die handeling, kan de Unierechter de rechtmatigheid ervan toetsen.
77
In casu blijkt uit de opzet van de bestreden beslissing dat punt 7 van de bestreden beslissing geen enkel punt in het dispositief ondersteunt. Wat punt 16 van de bestreden beslissing betreft, het is weliswaar een van de motieven waarop de grote kamer van beroep zich baseert om in punt 2 van het dispositief te beslissen dat elke partij haar eigen kosten draagt, maar dit onderdeel van het dispositief is door verzoekster niet betwist. Uit het verzoekschrift blijkt namelijk dat slechts de afsluiting van de oppositie- en de beroepsprocedure door de grote kamer van beroep, welke vervat is in punt 1 van het dispositief van de bestreden beslissing, wordt betwist, en niet de kostenverdeling die is vermeld in punt 2 van hetzelfde dispositief.
78
Aangezien ze niet in verband kunnen worden gebracht met het door verzoekster betwiste punt in het dispositief, kunnen de bekritiseerde uitdrukkingen in de motivering van de bestreden beslissing dus niet als zodanig het voorwerp vormen van een beroep voor het Gerecht.
79
Op basis van het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het gericht is tegen, ten eerste, de afsluiting bij de bestreden beslissing van de beroepsprocedure zonder onderzoek van de relatieve weigeringsgrond van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001, en, ten tweede, bepaalde beoordelingen van het beschrijvend karakter van het woord „cheapflights” in de bestreden beslissing, en dat geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan over het beroep voor zover het gericht is tegen het ontbreken van een onderzoek door de kamer van beroep van de incidentele vordering die verzoekster op grond van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 216/96 zou hebben ingediend.
Kosten
80
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Volgens artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering beslist het Gerecht, wanneer het geding zonder voorwerp is geraakt, vrijelijk over de kosten.
81
Nu het onderhavige beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk is verklaard en gedeeltelijk zonder voorwerp is geworden, wordt gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval een billijke toepassing van de hiervoor aangehaalde bepalingen gemaakt door verzoekster, afgezien van haar eigen kosten, te verwijzen in de helft van de kosten van het EUIPO.
HET GERECHT (Tweede kamer),
beschikt:
1)
Er hoeft geen uitspraak meer te worden gedaan over het beroep voor zover het gericht is tegen de afsluiting van de beroepsprocedure door de beslissing van de grote kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 1 juni 2017 (R 1893/2011-G) voor de waren en diensten van de klassen 9, 16, 35 en 42, waarvoor de oppositieafdeling de oppositie van CheapFlights International Ltd had verworpen.
2)
Het beroep wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
3)
CheapFlights International draagt, naast haar eigen kosten, de helft van de kosten van het EUIPO.
4)
Het EUIPO draagt de helft van zijn eigen kosten.
Luxemburg, 11 december 2018.
De griffier
E. Coulon
De president
M. Prek
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy