BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Negende kamer)
6 november 2018 ( *1 )
„Beroep tot nietigverklaring – Ercea – Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie ‚Horizon 2020’ – Besluit waarbij het verzoek om toetsing van de evaluatie van het voorstel voor onderzoek wordt afgewezen – Administratief beroep bij de Commissie – Verwerping van het administratieve beroep – Onjuiste aanduiding van de verwerende partij – Verzoek om een bevel – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑717/17,
Nicolae Chioreanu, wonende te Oradea (Roemenië), vertegenwoordigd door D.‑C. Rusu, advocaat,
verzoeker,
tegen
Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (Ercea), vertegenwoordigd door F. Sgritta en M. E. Chacón Mohedano als gemachtigden,
verweerder,
betreffende ten eerste een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van Ercea van 23 maart 2017 waarbij het verzoek om toetsing van de evaluatie van voorstel voor onderzoek nr. 741797-NIP, ERC‑2016-ADG „New and Innovative Powertrain – NIP” wordt afgewezen, alsook van besluit C(2017) 5190 final van de Commissie van 27 juli 2017, waarbij het administratieve beroep wordt verworpen dat verzoeker heeft ingesteld op grond van artikel 22, lid 1, van verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (PB 2003, L 11, blz. 1), en ten tweede een verzoek dat ertoe strekt dat het Gerecht Ercea gelast de evaluatie van het bovengenoemde voorstel voor onderzoek te toetsen,
geeft
HET GERECHT (Negende kamer),
samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, K. Kowalik-Bańczyk (rapporteur) en C. Mac Eochaidh, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Toepasselijke bepalingen
1
Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (PB 2003, L 11, blz. 1), verleent de Europese Commissie de bevoegdheid uitvoerende agentschappen op te richten om deze bij wijze van delegatie te belasten met de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een programma of project van de Europese Unie voor rekening en onder de verantwoordelijkheid van de Commissie.
2
Volgens artikel 4 van verordening nr. 58/2003 zijn de uitvoerende agentschappen lichamen van de Unie met een openbare dienstverleningsopdracht. Zij bezitten rechtspersoonlijkheid en genieten in alle lidstaten de ruimste handelingsbevoegdheid die door de nationale wetgeving aan rechtspersonen wordt toegekend.
3
Overeenkomstig artikel 22, leden 1 en 5, van verordening nr. 58/2003 kan elk besluit van een uitvoerend agentschap dat de belangen van een derde aantast, worden voorgelegd aan de Commissie opdat deze de wettigheid ervan toetst. Na de argumenten van de belanghebbende en die van het uitvoerende agentschap te hebben gehoord, doet de Commissie schriftelijk uitspraak over het administratieve beroep, waarbij zij haar beslissing motiveert. Tegen de verwerping van het administratieve beroep kan beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij het Hof van Justitie.
4
Overeenkomstig artikel 6 van het besluit van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van „Horizon 2020” – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020) en tot intrekking van de besluiten 2006/971/EG, 2006/972/EG, 2006/973/EG, 2006/974/EG en 2006/975/EG (PB 2013, L 347, blz. 965) heeft de Commissie bij besluit van 12 december 2013 (PB 2013, C 373, blz. 23) een Europese Onderzoeksraad (hierna: „ERC”) opgericht. De ERC bestaat uit een onafhankelijke wetenschappelijke raad en een specifieke uitvoeringsstructuur.
5
De bovengenoemde specifieke uitvoeringsstructuur is opgericht bij uitvoeringsbesluit van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en tot intrekking van besluit 2008/37/EG (PB 2013, L 346, blz. 58). Het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (Ercea), dat is aangeduid als verwerende partij in de onderhavige zaak, is door de Commissie overeenkomstig verordening nr. 58/2003 bij wijze van delegatie belast met de verwezenlijking van de specifieke doelstelling van de ERC in het kader van „Horizon 2020”. Die delegatie is geregeld bij besluit C(2013) 9428 final van de Commissie van 20 december 2013 betreffende de delegatie van bevoegdheden aan Ercea met het oog op het verrichten van taken in verband met de tenuitvoerlegging van programma’s van de Unie inzake verkennend onderzoek, die met name betrekking heeft op de besteding van kredieten die zijn opgenomen in de algemene begroting van de Unie.
6
De regels voor de deelname aan de met name door Ercea uitgeschreven uitnodigingen tot het indienen van voorstellen zijn vastgesteld bij verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van „Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020)” en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1906/2006 (PB 2013, L 347, blz. 81). Verordening nr. 1290/2013 stelt – onder meer – in artikel 16 een procedure voor de toetsing van evaluaties vast voor aanvragers die van mening zijn dat de evaluatie van hun voorstel niet is uitgevoerd in overeenstemming met de procedures die zijn vervat in deze verordening, dan wel in het desbetreffende werkprogramma of werkplan of in de uitnodiging tot het indienen van voorstellen. Overeenkomstig lid 2 van dat artikel moet een verzoek om toetsing van de evaluatie door de betrokken aanvrager worden ingediend binnen dertig dagen, gerekend vanaf de datum waarop de Commissie of het betrokken financieringsorgaan die aanvrager op de hoogte heeft gesteld van de evaluatieresultaten. Volgens lid 3 van datzelfde artikel is de Commissie of het betrokken financieringsorgaan verantwoordelijk voor de beoordeling van het verzoek om toetsing van de evaluatie. Deze beoordeling heeft uitsluitend betrekking op de procedurele aspecten van de evaluatie en niet op de inhoud van het voorstel. In het betreffende artikel wordt geen specifieke termijn vastgesteld waarbinnen de Commissie of het betrokken financieringsorgaan zich dient uit te spreken over het verzoek om toetsing van de evaluatie, en wordt enkel vermeld – te weten in lid 5 – dat zij hun besluit zonder uitstel nemen. Ten slotte staat de toetsingsprocedure volgens lid 7 van hetzelfde artikel niet in de weg aan andere acties die de deelnemer in overeenstemming met het Unierecht kan ondernemen.
Voorgeschiedenis van het geding
7
Op 25 mei 2016 heeft Ercea een uitnodiging tot het indienen van voorstellen voor ERC-subsidies voor gevestigde onderzoekers gepubliceerd in het kader van het werkprogramma 2016 „Horizon 2020” in verband met de tenuitvoerlegging van de activiteiten van de ERC.
8
Op 30 augustus 2016 heeft verzoeker, Nicolae Chioreanu, die in naam van de universiteit van Oradea (Roemenië) handelde, projectvoorstel nr. 741797 NIP – New and Innovative Powertrain – ingediend met het oog op het verkrijgen van een subsidie (hierna: „voorstel nr. 741797-NIP”).
9
De evaluatie van voorstel nr. 741797-NIP is toegewezen aan een panel van experten dat heeft beslist dat dit voorstel niet voldeed aan de excellentiecriteria van de ERC, en dat het bijgevolg niet in aanmerking mocht worden genomen voor de tweede fase van de selectie met het oog op financiering. Bij brief van 30 januari 2017 heeft Ercea verzoeker in kennis gesteld van de uitkomst van de beoordeling. In deze brief werd melding gemaakt van de ter beschikking staande rechtsmiddelen, te weten het verzoek om toetsing van de evaluatie, het administratieve beroep krachtens artikel 22 van verordening nr. 58/2003 en het tegen Ercea gerichte beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU. In die brief werden bovendien de termijnen voor het instellen van die rechtsmiddelen uiteengezet, werden de e-mailadressen vermeld via welke de eerste twee rechtsmiddelen konden worden ingesteld, en werd gepreciseerd dat verzoeker slechts één formeel rechtsmiddel tegelijkertijd kon instellen. Het evaluatieverslag – dat de individuele opmerkingen van de experten, de slotopmerkingen en de door het panel toegekende scores bevatte – was opgenomen als bijlage bij de brief in kwestie.
10
Op 14 februari 2017 heeft verzoeker een verzoek om toetsing van de evaluatie ingediend.
11
Bij brief van 23 maart 2017 heeft de directeur van Ercea verzoeker ervan in kennis gesteld dat zijn verzoek om toetsing was afgewezen door het toetsingscomité van Ercea (hierna: „besluit van Ercea van 23 maart 2017”). Volgens dit comité was bij het evaluatieproces geen enkele procedurefout begaan. In die brief heeft de directeur verzoeker meegedeeld dat er twee rechtsmiddelen ter beschikking stonden, namelijk ten eerste het administratieve beroep krachtens artikel 22 van verordening nr. 58/2003, dat via het vermelde e-mailadres moest worden ingesteld binnen een maand vanaf de ontvangst van het besluit door verzoeker, en ten tweede het beroep krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van Ercea van 23 maart 2017, dat moest worden ingesteld binnen twee maanden vanaf de ontvangst van het besluit door verzoeker. In diezelfde brief werd tevens verwezen naar verordening nr. 58/2003 en werd gepreciseerd dat verzoeker slechts één rechtsmiddel tegelijkertijd kon instellen, alsook dat hij – bij een keuze voor de instelling van het administratieve beroep krachtens artikel 22 van verordening nr. 58/2003 – zou moeten wachten op het definitieve besluit van de Commissie en daartegen vervolgens een beroep tot nietigverklaring zou moeten instellen.
12
Op 3 april 2017 heeft verzoeker bij de Commissie een administratief beroep krachtens artikel 22 van verordening nr. 58/2003 ingesteld.
13
Bij besluit C(2017) 5190 final van 27 juli 2017, dat is genomen op grond van artikel 22, lid 1, van verordening nr. 58/2003 (hierna: „besluit van de Commissie van 27 juli 2017”), heeft de Commissie verzoekers administratieve beroep ongegrond verklaard en het besluit van Ercea van 23 maart 2017, waarbij het verzoek om toetsing van de evaluatie van voorstel nr. 741797-NIP was afgewezen, gehandhaafd. Verzoeker is van dat besluit in kennis gesteld bij een door de directeur-generaal van het directoraat-generaal (DG) Onderzoek en Innovatie ondertekende brief van 16 augustus 2017. Deze brief bevatte de vermelding dat verzoeker een tegen de Commissie gericht beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU kon instellen binnen twee maanden vanaf de dag waarop hij die brief had ontvangen.
Procedure en conclusies van partijen
14
Bij ter griffie van het Gerecht op 13 oktober 2017 neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
15
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 januari 2018, heeft Ercea een exceptie van niet-ontvankelijkheid krachtens artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht opgeworpen. Verzoeker heeft op 5 maart 2018 zijn opmerkingen over deze exceptie ingediend.
16
In het verzoekschrift vraagt verzoeker het Gerecht:
–
„de besluiten” waarbij het verzoek om toetsing van de evaluatie van voorstel nr. 741797-NIP wordt afgewezen, nietig te verklaren;
–
Ercea te gelasten de evaluatie van voorstel nr. 741797-NIP te toetsen.
17
Met de exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt Ercea het Gerecht:
–
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
–
verzoeker te verwijzen in de kosten.
18
In zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt verzoeker het Gerecht het beroep ontvankelijk te verklaren.
In rechte
19
Krachtens artikel 130, leden 1 en 7, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien de verwerende partij daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Bovendien staat in artikel 126 van dat Reglement te lezen dat wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond is, het Gerecht te allen tijde – op voorstel van de rechter-rapporteur – kan beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.
20
In het onderhavige geval acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende ingelicht, en beslist het uitspraak te doen over het beroep zonder de mondelinge behandeling te openen en zonder op de zaak ten gronde in te gaan.
Naleving van de regels in verband met de inhoud van het verzoekschrift
21
Door Ercea wordt aangevoerd dat het voorwerp van het geding en de middelen ter ondersteuning van het beroep niet met de vereiste nauwkeurigheid worden aangeduid in het verzoekschrift. Met name wordt opgemerkt dat verzoeker in de punten 1 en 21 van het verzoekschrift verwijst naar „afwijzende besluiten” met betrekking tot de nieuwe evaluatie van voorstel nr. 741797-NIP, zonder dat hij gegevens zoals de datum of de auteur van de bestreden handeling of handelingen zodanig preciseert dat de handeling of handelingen waartegen het beroep wordt ingesteld, ondubbelzinnig kunnen worden geïdentificeerd.
22
In de opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid voert verzoeker aan dat het argument van Ercea onjuist is, aangezien het voorwerp van het geding – dat volgens hem bestaat in het feit dat Ercea zich bij de evaluatie van voorstel nr. 741797-NIP niet heeft gehouden aan de daarbij te volgen procedure – zeer duidelijk in het verzoekschrift is beschreven. Met betrekking tot de in punt 21 van het verzoekschrift gebruikte meervoudsvorm voert hij aan dat geen precisering was vereist van alle gegevens voor de identificatie van de besluiten waarvan hij de nietigverklaring vordert, omdat deze besluiten in de bijlagen A.2 en A.3 van het verzoekschrift zijn opgenomen.
23
Ingevolge artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie – dat op grond van artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut en artikel 76, onder d) en e), van het Reglement voor de procesvoering van toepassing is op de procedure voor het Gerecht – moet het verzoekschrift het voorwerp van het geding, de aangevoerde middelen en argumenten alsook een summiere uiteenzetting van die middelen en de conclusies van de verzoekende partij bevatten. Deze gegevens moeten zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en dat het Gerecht – in voorkomend geval zonder verdere informatie – uitspraak kan doen op het beroep. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep – op zijn minst summier maar coherent en begrijpelijk – blijken uit de bewoordingen van het verzoekschrift zelf (beschikkingen van 28 april 1993, De Hoe/Commissie, T‑85/92, EU:T:1993:39, punt 20, en 21 mei 1999, Asia Motor France e.a./Commissie, T‑154/98, EU:T:1999:109, punt 49; arrest van 15 juni 1999, Ismeri Europa/Rekenkamer, T‑277/97, EU:T:1999:124, punt 29).
24
Wat meer in het bijzonder de conclusies van de partijen betreft, zij benadrukt dat daarin het voorwerp van het geding wordt bepaald. Daarom is het van belang dat in de conclusies uitdrukkelijk en ondubbelzinnig wordt aangegeven wat partijen verlangen. Met name moet bij een beroep tot nietigverklaring duidelijk worden aangegeven van welke handeling de nietigverklaring wordt gevorderd (arrest van 10 juli 1990, Automec/Commissie, T‑64/89, EU:T:1990:42, punt 67).
25
In casu zij opgemerkt dat verzoeker in punt 1 van het verzoekschrift, onder het opschrift „Voorwerp van het geding”, het Gerecht vraagt „de afwijzing van het verzoek om een nieuwe evaluatie van [voorstel nr. 741797-NIP] [nietig te verklaren] en [Ercea] te gelasten dat voorstel opnieuw te evalueren met volledige inachtneming van de beginselen van transparantie, billijkheid en onpartijdigheid, die zijn neergelegd in de regels van de ERC voor de indiening en evaluatie van voorstellen”. Tevens dient te worden opgemerkt dat verzoeker in punt 21 van het verzoekschrift, onder het opschrift „Conclusie”, het Gerecht vraagt om „de besluiten houdende afwijzing van het verzoek om een nieuwe evaluatie van [voorstel nr. 741797-NIP] [nietig te verklaren] en [Ercea] te gelasten dat voorstel opnieuw te evalueren, omdat de evaluatieprocedure niet is nageleefd”.
26
Gelet op een en ander beoogt verzoeker met het onderhavige beroep in wezen de nietigverklaring van een door Ercea vastgestelde handeling te verkrijgen opdat Ercea ertoe zou worden gebracht over te gaan tot de toetsing van de evaluatie van voorstel nr. 741797-NIP, waarbij verzoeker een subsidie voor zijn project heeft aangevraagd.
27
Dit neemt echter niet weg dat verzoeker in de opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid te kennen geeft dat hij de nietigverklaring van de in de bijlagen A.2 en A.3 opgenomen handelingen vordert. Deze twee bijlagen bevatten respectievelijk het besluit van Ercea van 23 maart 2017 en het besluit van de Commissie van 27 juli 2017.
28
De in het verzoekschrift gebruikte formulering – met name het gebruik van de meervoudsvorm in punt 21 van het verzoekschrift voor de beschrijving van de handelingen waartegen beroep wordt ingesteld – en het feit dat in het verzoekschrift niet wordt gepreciseerd wie deze handelingen heeft vastgesteld of wanneer zij zijn vastgesteld, kan ongetwijfeld aanleiding geven tot verwarring. Aangezien de handelingen waartegen beroep is ingesteld, bij het verzoekschrift zijn gevoegd, kunnen zij echter op basis daarvan worden geïdentificeerd.
29
Overigens zij opgemerkt dat Ercea in verband met de exceptie van niet-ontvankelijkheid argumenten heeft aangevoerd die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van zowel een beroep dat is gericht tegen zijn besluit van 23 maart 2017 als een beroep dat is gericht tegen het besluit van de Commissie van 27 juli 2017. Ondanks de onduidelijkheden in het verzoekschrift was verweerder derhalve zelf in staat om de twee handelingen te identificeren waartegen het onderhavige beroep is ingesteld, en om uit te maken door wie en wanneer deze handelingen zijn vastgesteld.
30
Gelet op een en ander voldoet het voorwerp van het geding, zoals dat is omschreven in het verzoekschrift, aan de hierboven in de punten 23 en 24 in herinnering gebrachte vereisten. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat verzoeker met het onderhavige beroep verzoekt om de nietigverklaring van twee handelingen, te weten het besluit van Ercea van 23 maart 2017 en het besluit van de Commissie van 27 juli 2017. Daarnaast verzoekt hij het Gerecht Ercea te gelasten voorstel nr. 741797-NIP opnieuw te evalueren.
Verzoek tot nietigverklaring van het besluit van Ercea van 23 maart 2017
31
Ercea voert aan dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is voor zover het is gericht tegen het besluit van 23 maart 2017, omdat het is ingesteld na het verstrijken van de in artikel 263, zesde alinea, VWEU vastgestelde termijn van twee maanden.
32
Het Gerecht is om een andere reden van oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is voor zover het is gericht tegen het besluit van Ercea van 23 maart 2017. Het volstaat namelijk vast te stellen dat verzoeker ervoor heeft gekozen tegen dit besluit een administratief beroep op grond van artikel 22 van verordening nr. 58/2003 in te stellen, en dat de Commissie op dit administratieve beroep uitspraak heeft gedaan bij besluit van 27 juli 2017, waartegen het onderhavige beroep eveneens is gericht.
33
Doordat verzoeker ervoor heeft gekozen administratief beroep in te stellen, hetgeen op 27 juli 2017 heeft geleid tot de vaststelling van een besluit door de Commissie, de autoriteit die belast is met het toezicht op de wettigheid van de handelingen van Ercea, kan hij tegen het besluit van Ercea van 23 maart 2017 niet meer opkomen met een beroep in rechte krachtens artikel 263 VWEU, en dit los van de door Ercea in verband met zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid aan de orde gestelde kwestie van een mogelijke overschrijding van de termijn om een dergelijk beroep in te stellen.
34
Hieruit volgt dat het verzoek tot nietigverklaring van het besluit van Ercea van 23 maart 2017 kennelijk niet-ontvankelijk is.
Verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 27 juli 2017
35
Ercea betoogt dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op het besluit van de Commissie van 27 juli 2017, omdat het niet is gericht tegen de entiteit die dit besluit heeft vastgesteld.
36
Artikel 22, leden 1 en 5, van verordening nr. 58/2003 bepaalt dat wanneer een besluit van een uitvoerend agentschap dat de belangen van een derde aantast, wordt voorgelegd aan de Commissie opdat deze de wettigheid ervan toetst, bij het Hof van Justitie beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende verwerping van het administratieve beroep door de Commissie.
37
Volgens de rechtspraak moeten beroepen in beginsel worden gericht tegen de auteur van de bestreden handeling (zie beschikkingen van 22 juli 2015, European Children’s Fashion Association en Instituto de Economía Pública/Commissie en Eacea, T‑724/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:550, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 november 2017, Pilla/Commissie en Eacea, T‑784/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:806, punt 54). Dat is met name het geval wanneer een handeling niet kan worden toegerekend aan een andere instelling, een ander orgaan of een andere instantie van de Unie dan de instelling, het orgaan of de instantie waardoor de handeling is vastgesteld (zie in die zin beschikkingen van 16 december 2008, Italië/Commissie en EESC, T‑117/08, niet gepubliceerd, EU:T:2008:582, punten 16‑19, en 15 november 2017, Pilla/Commissie en Eacea, T‑784/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:806, punten 55‑60).
38
Wanneer in het verzoekschrift per vergissing niet de auteur van de bestreden handeling als verwerende partij is aangeduid, brengt dat bovendien niet de niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift met zich mee, op voorwaarde dat dit verzoekschrift gegevens bevat op grond waarvan ondubbelzinnig kan worden vastgesteld tegen wie het is gericht, zoals de aanwijzing van de bestreden handeling en van de auteur daarvan. In dat geval moet de auteur van de bestreden handeling als de verwerende partij worden beschouwd, ook al is hij in het inleidende gedeelte van het verzoekschrift niet als zodanig vermeld. Deze situatie moet evenwel worden onderscheiden van die waarin de verzoekende partij degene die in het inleidende gedeelte van het verzoekschrift als verwerende partij is vermeld, als zodanig blijft aanduiden hoewel zij zich terdege ervan bewust is dat het niet gaat om degene die de bestreden handeling heeft vastgesteld. In het laatstbedoelde geval moet de aanduiding van de verwerende partij in het verzoekschrift in aanmerking worden genomen, en aan deze aanduiding moeten in voorkomend geval gevolgen voor de ontvankelijkheid van het beroep worden verbonden (zie in die zin arrest van 22 november 1990, Mommer/Parlement, T‑162/89, EU:T:1990:72, punten 19 en 20; zie ook beschikking van 27 maart 2017, Frank/Commissie, T‑603/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:228, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
In casu moet allereerst worden geconstateerd dat de Commissie de enige auteur van het besluit van 27 juli 2017 is. Met de vaststelling van dit besluit heeft de Commissie de haar bij verordening nr. 58/2003 toegekende bevoegdheid inzake het toezicht op de wettigheid van de besluiten van Ercea uitgeoefend. Het besluit van 27 juli 2017 van de Commissie kan dus in geen geval worden toegerekend aan Ercea.
40
Voorts zij eraan herinnerd dat in het besluit van Ercea van 23 maart 2017 melding is gemaakt van de mogelijkheid om tegen het besluit van de Commissie beroep in te stellen en van de rechtsgrondslag voor dit beroep (zie punt 11 hierboven). Bovendien wordt in de brief van 16 augustus 2017 die samen met het besluit van de Commissie van 27 juli 2017 aan verzoeker is overgezonden door de directeur-generaal van het DG Onderzoek en Innovatie, uitdrukkelijk de Commissie genoemd als de partij tegen wie een beroep tot nietigverklaring van dit besluit krachtens artikel 263 VWEU moest worden gericht (zie punt 13 hierboven).
41
Ten slotte moet worden vastgesteld dat verzoeker in zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid Ercea is blijven aanduiden als verwerende partij, ook al had Ercea in verband met de exceptie van niet-ontvankelijkheid erop gewezen dat het onderhavige beroep gericht had moeten zijn tegen de Commissie voor zover het was ingesteld tegen het besluit van de Commissie van 27 juli 2017.
42
Gelet op het voorgaande is het verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 27 juli 2017 niet gericht tegen de entiteit die deze handeling heeft vastgesteld. Dit verzoek is dus niet-ontvankelijk.
Vordering tot uitvaardiging van een bevel ten aanzien van Ercea
43
Volgens vaste rechtspraak is het Gerecht in het kader van het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie niet bevoegd om bevelen tot hen te richten of zich in hun plaats te stellen (arrest van 10 oktober 2012, Griekenland/Commissie, T‑158/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:530, punt 219; zie ook arrest van 22 april 2016, Italië en Eurallumina/Commissie, T‑60/06 RENV II en T‑62/06 RENV II, EU:T:2016:233, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44
De door verzoeker ingestelde vordering tot uitvaardiging van een bevel ten aanzien van Ercea is dus kennelijk niet-ontvankelijk.
45
Gelet op een en ander moet het onderhavige beroep in zijn geheel kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard en daarom worden verworpen.
Kosten
46
Ingevolge artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van Ercea te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Negende kamer)
beschikt:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Nicolae Chioreanu wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 6 november 2018.
De griffier
E. Coulon
De president
S. Gervasoni
( *1 ) Procestaal: Roemeens.
Full & Egal Universal Law Academy