12.8.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 270/8
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 20 juni 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa — Letland) – „Oribalt Rīga” SIA, voorheen „Oriola Rīga” SIA/Valsts ieņēmumu dienests
(Zaak C-1/18) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Douane-unie - Verordening (EEG) nr. 2913/92 - Artikel 30, lid 2, onder b) en c) - Verordening (EEG) nr. 2454/93 - Artikel 152, lid 1, onder a) en b) - Vaststelling van de douanewaarde van de goederen - Begrip „soortgelijke goederen” - Geneesmiddelen - Inaanmerkingneming van alle elementen die van invloed kunnen zijn op de economische waarde van het betrokken geneesmiddel - Termijn van 90 dagen waarbinnen de ingevoerde goederen moeten worden verkocht in de Europese Unie - Strikte termijn - Geen verplichting om rekening te houden met commerciële kortingen)
(2019/C 270/09)
Procestaal: Lets
Verwijzende rechter
Augstākā tiesa
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:„Oribalt Rīga” SIA, voorheen „Oriola Rīga” SIA
Verwerende partij: Valsts ieņēmumu dienests
Dictum
1)
Artikel 30, lid 2, onder b), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de douanewaarde van goederen, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde geneesmiddelen, wordt berekend volgens de deductieve methode waarin deze bepaling voorziet, de bevoegde nationale douaneautoriteiten, om de „soortgelijke goederen” te identificeren, alle relevante factoren in aanmerking moeten nemen, zoals de samenstelling van deze geneesmiddelen, de substitueerbaarheid van hun functies en de uitwisselbaarheid ervan in de handel, en zij dus een feitelijke beoordeling moeten verrichten waarbij rekening wordt gehouden met alle elementen die van invloed kunnen zijn op de werkelijke economische waarde van die goederen, waaronder de marktpositie van de ingevoerde goederen en van de fabrikant ervan.
2)
Artikel 152, lid 1, onder b), van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de prijs per eenheid van de ingevoerde goederen wordt bepaald volgens de methode van artikel 30, lid 2, onder c), van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 82/97, de in artikel 152, lid 1, onder b), van verordening nr. 2454/93 bedoelde termijn van 90 dagen waarbinnen de ingevoerde goederen in de Europese Unie moeten worden verkocht, een strikte termijn is.
3)
Artikel 30, lid 2, onder c), van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 82/97, moet aldus worden uitgelegd dat bij de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen overeenkomstig deze bepaling, geen rekening mag worden gehouden met kortingen op de verkoopprijs van deze goederen.
(1) PB C 104 van 19.3.2018.
Full & Egal Universal Law Academy