11.11.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 383/16
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 11 september 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato - Italië) – Caseificio Sociale San Rocco Soc. coop. arl e.a./Agenzia per le Erogazioni in Agricoltura (AGEA), Regione Veneto
(Zaak C-46/18) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Sector melk en zuivelproducten - Quota - Extra heffing - Verordening (EEG) nr. 3950/92 - Artikel 2 - Inning van de heffing door de koper - Leveringen die de voor de producent beschikbare referentiehoeveelheid overschrijden - Hoogte van de melkprijs - Verplichte toepassing van een inhouding - Terugbetaling van het te veel geïnde bedrag - Verordening (EG) nr. 1392/2001 - Artikel 9 - Koper - Niet-nakoming van de verplichting om de extra heffing te verrichten - Producenten - Niet-nakoming van de verplichting tot maandelijkse betaling - Bescherming van het gewettigd vertrouwen)
(2019/C 383/15)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Consiglio di Stato
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Caseificio Sociale San Rocco Soc. coop. arl, S.s. Franco e Maurizio Artuso, Claudio Matteazzi, Roberto Tellatin, Sebastiano Bolzon
Verwerende partijen: Agenzia per le Erogazioni in Agricoltura (AGEA), Regione Veneto
Dictum
1)
Artikel 2 van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1256/1999 van de Raad van 17 mei 1999, moet aldus worden uitgelegd dat de vaststelling dat de nationale regeling betreffende de wijze waarop de extra heffing door de koper bij de producenten wordt geïnd onverenigbaar is met die bepaling, niet met zich meebrengt dat de aan die regeling onderworpen producenten deze heffing niet meer verschuldigd zijn.
2)
Artikel 2, lid 4, van verordening nr. 3950/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1256/1999, gelezen in samenhang met artikel 9 van verordening (EG) nr. 1392/2001 van de Commissie van 9 juli 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 3950/92, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die bepaalt dat de te veel geïnde extra heffing bij voorrang moet worden terugbetaald aan de producenten die – overeenkomstig een bepaling van nationaal recht die onverenigbaar is met artikel 2, lid 2, van verordening nr. 3950/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1256/1999 – hebben voldaan aan hun maandelijkse betalingsverplichting.
3)
Het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, het bedrag aan extra heffing dat is verschuldigd door producenten die niet hebben voldaan aan de door de toepasselijke nationale regeling opgelegde verplichting om die heffing maandelijks te betalen, opnieuw wordt berekend.
(1) PB C 142 van 23.4.2018.