8.4.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 131/13
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 7 februari 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Catalunya — Spanje) — Carlos Escribano Vindel/Ministerio de Justicia
(Zaak C-49/18) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Bezuinigingsmaatregelen - Verlaging van de salarissen in de nationale openbare dienst - Modaliteiten - Uiteenlopende gevolgen - Sociale politiek - Gelijke behandeling in arbeid en beroep - Richtlijn 2000/78/EG - Artikel 2, lid 1 en lid 2, onder b) - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 21 - Rechterlijke onafhankelijkheid - Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU)
(2019/C 131/15)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Tribunal Superior de Justicia de Catalunya
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Carlos Escribano Vindel
Verwerende partij: Ministerio de Justicia
Dictum
1)
Artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en artikel 2, lid 1 en lid 2, onder b), van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich, onder voorbehoud van door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, niet verzetten tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, waarbij, in het kader van algemene salarisverlagingsmaatregelen in verband met de verplichting tot wegwerking van een buitensporig begrotingstekort, voor de basissalarissen en aanvullende salarissen van de leden van de zittende magistratuur verschillende salarisverlagingspercentages zijn vastgesteld, hetgeen volgens de verwijzende rechter voor degenen die behoren tot twee salarisgroepen van de lagere categorieën van die magistratuur procentueel grotere salarisverlagingen blijkt in te houden dan voor degenen die behoren tot een salarisgroep van een hogere categorie van die magistratuur, terwijl de eerstgenoemde categorieën een lager salaris ontvangen, over het algemeen jonger zijn, en doorgaans minder anciënniteit hebben dan de laatstgenoemde categorie.
2)
Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moet aldus worden uitgelegd dat het beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid zich niet verzet tegen de toepassing op verzoeker in het hoofdgeding van een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij, ongeacht de aard van de uitgeoefende functies, de anciënniteit of het belang van de verrichte taken, in het kader van algemene salarisverlagingsmaatregelen in verband met de verplichting tot wegwerking van een buitensporig begrotingstekort, voor de basissalarissen en aanvullende salarissen van de leden van de zittende magistratuur verschillende salarisverlagingspercentages zijn vastgesteld, hetgeen volgens de verwijzende rechter voor degenen die behoren tot twee salarisgroepen van de lagere categorieën van die magistratuur procentueel grotere salarisverlagingen blijkt in te houden dan voor degenen die behoren tot een salarisgroep van een hogere categorie van die magistratuur, terwijl de eerstgenoemde categorieën een lager salaris ontvangen dan de laatstgenoemde categorie, voor zover het salaris dat verzoeker in het hoofdgeding na toepassing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde salarisverlaging ontvangt, qua omvang evenredig is aan het belang van de door hem uitgeoefende functie en dus de onafhankelijkheid van zijn oordeel waarborgt, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.
(1) PB C 152 van 30.4.2018.