3.6.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 187/26
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 26 maart 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom — Verenigd Koninkrijk) — SM/Entry Clearance Officer, UK Visa Section
(Zaak C-129/18) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Burgerschap van de Europese Unie - Recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de Unieburgers en hun familieleden - Richtlijn 2004/38/EG - Familieleden van de Unieburger - Artikel 2, punt 2, onder c) - Begrip „rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn” - Kind dat uit hoofde van het Algerijnse kafala-stelsel (zorgverstrekking) onder vaste wettelijke voogdij staat - Artikel 3, lid 2, onder a) - Andere familieleden - Artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Familie- en gezinsleven - Belangen van het kind)
(2019/C 187/29)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Supreme Court of the United Kingdom
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: SM
Verwerende partijen: Entry Clearance Officer, UK Visa Section
in tegenwoordigheid van: Coram Children’s Legal Centre (CCLC), AIRE Centre
Dictum
Het begrip „rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn” van een Unieburger in artikel 2, punt 2, onder c), van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG moet aldus worden uitgelegd dat het niet ziet op een kind dat uit hoofde van de Algerijnse kafala onder vaste wettelijke voogdij van een Unieburger is geplaatst, omdat deze plaatsing geen afstammingsrelatie in het leven roept tussen hen.
De bevoegde nationale autoriteiten dienen evenwel de binnenkomst en het verblijf van een dergelijk kind als ander familielid van een Unieburger te vergemakkelijken overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder a), van deze richtlijn, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de gronderechten van de Europese Unie, door een evenwichtige en redelijke beoordeling te maken van alle actuele en relevante omstandigheden van het individuele geval, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende in het geding zijnde belangen en in het bijzonder het belang van het betrokken kind. Ingeval na deze beoordeling komt vast te staan dat het kind en zijn voogd, die Unieburger is, daadwerkelijk een gezinsleven zullen leiden en dat het kind afhankelijk is van zijn voogd, verlangen de eisen in verband met het grondrecht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, samen met de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind, in beginsel dat aan dat kind een recht van binnenkomst en verblijf wordt verleend, teneinde het kind in staat te stellen met zijn voogd in de gastlidstaat van laatstgenoemde te leven.
(1) PB C 134 van 16.4.2018.