9.9.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 305/18
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 3 juli 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Varhoven administrativen sad — Bulgarije) — „UniCredit Leasing” EAD/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” — Sofia pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite (NAP)
(Zaak C-242/18) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Maatstaf van heffing - Verlaging - Beginsel van fiscale neutraliteit - Leaseovereenkomst die is ontbonden wegens niet-betaling van de leasetermijnen - Naheffingsaanslag - Werkingssfeer - Belastbare handelingen - Leveringen van goederen onder bezwarende titel - Betaling van een „verbrekingsvergoeding” tot aan het einde van de looptijd van de overeenkomst - Bevoegdheid van het Hof)
(2019/C 305/22)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Varhoven administrativen sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:„UniCredit Leasing” EAD
Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” — Sofia pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite (NAP)
Dictum
1)
Artikel 90, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat het op grond van deze bepaling bij verbreking van een leaseovereenkomst is toegestaan dat wordt overgegaan tot verlaging van de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde die bij naheffingsaanslag forfaitair is vastgesteld op basis van het totale bedrag van de verschuldigde leasetermijnen voor de volledige looptijd van de overeenkomst, ook al is deze naheffingsaanslag definitief geworden en is hij dus een „definitief geworden administratieve handeling” waarbij naar nationaal recht een belastingschuld wordt vastgesteld.
2)
Artikel 90 van richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat in een situatie als die van het hoofdgeding, ten eerste de niet-betaling van een gedeelte van de termijnen van een leaseovereenkomst die verschuldigd zijn voor het tijdvak vanaf de staking van de betaling tot aan het tijdstip van de ontbinding zonder terugwerkende kracht van de overeenkomst, en ten tweede de niet-betaling van een schadevergoeding die in geval van voortijdige ontbinding van de overeenkomst verschuldigd is ten belope van het totale bedrag van de niet-betaalde leasetermijnen tot aan het einde van de looptijd van deze overeenkomst, gevallen van niet-betaling vormen die onder de in lid 2 van dat artikel bedoelde afwijking van de verplichting tot verlaging van de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde kunnen vallen, tenzij de belastingplichtige aantoont dat het redelijk waarschijnlijk is dat de schuld niet zal worden voldaan, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
(1) PB C 211 van 18.6.2018.