23.9.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 319/16
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 29 juli 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Bacău — Roemenië) — Radu Lucian Rusu, Oana Maria Rusu/SC Blue Air — Airline Management Solutions Srl
(Zaak C-354/18) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Verordening (EG) nr. 261/2004 - Luchtvervoer - Instapweigering - Begrippen „compensatie” en „verdere compensatie” - Soort vergoedbare schade - Materiële of immateriële schade - Mindering - Verdere compensatie - Bijstand - Aan passagiers verstrekte informatie)
(2019/C 319/16)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Tribunalul Bacău
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Radu Lucian Rusu, Oana Maria Rusu
Verwerende partij: SC Blue Air — Airline Management Solutions Srl
Dictum
1)
Ten eerste moet artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 aldus worden uitgelegd dat het in die bepaling vastgestelde bedrag niet strekt tot vergoeding van schade zoals loonverlies, ten tweede kan voor die schade verdere compensatie in de zin van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 261/2004 worden toegekend, en ten derde staat het aan de verwijzende rechter om op grond van de relevante rechtsgrondslag vast te stellen en te beoordelen uit welke verschillende elementen die schade bestaat en wat de omvang is van de compensatie van die schade.
2)
Verordening nr. 261/2004, en met name artikel 12, lid 1, tweede volzin, daarvan, moet aldus worden uitgelegd dat zij de bevoegde nationale rechter toestaat, maar niet ertoe verplicht, om de uit hoofde van deze verordening toegekende compensatie in mindering te brengen op de verdere compensatie, waarbij deze verordening de bevoegde nationale rechter geen voorwaarden stelt waaronder hij een dergelijke mindering zou kunnen toepassen.
3)
Artikel 4, lid 3, juncto artikel 8, lid 1, van verordening nr. 261/2004 moet aldus worden uitgelegd dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert ertoe wordt verplicht om de betrokken passagiers volledig te informeren over alle in laatstgenoemde bepaling voorziene mogelijkheden, zonder dat de betrokken passagiers enige verplichting hebben om zelf actief informatie daaromtrent in te winnen.
4)
Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 261/2004 moet aldus worden uitgelegd dat — voor de toepassing van die bepaling — de bewijslast om aan te tonen dat het alternatieve reisplan bij de eerste gelegenheid is uitgevoerd rust op de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.
(1) PB C 294 van 20.8.2018.
Full & Egal Universal Law Academy